Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO4481

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
SBR 03/3120 VV, SBR 03/2982, SBR 03/2976 VV, SBR 03/2975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening hebben betrekking op het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht van 28 oktober 2003, waarbij verweerder de bezwaren van eisers sub 1 en eisers sub 2 tegen zijn besluit van 24 december 2002 gegrond heeft verklaard, maar waarbij dit besluit niet is herroepen. In zijn besluit van 24 december 2002 heeft verweerder een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een schoolgebouw op het perceel Burgemeester Van der Voort Van Zijplaan 63H te Utrecht, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie D, nummer 04082.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

Reg.nrs.: SBR 03/3120 VV, SBR 03/2982, SBR 03/2976 VV en SBR 03/2975

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op de verzoeken om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaken, in de gedingen tussen:

[eiser 1], wonende te [woonplaats],

eisers sub 1,

en

[eiser 2], wonende te [woonplaats],

eisers sub 2,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 De beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening hebben betrekking op verweerders besluit van 28 oktober 2003, waarbij verweerder de bezwaren van eisers sub 1 en eisers sub 2 tegen zijn besluit van 24 december 2002 gegrond heeft verklaard, maar waarbij dit besluit niet is herroepen. In zijn besluit van 24 december 2002 heeft verweerder een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een schoolgebouw op het perceel Burgemeester Van der Voort Van Zijplaan 63H te Utrecht, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie D, nummer 04082.

1.2 De verzoeken zijn op 15 januari 2004 ter zitting behandeld, waar eisers sub 1 zijn verschenen bij [...], bijgestaan door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam. Eisers sub 2 zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Berton, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.Ch. van Doorn en de heer Kok, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voor-zieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van de beroepen:

2.3 Op 26 september 2002 heeft de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, afdeling Onder-wijshuisvesting, van de gemeente Utrecht een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het bouwen van een nieuw onderwijsgebouw op het thans in geding zijnde perceel. In de aanvraag is onder meer vermeld dat op dit perceel voorheen ook een onderwijsgebouw heeft gestaan.

2.4 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Partiële herziening van het uitbreidingsplan "Tuindorp" nr. 4' is het onderwijsgebouw gesitueerd op gronden met de bestemming "Bebouwing BB". In artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat op de gronden, bestemd voor bebouwing BB, uitsluitend bijzondere gebouwen, zoals gebouwen bestemd voor de openbare dienst, kerken, schoolgebouwen, wijkgebouwen, theaters, kantoorgebouwen, warenhuizen, ziekenhuizen en dergelijke mogen worden opgericht. Het tweede lid van dit artikel - in samenhang met de plankaart - bepaalt dat de bebouwde oppervlakte niet meer mag bedragen dan 40%.

2.5 Op 23 oktober 2003 heeft de raad van de gemeente Utrecht het bestemmingsplan 'Tuindorp' vastgesteld. Ingevolge dit bestemmingsplan is het bouwplan gesitueerd op gronden met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen". In artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat gronden met deze bestemming zijn bestemd voor (onder meer): onderwijsvoorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen en voorzieningen voor sport en recreatie, met de daarbij behorende parkeervoorzieningen, open erven en terreinen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt onder meer dat de gebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwgrenzen mogen worden gebouwd. Uit de plankaart blijkt voorts dat maximaal 80% van het bouwvlak mag worden bebouwd.

2.6 Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bouwplan, voor wat betreft de afmetingen in overeenstemming is met het thans geldende bestemmingsplan. Niet in geding is dat de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte ingevolge dit plan 1.884 m² bedraagt. Vast staat voorts dat de oppervlakte van het bouwplan op de begane grond 1.692 m² is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de overbouwing, met een oppervlakte van 72 m², eveneens tot de bebouwde oppervlakte dient te worden gerekend; hiermee wordt de totale bebouwde oppervlakte 1.764 m².

Verweerder heeft de dakranden, die circa 1 m. rondom uitsteken, op goede gronden buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het bebouwde oppervlakte, waarbij verweerder heeft gewezen op het feit dat in paragraaf 3.3 van de Nederlandse NEN-norm 2580 ("Oppervlakten en inhouden van gebouwen") is bepaald dat bij de bepaling van de be-bouwde terreinoppervlakte geen rekening wordt gehouden met uitstekende delen van het gebouw boven het maaiveld. Paragraaf 3.5 van deze NEN-norm luidt voorts als volgt: "De terreinoppervlakte geeft de grenzen aan waarbinnen wordt gemeten. Uitkragende delen van het gebouw, die de grens van dit gebied overschrijden, worden niet tot de overbouwde terreinoppervlakte gerekend. Uitkragende constructiedelen kunnen bijvoorbeeld zijn: entree-overkappingen, dakoverstekken en niet-beweegbare zonweringsconstructies.".

2.7 Hetgeen overigens is aangevoerd met betrekking tot de strijdigheid met het geldende bestemmingsplan kan niet leiden tot een ander oordeel. Weliswaar worden met het bouwen van de forumschool ook andere activiteiten ter plaatse mogelijk gemaakt (kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, vrije tijdsruimte en een gymzaal), maar niet is gebleken dat deze in strijd zijn met het bepaalde in artikel 2 van de planvoorschriften aangezien deze geen limitatieve opsomming bevat. Mede gelet op de ruime omschrijving in deze bepaling en de hierin geboden mogelijkheid voor het vestigen van een wijkgebouw en een theater kan niet worden geoordeeld dat de beoogde activiteiten welke deels buiten de reguliere schooltijden plaatsvinden in strijd zijn met de planvoorschriften.

