Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AO0712

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-12-2003
Datum publicatie
22-12-2003
Zaaknummer
SBR 03/2480
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht heeft uitspraak gedaan in een verzoek om voorlopige voorziening van 25 Landelijke Jeugdorganisaties, waaronder Scouting Nederland en de vereniging voor speeltuinwerk NUSO.

De organisaties hadden de rechter vorige week gevraagd het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om hun subsidie per 1 januari 2004 te beëindigen, te schorsen. Zij vinden dat de Minister de subsidie op een onredelijk korte termijn wil beëindigen. Daardoor hebben zij niet de mogelijkheid om uit te zien naar andere financieringsbronnen en zijn zij genoodzaakt hun personeel te ontslaan.

De minister heeft in de afgelopen maanden zijn subsidiebeleid fundamenteel herzien; daarbij is er voor gekozen om structurele subsidie aan de jeugdorganisaties niet langer te verlenen, vooral omdat dat volgens de minister leidt tot versnippering van subsidie. Mede vanwege de bezuinigingen op VWS is in september 2003 daarom besloten de subsidie te beëindigen en de jeugdorganisaties nog eenmalig een bedrag te geven om hun verplichtingen te kunnen afbouwen.

De rechter heeft het verzoek afgewezen. De minister heeft immers een grote beleidsvrijheid bij het bepalen voor welk beleid en aan welke instellingen hij subsidie wil verlenen. De minister heeft zijn keuze voldoende gemotiveerd. Verder vindt de rechter dat aan de jeugdorganisaties met het bedrag om tot afbouw te komen feitelijk een redelijke overgangstermijn is gegeven. Van belang daarbij is dat de organisaties door de minister vrij gelaten zijn in de besteding van dat bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen:

1. Stichting Responz, te Utrecht (nr SBR 03/2840)

2. Marron Jeugd en Jongeren Vereniging, Rotterdam (nr SBR 03/2841)

3. Vereniging Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond, te Bilthoven (nr SBR 03/2843)

4. Vereniging Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten, te Woerden (nr SBR 03/2844)

5. YMCA, te Den Dolder (nr SBR 03/2845)

6. Vereniging Algemeen Plattelands Jongerenwerk, te Utrecht (nr SBR 03/2846)

7. Vereniging CNV Jongerenorganisatie, te Utrecht (nr SBR 03/2847)

8. Vereniging Jopla Platform voor jongeren met een handicap, te Utrecht (nr SBR 03/2849)

9. Samen op Weg Jeugdwerk, te Utrecht (nr SBR 03/2850)

10. Vereniging Pinkster Jeugd Beweging, te Ede (nr SBR 03/2851)

11. Stichting Jong Nederland, te Leusden (nr SBR 03/2852)

12. Vereniging Scouting Nederland, te Leusden (nr SBR 03/2853)

13. Vereniging Slechthorende Jongeren Organisatie, te Utrecht (nr SBR 03/2854)

14. Stichting Belangvereniging Nederlandse Dove Jongeren, te Utrecht (nr SBR 03/2855)

15. Stichting Centraal Jeugdraad van de Evangelische Broedergemeente, te Amsterdam (nr SBR 03/2856)

16. Stichting Youth for Christ, te Driebergen-Rijsenburg (nr SBR 03/2857)

17. Continental Art Centre, te Rotterdam (nr SBR 03/2858)

18. JJP Stichting, te Velp (nr SBR 03/2874)

19. Vereniging Christelijke Gereformeerde Jongeren Organisatie, te Apeldoorn (nr SBR 03/2881)

20. Nivon, te Amsterdam (nr SBR 03/2888)

21. Leger des Heils Afdeling Jeugd en Jongerenwerk, te Almere (nr SBR 03/2889)

22. Landelijke Vereniging NUSO, te Utrecht (nr SBR 03/2891)

23. Stichting Zehoet Jehoedit, te Amsterdam (nr SBR 03/2890)

24. Landelijke Contact Jeugdverenigingen Christelijk Gereformeerde Kerken, te Sliedrecht (nr SBR 03/2892)

25. Nederlandse Baptisten Jeugd Beweging, te Schoonloo (nr SBR 03/2893)

verzoekers,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

verweerder.

