Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO2526

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-01-2004
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
SBR 04/0154 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester van de gemeente Utrecht heett bij het verlenen van de evenementenvergunning voor Trance Energy 2004 in redelijkheid kunnen oordelen dat het uit het oogpunt van veiligheid van personen was aangewezen het aantal toe te laten personen te beperken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 04/0154 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

ID&T Trance Energy B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 16 januari 2004 waarbij aan verzoekster een evenementenvergunning is verleend voor Trans Energy 2004 in de Koninklijke Jaarbeurs te Utrecht op 31 januari 2004/1 februari 2004, met uitzondering van het door verzoekster gevraagde aantal bezoekers van 30.000 en mits verzoekster voldoet aan de in de bijlage aangegeven voorwaarden.

Het maximum aantal toegestane bezoekers is bij voornoemd besluit bepaald op 23.375 all-in. Door middel van het daartoe vereiste aantal extra meters (nood)uitgang bestaat de mogelijkheid het maximum aantal toegestane bezoekers op te hogen tot maximaal 26.561 all-in.

1.2 Het verzoek is op 21 januari 2004 ter zitting behandeld, waar verzoekster is verschenen bij mr. B. Meijer, bijgestaan door mr. J.M. Deveer, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.W. Barendse en J. van der Linden, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 In het onderhavige geschil dient de vraag te worden beantwoord of - naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter - verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het uit een oogpunt van veiligheid van personen was aangewezen het aantal toe te laten personen te beperken tot 23.375 respectievelijk - indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan - tot 26.561.

Die vraag wordt bevestigend beantwoord en daartoe wordt het volgende overwogen.

2.5 Op grond van artikel 121h, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht (hierna: APV) kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren in het belang van de veiligheid van personen en goederen.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is het - op de Woningwet gebaseerde - Bouwbesluit 2003 en het Ministerieel Geschrift 2003-19 (hierna: MG) van 17 juli 2003 met de titel 'Brandveiligheid: Bouwbesluit 2003 in relatie tot aanschrijven en gebruiksvergunningen' door verweerder als referentiekader gebruikt.

In bezettingsgraadklasse B1, waarbij wordt uitgegaan van het grootste aantal personen per m2, worden de zwaarste eisen gesteld voor wat betreft de brandveiligheid en dan met name voor het veilig kunnen ontvluchten van een bouwwerk in geval van brand. Het uitgangspunt van de normering in het Bouwbesluit 2003 is dat voor 135 personen 1 meter deurbreedte beschikbaar moet zijn. Dit is gebaseerd op onderzoek waaruit blijkt dat maximaal 144 personen per minuut normaal door een deur van 1 m breed kunnen vluchten. Uit het gestelde op pagina 7 van het MG blijkt dat hier sprake is van een absolute bovengrens, en dat dus nooit meer dan 135 personen per meter toegangsbreedte op die doorgang mogen zijn aangewezen.

Hoewel het Bouwbesluit 2003 en het MG niet rechtstreeks van toepassing zijn bij het verlenen van vergunningen als de onderhavige, acht de voorzieningenrechter het voorshands niet onredelijk dat verweerder in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid ervoor heeft gekozen om het Bouwbesluit 2003 en het MG als referentiekader te gebruiken bij de beoordeling van het maximum aantal toe te laten personen.

2.6 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat verweerder zich heeft laten adviseren door de (commandant van de) brandweer. Dat, zoals door verzoekster is gesteld, verweerder om een andere reden dan vanwege brandveiligheidsaspecten tot een beperking van het bezoekersaantal is overgegaan is de voorzieningenrechter geenszins gebleken.

De brandweer heeft in het onderhavige geval geadviseerd om het aantal personen te beperken als in het besluit is genoemd. Daarbij heeft de brandweer desgevraagd geen aanleiding gezien om af te wijken van de norm van 135 personen per strekkende meter nooduitgang en aan verweerder meegedeeld, zo is ter zitting aangegeven door J. van der Linden (hierna: Van der Linden), hoofd van de afdeling evenementen en gebruiksvergunningen brandweer Utrecht, dat het in het onderhavige geval absoluut onveilig is om die norm te overschrijden.

