Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO3532

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-02-2004
Datum publicatie
12-02-2004
Zaaknummer
Kg.nr: 171782/KGZA 03-1252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft in kort geding geoordeeld, dat de vordering van L2BH tot verhoging van de dwangsom in een eerder vonnis moet worden afgewezen. UMC heeft voldaan aan de veroordeling in het eerdere vonnis.

Ook de vordering tot het verstrekken van nadere informatie aan L2BH wordt afgewezen. L2BH heeft op grond van de door het UMC verstrekte informatie (waartoe UMC op grond van het eerdere kort geding vonnis was veroordeeld) haar positie genoegzaam kunnen inschatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kg.nr: 171782/KGZA 03-1252 LvR 12 februari 2004

Rechtbank Utrecht

(sector handels- en familierecht)

VONNIS

van de voorzieningenrechter,

in het kort geding: in de zaak van:

de besloten vennootschap met

beperkte aansprakelijkheid

L2BH B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Vught,

e i s e r e s,

hierna te noemen L2BH,

procureur: mr. B.E.J.M. Tomlow,

- t e g e n -

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Universitair Medisch Centrum Utrecht,

statutair gevestigd te Utrecht,

g e d a a g d e,

hierna te noemen het UMC,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff te 's-Gravenhage.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Op 2 februari 2004 is het UMC vrijwillig verschenen voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, rechtdoende in kort geding.

Van het concept van de dagvaarding is een fotokopie aan dit vonnis gehecht.

1.2

L2BH heeft haar vordering, zoals laatstelijk ter zitting gewijzigd overeenkomstig de in de pleitnota vermelde wijziging van eis echter met dien verstande dat L2BH onderdeel c van die wijziging eis ter zitting heeft ingetrokken, bij monde van haar procureur doen toelichten mede aan de hand van een pleitnota, tevens akte houdende wijziging eis, en producties.

1.3

Het UMC heeft bij monde van zijn advocaat zijn standpunt doen toelichten mede aan de hand van pleitnotities en producties.

1.4

Na voortzetting van het debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1

Bij vonnis van 2 december 2003 (kort geding nr. 168413/KG ZA 03-1000/YT) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, rechtdoende in kort geding, in de zaak tussen L2BH als eiseres en het UMC als gedaagde beslist -voor zover hier van belang-:

(…)

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1. beveelt het UMC binnen zeven werkdagen na de dag van betekening van dit vonnis aan L2BH de volgende informatie te verstrekken:

· een overzicht van alle contacten (schriftelijk en mondeling) tussen het UMC en FCM vanaf 23 mei 2003 tot de datum van het vonnis;

· een opgave van de inhoud van deze contacten en tussen wie de contacten hebben plaatsgevonden;

· alle correspondentie die direct of indirect is gevoerd en andere bescheiden die direct of indirect zijn uitgewisseld tussen het UMC en FCM vanaf 23 mei 2003, daaronder niet begrepen eventuele resultaten van de verrichte onderzoeken;

· een opgave van de afspraken die vanaf 23 mei 2003 tussen het UMC en FCM zijn gemaakt;

met dien verstande dat het moet gaan om informatie die voor L2BH dienstig kan zijn voor het inschatten van de gevolgen die de aanspraken van FCM en de reactie daarop van het UMC (kunnen) meebrengen voor haar, L2BHs, positie binnen de samenwerkingsovereenkomst;

(…)

2.2

Bij brief van 11 december 2003 heeft mr. Knijff aan mr. Tomlow meegedeeld -voor zover hier van belang-:

(…)

Ter voldoening aan het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te uwent d.d. 2 december jl. doe ik u hierbij toekomen een bundel documenten, waaruit blijkt zowel een overzicht als inhoud van de contacten die tussen UMC en FCM vanaf 23 mei 2003 tot 2 december jl. aan de orde zijn geweest benevens een overzicht van de correspondentie en een opgave van de afspraken zoals in het dictum van bedoeld vonnis is aangegeven. Ik ben van oordeel dat correspondentie tussen raadslieden in beginsel buiten de beslissing van de voorzieningenrechter valt, althans behoort te vallen. Om niet de schijn te willen wekken dat jegens uw cliënte informatie achter wordt gehouden leg ik de volledige correspondentie terzake over (…)

Ten overvloede bericht ik u dat de monitorsessies ook na 2 december jl. zijn voortgezet.

(…)

De bij de brief gevoegde bundel documenten is genummerd 1 tot en met 122.

2.3

Bij faxbericht van 15 december 2003 heeft mr. Tomlow aan

mr. Knijff meegedeeld -voor zover hier van belang-:

(…)

Dank voor de ontvangst van het pakket correspondentie.