Eisers zijn van mening dat er na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan door de latere vestiging van woningen rondom het schoolterrein in feite een binnenterrein is ontstaan waardoor de vestiging van een forumschool in strijd zou komen met het bestem-mingsplan. Dit standpunt kan echter niet worden gevolgd nu - daargelaten of inderdaad sprake is van een binnenterrein - geen sprake is van een wijziging in de bestemmingsplan-bepalingen hetgeen een dwingend toetsingskader vormt voor de beoordeling van het in geschil zijnde bouwplan.

Tenslotte is de voorzieningenrechter uit de overgelegde tekeningen welke ter zitting nog nader zijn toegelicht, niet gebleken dat het bouwplan deels is gesitueerd op een strook grond 19 m. breed en 6 m. diep waarvoor de bestemming tuin of erf geldt.

2.8 Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet (Ww) dient de beslissing op een bouwaanvraag te worden aangehouden indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en er voor het gebied waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd - onder meer - een bestemmingsplan is vastgesteld.

Ingevolge artikel 50, vierde lid, van de Ww kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan dan wel met provinciaal of nationaal beleid.

Gelet op het bepaalde in artikel 9 van het door de raad vastgestelde bestemmingsplan 'Tuindorp' wordt geoordeeld dat de forumschool in overeenstemming is met de voor dit perceel geldende bestemming. Uit de planvoorschriften en de plankaart blijkt verder dat het maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte 1.698,6 m² bedraagt. In artikel 3, aanhef en onder 9, van de planvoorschriften is dienaangaande bepaald dat de oppervlakte van een bouwwerk buitenwerks en op (straat)peil wordt gemeten. Hieruit volgt dat bij deze berekening geen rekening wordt gehouden met meergenoemde overbouwing en de dak-randen. Nu de oppervlakte van het bouwwerk op het peilniveau (circa) 1.692 m² bedraagt, is het bouwplan ook voor wat betreft de afmetingen niet in strijd met de planvoorschriften. Verweerder was dan ook bevoegd om de aanhoudingsplicht met toepassing van artikel 50, vierde lid, van de Ww te doorbreken.

Nu het nieuwe bestemmingsplan minder bouwmogelijkheden biedt dan het vigerende bestemmingsplan is er voorts geen aanleiding om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om toepassing aan deze bevoegdheid te geven en niet de goedkeuring van het bestemmingsplan door gedeputeerde staten van Utrecht af te wachten.

2.9 Ten aanzien van de gestelde geluidsoverlast is de voorzieningenrechter allereerst van oordeel dat de onderhavige forumschool geen inrichting is, als bedoeld in de Wet milieubeheer, waarvoor een milieuvergunning krachtens artikel 8.1 van deze Wet nodig is. Uit de brief van de afdeling Milieu en Duurzaamheid van de Dienst stadsontwikkeling van de gemeente Utrecht van 22 november 2002 blijkt voorts dat het onderwijsgebouw onder het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer valt, zodat met een melding kan worden volstaan. Hieruit volgt dat er geen aanhoudingsplicht is als bedoeld in artikel 52 van de Ww. Het feit dat blijkens het door eisers overgelegde akoestisch rapport overlast in de avond en nacht niet zou kunnen worden uitgesloten tengevolge van het gebruik van de buitenruimte, kan, gelet op het toetsingskader, dan ook geen weigeringsgrond vormen voor de bouwvergunning.

2.10 Ter zake van de geconstateerde bodemverontreiniging is de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 52a, tweede lid, van de Ww, van oordeel dat verweerder door de goedkeuring van het saneringsplan op 1 oktober 2003 niet langer gehouden was om de beslissing op de aanvraag om een bouwvergunning aan te houden.

2.11 Aan de stelling van eisers sub 1, inhoudende dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, gaat de voorzieningenrechter voorbij, nu uit de gedingstukken is gebleken dat er met de omwonenden overleg is gevoerd en het bouwplan nog is aangepast aan de hand van de opmerkingen van de omwonenden. Ook anderszins is niet gebleken dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld.

2.12 Nu tenslotte een positief welstandsadvies is verleend voor de forumschool en niet is gebleken van andere weigeringsgronden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder en op goede gronden de bouwvergunning heeft verleend.

2.13 Aangezien op grond van het vorenstaande, en ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, worden de beroepen ongegrond verklaard. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eisers zijn derhalve ook geen termen aanwezig.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening:

2.14 Gelet op de beslissingen in de hoofdzaken is het treffen van voorlopige voorzieningen niet vereist en wordt ook ten aanzien van deze verzoeken geen aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten van eisers te veroordelen.

2.15 Derhalve wordt beslist als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van de beroepen:

3.1 verklaart de beroepen ongegrond.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. T. Dompeling, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2004.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.E. Companjen mr. T. Dompeling

Uitsluitend tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.

Afschrift verzonden aan partijen op:

SBR 03/3120 VV, SBR 03/2982, SBR 03/2976 VV en SBR 03/2975

- 5 -