Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AO0574

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
18-12-2003
Zaaknummer
SBR 02/738
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is van beroep voetballer. Zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij de Stichting X liep af. Verweerder heeft eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Verweerder eiser medegedeeld dat er op zijn uitkering een maatregel wordt toegepast inhoudende dat er 20% op zijn uitkering wordt gekort omdat hij niet voldoende sollicitatieactiviteiten heeft ontplooid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr.: SBR 02/738

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

A,

wonende te B,

e i s e r,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 maart 2002 waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 8 november 2001 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerders rechtsvoorganger, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv, verder tevens aangeduid als verweerder) eiser medegedeeld dat er is besloten een maatregel op zijn uitkering toe te passen.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 maart 2003, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. W.F.C. van Megen, advocaat te Rotterdam. Namens verweerder is verschenen mr. J.J. Bakker.

2. OVERWEGINGEN.

Feiten

Eiser is van beroep voetballer. Op 30 juni 2001 liep zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij de Stichting X af. Verweerder heeft eiser met ingang van 2 juli 2001 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Met het besluit van 8 november 2001 heeft verweerder eiser medegedeeld dat er op zijn uitkering een maatregel wordt toegepast inhoudende dat er van 29 oktober 2001 tot 18 februari 2002 20% op zijn uitkering wordt gekort omdat hij niet voldoende sollicitatieactiviteiten heeft ontplooid.

Met het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de opgelegde maatregel ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

Eiser voert aan dat hij, bezien naar de specifieke kenmerken van de markt waarin hij actief was, heeft gedaan wat er redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden ter invulling van zijn verplichting om weer aan het werk te komen. Hij stelt het voor profvoetballers gebruikelijke traject om werk te vinden in werking te hebben gezet. Dit traject houdt in dat hij zich heeft gemeld bij de vakbond Vereniging van Contractspelers (VVCS) die voor hem aan de slag is gegaan om te bezien of elders emplooi te vinden is. Daarnaast is Soccer Vision ingeschakeld om hem zo spoedig mogelijk aan werk te helpen. Andere activiteiten, waaronder de door verweerder in het bestreden besluit genoemde concrete sollicitatieactiviteiten, zouden naar de mening van eiser stellig niet hebben geleid tot het (eerder) verwerven van een andere werkkring. Daarbij merkt eiser op dat deze door verweerder aangevoerde activiteiten slechts een richting aangeven maar niets afdoen aan de vormvrijheid die de wet laat aan de invulling van de verplichting om inspanningen te leveren om weer aan het werk te komen.

Verweerder is van mening dat eiser gedurende de periode van 1 oktober 2001 tot 28 oktober 2001 in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Gezien de specifieke situatie waarin eiser zich, gelet op zijn beroep en zijn leeftijd, bevindt had hij zijn sollicitatieactiviteiten dienen uit te breiden en deze ook op andere voor hem passende functies dienen te richten. Het zich laten bijstaan door de VVCS en het regelmatig bezoeken van wedstrijden waarbij eiser tracht mensen van de technische staf te spreken worden door verweerder in dat verband als onvoldoende beschouwd.

Toepasselijk recht

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1° van de WW bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

De eerste volzin van het vierde lid van artikel 24 van de WW bepaalt dat als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid die voor

de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

Artikel 27, derde lid, van de WW bepaalt -onder meer- dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert.

Beoordeling van het geschil

Beoordeeld dient te worden of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden het besluit van 8 november 2001 heeft gehandhaafd en de aan eiser toegekende WW-uitkering over de periode van 29 oktober 2001 tot 18 februari 2002 met 20% gekort.

Voor de beantwoording van deze vraag dient in eerste instantie te worden beoordeeld of eiser heeft kunnen volstaan met het zoeken naar een functie van gelijk opleidings- en loonniveau of dat hij, zoals verweerder hem tegenwerpt, zijn sollicitatieactiviteiten eveneens op andere functies had dienen te richten.

In dit verband acht de rechtbank van belang dat door verweerder in het door haar gevoerde beleid aansluiting wordt gezocht bij de Richtlijn passende arbeid 1996 (Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 1996, Staatscourant 1996, 60). In deze richtlijn is neergelegd dat een werknemer in eerste instantie een half jaar heeft om te zoeken naar een baan op gelijk opleidings- en loonniveau en hij, naar mate de werkloosheid langer duurt, terzake meer concessies dient te doen. Ter terechtzitting is duidelijk geworden dat verweerder eiser een brochure heeft verstrekt waarmee hem dit beleid kenbaar is gemaakt.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser er gedurende de eerste 6 maanden van zijn werkloosheid op heeft mogen vertrouwen dat hij kon volstaan met het zoeken naar een baan op gelijk opleidings- en loonniveau. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden dat eiser had dienen te begrijpen dat er, zoals verweerders gemachtigde ter terechtzitting heeft gesteld, op dit beleid de nodige nuanceringen van toepassing zijn en dat het begrip passende functie voor hem, gelet op zijn leeftijd, anders diende te worden ingevuld. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals ook door de gemachtigde van verweerder ter terechtzitting beaamd, de eiser overhandigde brochure waarin het door verweerder omschreven beleid wordt weergegeven, omtrent de specifieke situatie waarin eiser zich bevindt geen duidelijkheid verschaft en er met eiser evenmin een (intake)gesprek heeft plaatsgevonden waarin hem is duidelijk gemaakt dat van hem, gelet op zijn leeftijd, werd verlangd dat hij zijn sollicitatieactiviteiten reeds gedurende de eerste 6 maanden van zijn werkloosheid ook op andere functies dan die van zijn opleidings- en loonniveau zou richten.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of eiser voldoende sollicitatieactiviteiten heeft ontplooid om te voldoen aan zijn verplichting te trachten een functie van zijn opleidings- en loonniveau te verkrijgen.

Inzake het in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1° van de WW bepaalde wordt sinds 1 april 1998 door verweerder het beleid gevoerd dat door de uitkeringsgerechtigde tenminste één maal per week een concrete sollicitatieactiviteit dient te worden verricht. Dit beleid is in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie CRvB 16 mei 2001, RSV 2001/181) niet in strijd met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste van de WW beoordeeld.

Daarnaast is in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bepaald (zie onder meer CRvB 14 november 2001, RSV 2002/23) dat van overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1° van de WW slechts sprake is als er voor de betrokken werknemer passende arbeid in de zin van het vierde lid van die bepaling beschikbaar is en dat er een zeker causaal verband aanwezig dient te zijn tussen het sollicitatiegedrag van de betrokken werknemer en het bestaan of voortduren van de werkloosheid.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, in het licht van vorenstaande rechtspraak, in de thans voorliggende omstandigheden niet worden gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting als neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1° van de WW. Eiser heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij, bezien naar de specifieke kenmerken van de markt waarin hij actief is, heeft gedaan wat er redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om passende arbeid te verkrijgen. Daarbij acht de rechtbank het aannemelijk dat het, zoals eiser stelt, voor beroepsvoetballers gebruikelijk noch zinvol is sollicitatiebrieven te schrijven en zich in te schrijven bij een uitzendbureau teneinde een functie als voetballer te verkrijgen. Ook anderszins is het de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er een causaal verband bestaat tussen eisers sollicitatiegedrag en het voortduren van de werkloosheid. Nu concrete (arbeidsmarkt)gegevens betreffende de inhoud, beloning en aantallen van de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in (potentieel) voor eiser passende functies, geheel ontbreken kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat er voldoende arbeid voorhanden was die voor de krachten en bekwaamheden van eiser waren berekend en waaraan tevens een loon was verbonden dat voor eiser als passend kon worden aangemerkt. Gelet op het vorenstaande had verweerder er niet zonder meer van uit mogen gaan dat eiser eerder een andere passende functie zou hebben verworven indien hij de door verweerder in het bestreden besluit genoemde concrete sollicitatieactiviteiten zou hebben verricht.

Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen de door eiser tegen het besluit van 8 november 2001 aangevoerde bezwaren ongegrond te verklaren zodat dit door de rechtbank wordt vernietigd.

Gezien de in artikel 27, derde lid WW neergelegde aan verweerder toegekende gebonden bevoegdheid en het hierboven omschreven oordeel van de rechtbank dat eiser heeft voldaan aan zijn uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1° van de WW voortvloeiende verplichtingen zal een nieuw besluit van verweerder niet anders kunnen inhouden dan gegrondverklaring van het door eiser ingediende bezwaarschrift en herroeping van het besluit van 8 november 2001. In dat licht bezien acht de rechtbank termen aanwezig het besluit van 8 november 2001 te herroepen en met toepassing van artikel 8:72, lid 4 Awb haar uitspraak in de plaats te laten treden van het door eiser bestreden en thans vernietigde besluit.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand en op € 2,50 als reiskosten.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING.

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaar van eiser gegrond,

herroept het besluit van verweerder van 8 november 2001 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht ad € 29,- aan hem vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van

€ 646,50 te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in ’t Veld, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2003.

.

De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer:

mr. S. Meurs mr. drs. R. in ’t Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.