(…)

Ondertussen constateert cliënte dat uw cliënte niet voldaan heeft aan het dictum.

(…)

Vorenstaande houdt in dat uw cliënte inmiddels dwangsommen verbeurt.

(…)

2.4

In reactie op het onder 2.3 vermelde faxbericht heeft mr. Knijff bij brief van 18 december 2003 laten weten dat hij namens het UMC betwist dat niet aan het dictum is voldaan.

2.5

Bij faxbericht van 19 december 2003 heeft mr. Tomlow aan mr. Knijff meegedeeld -voor zover hier van belang- dat het UMC volstrekt niet heeft voldaan aan het dictum van het vonnis d.d. 2 december 2003 en dat L2BH zich op het standpunt blijft stellen dat dwangsommen zijn verbeurd.

Voorts is het UMC in die brief gesommeerd alsnog aan het vonnis te voldoen.

2.6

Mr. Knijff heeft in zijn brief van 23 december 2003 aan mr. Tomlow meegedeeld -voor zover hier van belang-:

(…)

Middels toezending van de bundel heeft UMC ruimhartig aan het vonnis van de President voldaan. Er hebben geen contacten plaatsgevonden, buiten de advocaten om, tussen UMC en FCM die binnen het dictum van het vonnis vallen.

(…)

Ik heb er overigens geen misverstand over laten bestaan -vide mijn faxbericht aan u d.d. 18 december jl.- dat een deel van de studieresultaten (beter: data van bepaalde patiënten) aan D-Target zijn verstrekt. U bent ermee bekend dat D-Target handelt in opdracht van FCM. Het betreft een monitorsessie door D-Target, die is uitgevoerd volgens het protocol en die had moeten plaatsvinden in april/mei.

Ik heb u eerder geschreven dat FCM (lees: UMC) onmachtig is om de overeenkomst met L2BH uit te voeren en ik heb u verzocht mij het rekeningnummer op te geven waarnaar het door uw cliënte aanbetaalde bedrag van EUR 175.000,- kan worden teruggestort. UMC heeft de contractuele relatie met FCM hersteld en zal aan die contractuele relatie ook uitvoering geven.

(…)

3. De vordering en het verweer

3.1

De vordering van L2BH, zoals laatstelijk ter zitting gewijzigd, strekt ertoe

-kort weergegeven- dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. de eerder bij kort geding vonnis d.d. 2 december 2003 (KG nr. 168413/KG ZA 03-1000/YT) aan het UMC opgelegde dwangsom te verhogen tot € 100.000,-- voor iedere dag dat het UMC in gebreke blijft aan het dictum te voldoen;

b. het UMC te bevelen binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis:

· een overzicht te verschaffen van alle contacten (schriftelijk en mondeling) die tussen het UMC en FCM hebben plaatsgevonden vanaf 3 december 2003;

· aan te geven wat de inhoud van deze contacten vanaf 3 december 2003 is geweest en tussen wie deze contacten hebben plaatsgevonden;

· alle correspondentie en andere bescheiden over te leggen die direct of indirect vanaf 3 december 2003 tussen het UMC en FCM gevoerd en uitgewisseld zijn, daaronder niet begrepen eventuele resultaten van de verrichte onderzoeken;

· welke afspraken vanaf 3 december 2003 tussen het FCM en het UMC zijn gemaakt,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- voor iedere dag dat het UMC in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;

a. althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren;

b. met veroordeling van het UMC in de kosten van deze procedure.

3.2

Het UMC heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring in dan wel ontzegging van het gevorderde, met veroordeling van L2BH in de kosten van dit geding.

3.3

Op de afzonderlijke onderdelen van de stellingen en de verweren van partijen zal hierna -voor zoveel nodig- worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1

L2BH stelt, dat het UMC in gebreke is gebleven aan de veroordeling van de voorzieningenrechter, zoals neergelegd onder 4.1 van het vonnis d.d. 2 december 2003 (hierna te noemen de veroordeling), te voldoen en dat nu het UMC kennelijk niet geprikkeld wordt door de bij dat vonnis aan hem opgelegde dwangsommen thans bij vonnis een aanmerkelijk verhoging van die dwangsom opgelegd moet worden.

4.2

Het UMC betwist dat zij in gebreke is gebleven aan de veroordeling te voldoen.

4.3

In dit kort geding moet primair de vraag worden beantwoord of het UMC in gebreke is gebleven aan de veroordeling te voldoen.

4.4

L2BH heeft betoogd, dat door het UMC geen overzicht is verstrekt van de contacten tussen het UMC en FCM, dat geen opgave is verstrekt van de inhoud van deze contacten en tussen wie deze contacten hebben plaatsgevonden, alsmede dat geen opgave van de afspraken is verstrekt.