Daar waar de brandweer bij uitstek deskundig kan worden geacht bij de beoordeling van de brandveiligheid, mocht verweerder naar voorlopig oordeel het advies van de brandweer opvolgen. Dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, is voorshands - mede gelet op de door Van der Linden ter zitting gegeven uitgebreide toelichting op de aspecten van brandveiligheid in het onderhavige geval - niet gebleken.

Daarbij is door Van der Linden ook een - door verzoekster niet weersproken - technische uiteenzetting gegeven, en is aangegeven dat in het onderhavige geval wel degelijk is meegewogen of gelet op het bepaalde in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 op andere wijze een gelijkwaardig veiligheidsniveau kan worden bereikt bijvoorbeeld door rookafvoerinstallaties of sprinklers. Overigens dient, bij een beroep op gelijkwaardigheid (gelijkwaardige veiligheid), die gelijkwaardigheid per doelvoorschrift te worden aangetoond en beoordeeld. In dit verband heeft voor verweerder een rol gespeeld dat sprake is van brandcompartimenten van meer dan 1000 m2 waardoor de loopafstanden tot de uitgang langer zijn dan is toegestaan. Om dit te compenseren zijn blijkens de notitie van de brandweer van 1 december 2003 in sommige hallen sprinklers en/of rook en warmte afvoer installaties aangebracht doch naar het oordeel van de brandweer kan met dergelijke zaken in dit geval geen gelijkwaardigheid worden bereikt mede omdat door de grote loopafstanden de brandweer in de meeste gevallen niet aan blussen zal toekomen waardoor er gerekend moet kunnen worden op de zelfredzaamheid van het publiek. Ten gevolge van de grote loopafstanden staat het uitgangspunt dat men binnen een minuut het pand moet kunnen verlaten reeds onder druk. Door verweerder is in dit verband nog gewezen op het risico dat juist bij evenementen als thans aan de orde het publiek door vermoeidheid en andere factoren minder adequaat zal reageren.

Overigens heeft de brandweer al een soepeler benadering gekozen door de te gebruiken hallen 7, 8, 9, 10, 11 en 12 als één compartiment te beschouwen, waarbij overigens is opgemerkt dat dit onverlet laat dat tussentijds kan worden ingegrepen als er teveel mensen op een bepaalde plaats geconcentreerd zullen zijn.

2.7 Het standpunt van verzoekster dat sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van Thunderdome 2003 en de Vakantiebeurs 2004, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Verweerder heeft erkend dat de beoordeling van de aanvraag voor een evenementenvergunning ten behoeve van Thunderdome, die in een eerder stadium heeft plaatsgevonden, anders was uitgevallen indien de thans toegepaste normen waren gehanteerd. Uit het feit dat zulks achteraf bezien ten onrechte niet is gebeurd volgt echter niet dat dit ook bij verzoekster moet worden nagelaten. Dit zou er immers toe leiden dat een in het verleden gemaakte fout zou moeten worden herhaald hetgeen te meer onwenselijk zou zijn waar het gaat om de veiligheid van personen.

Voor wat betreft de Vakantiebeurs heeft verweerder nog aangegeven dat dit tot op heden nog niet in het kader van een evenementenvergunning is getoetst doch dat in de toekomst nader zal worden bezien of dit op een andere wijze zal moeten worden beoordeeld. Voorts is door Van der Linden gemotiveerd aangegeven waarom gelet op de aard van die activiteiten, de mate van piekbelasting per m2, de gebruikte hallen en de inrichting van die hallen, geen sprake is van gelijke gevallen.