____________________________________________________________________________________

1. INLEIDING

1.1 De verzoeken om voorlopige voorziening hebben betrekking op de aan verzoekers gerichte besluiten van verweerder van 19 september 2003, waarbij verweerder de instellingssubsidies zoals die in 2003 aan hen werden verleend, heeft beëindigd. Verweerder heeft bij deze besluiten tevens, bij wijze van overgangsregime voor de activiteiten waarvoor eerder subsidie werd verleend, zogenoemde afbouwsubsidies toegekend ter grootte van 150 % van ieders instellingssubsidie voor 2003. Deze afbouwsubsidie is toegekend aan alle verzoekers met uitzondering van verzoekers genoemd onder 2, 16 en 18, hierna te noemen: Marron, JJP en Youth for Christ.

1.2 De verzoeken zijn op 16 december 2003 gezamenlijk ter zitting behandeld, waar verzoekers zijn verschenen vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P. Heinrich, advocaat te 's-Gravenhage en U. Huizenga, werkzaam bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS).

1.3 Gelet op de gelijke strekking van zowel de verzoeken om voorziening als de bestreden besluiten, zal in deze uitspraak verder gesproken worden over het verzoek om voorziening en het bestreden besluit.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat voor 16 verzoekers de rechtbank Utrecht de bevoegde rechtbank is; de overige verzoekers hebben bij de ter zake van hun verzoek bevoegde rechtbank verzocht om verwijzing van hun zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank Utrecht. Nu de onderliggende besluitvorming van verweerder en de toepassing daarvan in de diverse besluiten gelijk is, is om redenen van efficiëntie met dat verzoek ingestemd.

2.4 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekers zijn landelijk werkende organisaties, die activiteiten verrichten op het gebied van het jeugdwerk. Verweerder heeft in het verleden aan het merendeel van verzoekers jaarlijks een zogenoemde instellingssubsidie verstrekt.. Deze instellingssubsidie is (in sommige gevallen tientallen) jaren achtereen verleend; alleen Marron, JJP en Youth for Christ hebben - al dan niet na een onderbreking in de subsidieverstrekking - uitsluitend in 2003 instellingssubsidie verkregen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zoals onder 1.1 vermeld de verstrekking van instellingssubsidie beëindigd en, met uitzonering van de genoemde drie verzoekers, tevens een afbouwsubsidie verleend. Verweerder heeft zijn besluit doen steunen op de herziening van het subsidiebeleid. Reden daarvoor is enerzijds de in de Tweede Kamer aangenomen motie 'Van As', naar aanleiding waarvan doorlichting van het subsidiebeleid aan de Kamer is toegezegd. Anderzijds is verweerder van mening dat het bestaande subsidiebeleid onvoldoende aansluit bij de actuele beleidsprioriteiten. De noodzaak van een kritische analyse van het subsidiebeleid is temeer aanwezig, nu in het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II voor VWS een aanzienlijke bezuiniging is opgenomen en ook in een recent rapport van de Algemene Rekenkamer een kritische analyse van het subsidiebeleid is onderstreept, aldus verweerder. Verweerder heeft zijn nieuwe beleid neergelegd in de begroting van VWS voor 2004 en in de nota "Kennis, Innovatie, Meedoen" van 22 september 2003. Ten aanzien van de afbouwsubsidie heeft verweerder verklaard dat deze subsidie verleend wordt zonder eisen of voorwaarden en tegelijkertijd als vastgesteld moet worden beschouwd. Zo hoeven verzoekers vanaf 1 januari 2004 geen activiteiten meer te verrichten en over de besteding van de afbouwsubsidie hoeft geen nadere verantwoording meer afgelegd te worden. Verzoekers kunnen het bedrag geheel naar eigen inzicht aanwenden, of om te gebruiken gedurende een periode waarin zij op zoek gaan naar andere inkomstenbronnen, danwel om de verplichtingen die mede voortkomen uit de eerdere subsidiering door verweerder, zoals ten aanzien van personeel of huisvesting, af te bouwen.

Verzoekers zijn van mening dat - samengevat weergegeven - verweerder onrechtmatig handelt door op zo korte termijn de instellingssubsidie te beëindigen. Verzoekers willen doorgaan met hun activiteiten maar zien daartoe geen mogelijkheden met de afbouwsubsidie. Die is ontoereikend om hun financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Het besluit zal er dan ook toe leiden dat de medewerkers op heel korte termijn ontslagen moeten worden. Omdat verweerder niet heeft onderzocht hoe de omvang en samenstelling van het personeelsbestand bij elk van de verzoekers is, is de afbouwsubsidie ontoereikend voor de wachtgeldverplichtingen die verzoekers ten aanzien van hun personeel hebben. Een en ander zal daarom onvermijdelijk leiden tot faillissementen. Verweerder heeft de in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb voorgeschreven redelijke termijn niet in acht genomen. Verweerder dient daarom gedurende een redelijke termijn de instellingssubsidie gewoon door te betalen, aldus verzoekers, zodat zij in staat zijn zich voor te bereiden op een situatie waarin verweerder hun activiteiten niet meer wil subsidiëren. Dat verweerder hun activiteiten niet meer wil subsidiëren, is verzoekers namelijk niet eerder en ook nu nog niet duidelijk gemaakt. Verzoekers hebben in dit verband gewezen op het adviesrapport van het zogenoemd Ontwikkelteam van 12 december 2002 . Omdat de subsidieregeling waarop de instellingssubsidie is gebaseerd, door verweerder niet is ingetrokken, hebben zij bovendien nog steeds recht op subsidie.

2.5 De voorzieningenrechter stelt voorop dat in een zaak als de onderhavige, waar het geschil mede een financiële aanspraak betreft, in beginsel slechts plaats is voor het treffen van een voorlopige voorziening indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bezwaar- en beroepsprocedure in rechte geen stand kan houden. Bovendien moeten feiten en omstandigheden aanwijsbaar zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts zal in de afweging van de belangen van partijen mede zijn te betrekken de vraag naar -kort gezegd- het risico van onmogelijkheid van terugbetaling door verzoekers, indien zij door de uitslag van de bodemprocedure genoopt zouden worden het alsdan onverschuldigd betaalde aan het bestuursorgaan te betalen.

2.6 In artikel 4:51, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, de gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts geschiedt met inachtneming van een redelijke termijn.

2.7 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het hier bestreden besluit van verweerder tot beëindiging van de subsidierelatie primair aangemerkt moet worden als een besluit tot weigering van subsidie voor het jaar 2004. Ter zitting is gebleken dat in het verleden jaarlijks subsidie werd verleend voor het verrichten van activiteiten in het komende jaar. Verzoekers hebben, naar ter zitting onweersproken is gesteld, voorafgaand aan het besluit op dezelfde wijze als voorheen de nodige gegevens aangeleverd om in aanmerking te komen voor subsidie in 2004. Op grond van het voorgaande dient het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter beoordeeld te worden als een besluit tot weigering van de subsidie voor 2004, zoals bedoeld in artikel 4:51, eerste lid van de Awb.

2.8 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is het verstrekken van subsidie een bevoegdheid van bestuursorganen, die door de rechter slechts marginaal getoetst kan worden. Het is immers een politiek-bestuurlijke keuze of en zo ja, hoeveel subsidie er verleend wordt op een bepaald terrein en aan bepaalde instellingen.

Gelet op deze ruime discretionaire bevoegdheid van verweerder is in deze procedure slechts ter beoordeling of (de eerste vraag) verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen verdere subsidie meer aan verzoekers te verstrekken en (de tweede vraag) of hij dat met in achtneming van de daarvoor geldende regels (in het bijzonder het bepaalde over de 'redelijke termijn' in artikel 4:51, eerste lid van de Awb) heeft gedaan.

2.9 De voorzieningenrechter beantwoordt de eerste vraag bevestigend. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voorshands voldoende gemotiveerd naar voren gekomen dat, gelet op de eerdere besprekingen in de Tweede Kamer over het subsidiebeleid en mede in het licht van de noodzakelijke bezuinigingen, sprake is van veranderde omstandigheden. Uit de overgelegde nota "Kennis, Innovatie, Meedoen" blijkt eveneens dat verweerder een andere beleid voorstaat in het besteden van subsidiegelden. Op het terrein van het jongerenwerk blijkt verweerder te kiezen voor het steunen van plaatselijk jongerenwerk, met name in de grote steden en ten behoeve van jongeren in achterstandsituaties. Verweerder is van mening dat subsidie aan verzoekers, als landelijk werkende organisaties, leidt tot versnippering en niet bijdraagt aan het ondersteunen van jeugd op lokaal niveau zoals in nieuwe beleid wordt voorgestaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zijn keuze om tot beëindiging te komen hiermee in voldoende mate heeft onderbouwd.

De stelling van verzoekers dat het argument van de bezuinigingen niet geloofwaardig is, nu verweerder tegen over de € 8 miljoen die de beëindiging oplevert, € 7 miljoen uittrekt om ander jeugdwerk te steunen, volgt de voorzieningenrechter niet. Vaststaat immers dat er bezuinigingen moeten worden gerealiseerd; hoe verweerder daar vervolgens invulling aan geeft en aan welke organisaties hij het beschikbare subsidiegeld toekent, behoort tot de beleidsvrijheid van verweerder.

Van schending van internationaal rechtelijke verplichtingen zoals die voor verweerder, als vertegenwoordiger van de Nederlandse staat op het gebied van jeugdbeleid, voortkomen uit het VN- verdrag in zake de rechten van het kind of het Europees Witboek Jeugd, is

- voorzover zo'n principiële vraag zich al leent voor een beoordeling in een verzoek om voorlopige voorziening - voorshands niet gebleken nu verweerder feitelijk ook nu nog subsidies verleent op het gebied van het jeugdbeleid, alleen niet aan verzoekers.

Ook het argument van verzoekers dat zij nog steeds recht hebben op subsidie omdat de Subsidieregeling Welzijnsbeleid 1994 niet is ingetrokken, gaat niet op. Verzoekers argument is in strijd met de discretionaire bevoegdheid die verweerder heeft bij het toekennen van subsidie; artikel 9 van de Welzijnswet 1994 bepaalt immers dat verweerder subsidies kan verstrekken. Ook de, op artikel 9a van de Welzijnswet 1994, gebaseerde Subsidieregeling Welzijnsbeleid 1994 biedt niet zonder meer een aanspraak op subsidie. In artikel 2a van deze regeling is in het algemeen vermeld dat de minister jaarlijks subsidieplafonds vaststelt voor de verstrekking van subsidies krachtens deze regeling; ten aanzien van de landelijke jeugdorganisaties is in artikel 22 vermeld hoe de subsidie wordt berekend "indien aan een landelijke jeugdorganisatie op grond van deze regeling een instellingssubsidie wordt verstrekt". Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat op grond van deze regeling jaarlijks wordt bezien of aan een landelijke jeugdorganisatie subsidie wordt verstrekt en welk bedrag daarvoor in totaal beschikbaar is. Van een directe aanspraak op jaarlijkse subsidieverlening is derhalve geen sprake.

Verzoekers hebben er verder op gewezen dat er sprake is van door verweerder gewekt vertrouwen dat zij ook in de toekomst gesubsidieerd zouden blijven voor hun activiteiten; zij hebben hierbij verwezen naar het bestaan van een gezamenlijke werkgroep, die in december 2002 aan verweerder advies heeft uitgebracht over de inhoud van een nieuwe subsidieregeling, ter vervanging van de Subsidieregeling Welzijnsbeleid 1994, onderdeel Landelijke Jeugdorganisaties. De voorzieningenrechter heeft in de overgelegde stukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te kunnen concluderen dat sprake is van rechtens te honoreren verwachtingen omtrent voortzetting van de subsidierelatie gedurende de komende jaren. Blijkens het verslag van de laatste bijeenkomst van de werkgroep is gezegd dat VWS nog altijd streeft naar het in werking laten treden van de nieuwe regeling (inclusief overgangsregeling) op 1 januari 2004. Ook is vermeld dat VWS in juni definitief uitsluitsel zal geven over het wel of niet ingaan van de nieuwe regeling op 1 januari 2004 en over de consequenties daarvan. Hoewel het niet onbegrijpelijk is dat verzoekers deze berichtgeving uitsluitend hebben begrepen als onzekerheid over het moment waarop de nieuwe subsidieregeling in werking zou treden, kan de voorzieningenrechter hierin geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen van verweerder omtrent het in de toekomst voortduren van de subsidierelatie lezen. Ook de omstandigheid dat ambtelijk in juni 2003 al wel een nieuwe regeling klaar zou zijn, kan niet als een dergelijke toezegging gelden. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 27 juni 2003 een fundamentele herziening van het subsidiebeleid aangekondigd, waarin nadrukkelijk de structurele subsidies als onderwerp van onderzoek gemeld zijn en de instellingen is aangeraden in verband met de gevolgen van dit onderzoek uiterst terughoudend te zijn met het aangaan van financiële verplichtingen totdat op 16 september 2003 de uitkomst van de herziening bekend zou zijn. De voorzieningenrechter meent dat verzoekers vanaf dat moment, mede gelet op de verwijzingen naar de omvangrijke bezuinigingstaakstelling van VWS in deze brief, rekening dienden te houden met ingrijpende, zowel inhoudelijke als financiële veranderingen in het subsidiebeleid.

2.10 Daarmee komt de voorzieningenrechter aan de beantwoording van de tweede, onder 2.8 geformuleerde vraag.

Verzoekers stellen dat er geen sprake is van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerst lid, van de Awb. Het juridische betoog ter ondersteuning van dit standpunt houdt in dat verweerder, als hij de activiteiten van verzoekers niet meer wenst te subsidiëren, gedurende een redelijke termijn de instellingssubsidie zou moeten doorbetalen en pas daarna tot daadwerkelijke beëindiging kan overgaan. Verzoekers hebben ter zitting toegelicht dat verweerder naar hun mening nooit duidelijk heeft gesteld dat hij geen prijs meer stelt op hun activiteiten; wanneer zij gedurende een overgangsperiode nog steeds instellingssubsidie zouden ontvangen zouden zij zich kunnen voorbereiden op het voortzetten van hun activiteiten in andere vorm, of mede op grond van andere financieringsbronnen, en zich gesteund voelen in het voortzetten van hun werk.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu verweerder in het bestreden besluit heeft besloten tot beëindiging van de bestaande subsidierelatie, aan verzoekers voldoende duidelijk moet zijn geweest dat verweerder naast de weigering om voor 2004 subsidie toe te kennen, ook heeft besloten dat onder het nieuwe subsidiebeleid ook na 2004 geen instellingssubsidie meer zal worden gegeven. Dit volgt temeer uit het tegelijkertijd verstrekken van een 'afbouwsubsidie'. Verzoekers hebben hiervan kennis genomen rondom 22 september 2003, derhalve iets meer dan drie maanden voordat de subsidierelatie is beëindigd.

Ten aanzien van Marron, JJP en Youth for Christ overweegt de voorzieningenrechter dat de wetgever bij de invoering van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om bij beëindiging van subsidie pas de eis van een redelijke termijn te stellen wanneer er sprake is van een meer dan drie jaren aaneengesloten, voortdurende subsidierelatie. Nu bij deze drie verzoekers geen sprake is van een dergelijke periode maar laatstelijk uitsluitend in 2003 subsidie is verstrekt, kunnen zij geen aanspraak maken op de extra bescherming bij weigering van de gevraagde instellingssubsidie voor 2004. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder bij deze drie verzoekers dan ook, in overeenstemming met de wet, kunnen afzien van het toekennen van een afbouwsubsidie.

De voorzieningenrechter is vooralsnog met de overige verzoekers van mening dat de genoemde drie maanden - de periode tussen eind september en 1 januari 2004 - niet gezien kunnen worden als een invulling van de redelijke termijn van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb. Die redelijke termijn ziet immers op de periode die de subsidie-ontvanger krijgt om de verplichtingen af te ronden, die eerder waren aangegaan vanwege de subsidie uit te voeren activiteiten. Daarvan is in deze periode van drie maanden op zichzelf nog geen sprake, alleen al omdat verzoekers in 2003 nog steeds activiteiten verricht moesten worden uit hoofde van de subsidie die zij over 2003 hebben gekregen.

Toch is de voorzieningen voorshands van oordeel dat de verschillende elementen van het bestreden besluit (een beëindiging met een aanzegtermijn van drie maanden en een afbouwsubsidie in deze vorm) gezamenlijk gezien kan worden als een invulling van de wettelijk voorgeschreven redelijke termijn, die de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De omstandigheid dat verweerder aan verzoekers een afbouwsubsidie heeft toegekend ten behoeve van het afbouwen van hun verplichtingen maar overigens zonder verdere (verantwoordings)verplichtingen en naar eigen goeddunken te besteden, maakt dat materieel gezien toch sprake is van hetgeen de wetgever met het bepaalde in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb heeft beoogd. Het komt de voorzieningenrechter voor dat verzoekers met deze vorm van afbouwsubsidie meer vrijheid hebben dan wanneer verweerder er voor had gekozen de instellingssubsidie door te betalen tot aan de daadwerkelijke beëindiging, omdat in dat geval wel sprake zou zijn van verplichte activiteiten en verantwoording van de besteding van die subsidie, welke eisen in de onderhavige regeling ontbreken. Zoals ter zitting door verweerder is benadrukt, zijn verzoekers bijvoorbeeld ook vrij de afbouwsubsidie aan te wenden om hun organisatie voort te zetten totdat alternatieve financieringsbronnen zijn gevonden.

2.11 Het is zeer begrijpelijk dat het beëindigen van de langlopende, soms al dertig jaar of langer bestaande subsidierelatie bij verzoekers uiterst hard aankomt. Die omstandigheid is echter juridisch gezien, gelet op de grote beleidsvrijheid van verweerder om inhoudelijke keuzes te maken in de besteding van beschikbare overheidsmiddelen, geen reden om anders te oordelen dan onder 2.9 en 2.10 is gedaan.

De voorzieningenrechter is verder niet uit de gedingstukken of het verhandelde ter zitting gebleken dat de bedragen aan afbouwsubsidie ontoereikend zijn. Er is geen concrete informatie overgelegd waaruit dat blijkt. De enkele stelling dat de bedragen niet voldoende zijn om de wachtgeldverplichtingen van verzoekers ten opzichte van hun personeel te dekken, is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter heeft daarbij betrokken dat blijkens jurisprudentie van de ABRS van 26 februari 2003, Rechtspraak.nl, AF5004, artikel 4:51, eerste lid, van de Awb niet zo ver gaat dat op de subsidieverstrekker de plicht rust een garantie te verstrekken voor de wachtgeldverplichtingen van de gesubsidieerde instelling. Ook in het onderhavige geval is niet gebleken dat verweerder mede verantwoordelijkheid draagt voor de omvang van eventuele wachtgeldverplichtingen. Om die reden kan naar voorlopig oordeel niet gezegd worden dat de hoogte van de afbouwsubsidie, ter grootte van 90% in 2004 en 50% in 2005 gebaseerd op het subsidiebedrag over 2003, onredelijk is. Op zichzelf kan dit aspect van het bestreden besluit, indien de bezwaren op dit punt nader worden onderbouwd door verzoekers, zonodig aangepast en hersteld worden in de bezwaarfase.

Verzoekers hebben er op gewezen dat uit hoofde van het bepaalde in artikel 4:12, tweede lid, van de Awb verweerder hen voorafgaand aan het nemen van het besluit had moeten horen. De voorzieningenrechter overweegt dat bij een ingrijpend besluit als het onderhavige in de regel ruimhartig met de hoorplicht van artikel 4:8 van de Awb moet worden omgegaan. De omstandigheid dat verweerder dat hier verzuimd heeft, is echter onvoldoende aanleiding voor het treffen van een voorziening, nu uit het gestelde in de gedingstukken en ter zitting geen concrete, thans ontbrekende gegevens naar voren zijn gekomen die zo zwaarwegend zijn dat deze, had verweerder daarvan eerder geweten, tot een ander besluit zouden hebben genoodzaakt. Daarom kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat verweerder, door niet eerder concreet onderzoek te doen naar de specifieke bestaande verplichtingen van elke verzoeker, zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat reeds hierom een voorziening getroffen dient te worden. Daarbij is betrokken dat de afbouwsubsidie zal worden uitbetaald op dezelfde wijze als dat voorheen met de instellingssubsidie gebeurde. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoekers op dit moment of gedurende de periode totdat op het bezwaar zal zijn beslist, in acute financiële nood zullen verkeren. Het gebrek in de voorbereiding kan vervolgens in de bezwaarfase hersteld worden.

Er is dan ook geen reden om op dit moment te oordelen dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden.

2.11 Gelet op al het voorgaande is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoekers zijn derhalve ook geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2003.

De griffier: De voorzieningenrechter:

J.D. Koteris mr. V.M.M. van Amstel

(De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.)

Afschrift verzonden aan partijen op:

8

SBR