4.5

De enkele omstandigheid dat door het UMC aan L2BH geen overzicht en opgave, dat wil zeggen geen overzichtelijk opgestelde lijsten zijn verstrekt met een opsomming van de contacten tussen het UMC en FCM, de inhoud daarvan en tussen wie dit heeft plaatsgevonden, alsmede van de afspraken, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat het UMC in gebreke is gebleven aan de veroordeling te voldoen.

Alhoewel dergelijke door het UMC opgestelde en bijgevoegde lijsten de van de zijde van het UMC aan de raadsman van L2BH toegezonden informatie in de vorm van een bundel documenten voor L2BH wellicht toegankelijker had gemaakt, is uit de inhoud van de documenten wel degelijk een opgave en overzicht op te maken.

Daar komt bij dat het ontbreken van die lijsten, mede bezien in samenhang met hetgeen in het vonnis van 2 december 2003 onder 3.12 tot en met 3.15 is overwogen ten aanzien van de (inhoud en de omvang van de) aan de zijde van het UMC bestaande informatieplicht en de dientengevolge door hem te verstrekken informatie, op zichzelf nog niet meebrengt, dat L2BH niet die informatie van het UMC heeft verkregen waartoe het UMC op grond van het veroordelend vonnis gehouden was.

4.6

L2BH heeft voorts betoogd, dat cruciale stukken ontbreken, te weten:

· een verslag van hetgeen besproken is tijdens de telefonische conferentie op 18 september 2003;

· een verslag van de bespreking op 22 september 2003;

· het standpunt van de Raad van Bestuur;

· een aantal pagina's van het faxbericht d.d. 19 november 2003 van Lovells aan Vermaas;

· documentatie en brieven waarnaar wordt verwezen.

4.7

Het UMC heeft betwist, dat hij niet alle informatie waartoe hij op grond van het veroordelend vonnis gehouden was, heeft verstrekt.

Het UMC heeft daartoe onder meer betoogd, dat de telefonische conferentie geen doorgang heeft gevonden, dat hetgeen dat op 22 september 2003 besproken is aan L2BH is meegedeeld en dit heeft geleid tot de brief van 1 oktober 2003 (nummer 52 van de overgelegde documenten) en dat abusievelijk de tweede bladzijde van het faxbericht van 19 november 2003 niet is gekopieerd.

4.8

Vooropgesteld moet worden, dat het UMC op grond van de veroordeling slechts gehouden was informatie aan L2BH te verstrekken die voor L2BH dienstig kon zijn voor het inschatten van de gevolgen die de aanspraken van FCM en de reactie daarop van het UMC (konden) meebrengen voor haar, L2BHs, positie binnen de samenwerkingsovereenkomst.

Informatie die buiten dit kader valt behoeft het UMC dan ook niet aan L2BH te verstrekken.

4.9

Gelet op het over en weer door partijen gestelde en in aanmerking nemend de inhoud van de in het geding gebrachte bundel informatie die door het UMC aan L2BH is verstrekt, moet worden geoordeeld dat -daargelaten de vraag of L2BH ook alle in de stukken van die bundel vermelde stukken waarnaar wordt verwezen heeft ontvangen- L2BH op grond van de inhoud van de wél aan haar toegezonden stukken genoegzaam de gevolgen die de aanspraken van FCM en de reactie daarop van het UMC (konden) meebrengen voor haar, L2BHs, positie binnen de samenwerkings-overeenkomst heeft kunnen inschatten. Dit geldt temeer nu zich onder de aan L2BH verstrekte stukken tevens de correspondentie tussen de raadslieden van het UMC en FCM bevindt.

4.10

Een en ander leidt er dan ook toe dat niet geconcludeerd kan worden dat het UMC in gebreke is gebleven aan de veroordeling te voldoen.

De door L2BH gevorderde verhoging van de dwangsom moet derhalve worden afgewezen.

4.11

Ook het door L2BH onder 3.1 sub b gevorderde moet worden afgewezen, nu immers uit het hiervoor overwogene tevens volgt, dat L2BH reeds op grond van de informatie waarover zij thans beschikt haar positie, zoals hiervoor bedoeld, genoegzaam kan inschatten.

4.12

Door L2BH zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die er toe nopen dat anderszins een beslissing moet worden genomen, zoals door L2BH onder 3.1 sub c gevorderd, zodat ook die vordering zal worden afgewezen.

4.13

L2BH zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1

wijst het gevorderde af;

5.2

veroordeelt L2BH in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het UMC begroot op € 703,-- voor salaris procureur en op

€ 205,-- voor verschotten;

5.3

verklaart onderdeel 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.N. Brouwer, voorzieningenrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2004.

w.g. griffier w.g. voorzieningenrechter