2.8 Voorshands kan niet het standpunt van verzoekster worden gevolgd dat de eis van 1 meter deurbreedte per 135 personen alleen kan worden gesteld indien in het concrete geval de noodzaak daartoe is aangetoond, hetgeen alleen zou kunnen blijken indien verweerder de Koninklijke Jaarbeurs te Utrecht zou aanschrijven op grond van artikel 14 van de Woningwet. Het noodzakelijkheidsvereiste vloeit immers rechtstreeks voort uit artikel 14 van de Woningwet teneinde te kunnen aanschrijven tot het treffen van bouwkundige voorzieningen.

In het onderhavige geval is echter niet het opleggen van bouwkundige voorzieningen aan de orde maar een beperking gericht op het gebruik in een concreet geval. Uit het MG kan wel worden afgeleid dat de concrete noodzaak moet worden aangetoond indien strengere normen worden gehanteerd dan 135 personen per strekkende meter deurbreedte maar daarvan is in dit geval geen sprake geweest.

2.9 Dat verweerder bij de beoordeling van de onderhavige vergunningaanvraag in tegenstelling tot de twee voorgaande jaren ten onrechte is uitgegaan van nieuw beleid is de voorzieningenrechter voorshands evenmin gebleken.

De in het Bouwbesluit 2003 neergelegde nieuwe systematiek, die is gebaseerd op gewijzigde inzichten, is bij het MG nader toegelicht waarna in november 2003 een symposium heeft plaatsgevonden. Op basis van die informatie is de brandweer ertoe overgegaan om bij haar advisering het Bouwbesluit 2003 en het MG als referentiekader te gebruiken. Voor de toekomst zal dat leiden tot een aanpassing van de Bouwverordening van de gemeente Utrecht op grond waarvan ook de gebruiksvergunningen zullen worden beoordeeld. Blijkens punt 8 van pagina 17 van het MG is het ook de bedoeling dat de in de Bouwverordening op dit punt aansluiting zal worden gezocht bij het Bouwbesluit 2003. In de huidige Bouwverordening staat nog een norm van 90 personen per strekkende meter uitgang vermeld, zij het dat deze norm in de praktijk werd dit verdubbeld indien er voldoende vrije ruimte was nadat men door de uitgang heen was.

In het onderhavige geval gaat het niet om een aanpassing van een eertijds verleende vergunning, maar om een beoordeling van een nieuwe vergunningaanvraag ten behoeve van een in beginsel éénmalige gebeurtenis. In dat kader is het naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gelet op de aard van het in geding zijnde veiligheidsbelang alleszins redelijk dat nieuwe inzichten en normen als referentiekader worden gehanteerd. Dat bij de beoordelingen in 2002 en 2003 een soepeler benadering is gekozen doet er niet aan af dat verzoekster er rekening mee kon houden dat elke nieuwe aanvraag een hernieuwde beoordeling vergt en dat een dergelijke beoordeling op basis van gewijzigde inzichten en/of gewijzigde regelgeving anders zou kunnen uitvallen. Hier komt bij dat in de voorgaande jaren door verzoekster gebruik is gemaakt van een andere hallencombinatie hetgeen door de meer verspreide ligging een lager brandveiligheidsrisico opleverde en waarbij door het aantal strekkende meters uitgang waarschijnlijk zou zijn voldaan aan de thans gehanteerde norm.

2.10 Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat verweerder bij de berekening van het aantal strekkende meters vrije nooduitgang ten onrechte is uitgegaan van de berekening van de brandweer van 196,75 meter, en dat had moeten worden uitgegaan van de meting van de Jaarbeurs ten bedrage van 210,55 meter, wordt dezerzijds overwogen dat ter zitting door Van der Linden aan de hand van de situatietekening de berekening op enkele punten nader is toegelicht en dat - onweersproken - is aangegeven dat door de brandweer alleen de vrije doorgang is gemeten en dat deurstijlen niet mogen worden meegenomen.

2.11 Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoeker zijn derhalve ook geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. T. Dompeling, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2004.

De griffier: De voorzieningenrechter:

A. Heijboer mr. T. Dompeling

Afschrift verzonden aan partijen op: