Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AN7871

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
294490 CV EXPL 03-2625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zaakwaarneming, zorgplicht, eigen schuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

SECTOR KANTON, LOCATIE UTRECHT

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],

wonende te IJsselstein,

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. G. van de Nesse,

tegen:

SUPERMARKT VAN BERKEL IJSSELSTEIN B.V.,

gevestigd te IJsselstein,

verder ook te noemen Van Berkel,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. C. van der Mark,

1. Verloop van de procedure

[eiseres] heeft een vordering ingesteld.

Van Berkel heeft geantwoord op de vordering.

[eiseres] heeft voor repliek en Van Berkel heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Van Berkel exploiteert onder de naam Super de Boer een supermarkt te IJsselstein.

2.2 Op 6 november 2002 omstreeks 18.20 uur heeft [eiseres] haar boodschappen afgerekend bij de kassa in de supermarkt. [eiseres] heeft haar portemonnee toen vergeten mee te nemen.

2.3 De caissière heeft -daarop gewezen zijnde door een andere klant- de portemonnee zien liggen en deze gepakt. Even later heeft de caissière de portemonnee, desgevraagd, afgegeven aan een derde, een vrouw die zei dat de portemonnee van haar vriend was.

2.4 Dezelfde avond nog heeft [eiseres] aangifte bij de Politie Regio Utrecht gedaan. De aangifte luidt als volgt:

"(…...) Ik doe aangifte van oplichting. De verdachte had niet het recht zich te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid dan wel gebruik te maken van listige kunstgrepen (de kantonrechter leest: en/of een) samenweefsel van verdichtsels. De caissière werd hierdoor bewogen tot de afgifte van mijn portemonnee. De oplichting vond als volgt plaats.

Vanavond ging ik boodschappen doen bij Super de Boer aan de Televisiebaan in IJsselstein. Bij het afrekenen heb ik mijn portemonnee vergeten bij de kassa. Ik had dit eerst niet in de gaten, maar toen ik thuis kwam bemerkte ik dat ik mijn portemonnee in de winkel bij de kassa heb laten liggen. Ik heb direct naar Super de Boer gebeld en men zei me, dat mijn portemonnee gevonden was, maar ook weer meegegeven aan een mevrouw, die had gezegd dat het de portemonnee van haar vriend was.

Ik ben naar de supermarkt gegaan. Ik ben naar de caissière gegaan, die mij geholpen had. Ze vertelde mij, dat er een man en een vrouw achter mij aan de beurt waren geweest. Toen die hadden afgerekend en de winkel uit waren, was de vrouw teruggekomen en had gezegd, dat haar vriend de portemonnee was vergeten. De caissière had toen zonder meer de portemonnee aan haar meegegeven. De caissière zei, dat ze die mensen kende. De chef nam me mee om de videoband te bekijken. Er kwam nog een winkelmeisje die zei die man en vrouw te kennen. Later kwam de eigenaar, de heer [[naam eigenaar]] en die verbood om de videoband aan mij te laten zien. Volgens hem was er geen videoband. Ik heb van iemand van het bedrijf gehoord dat er wel een videoband meeloopt. De chef heeft gezegd, dat hij het nogmaals met de eigenaar zou overleggen.

Ik heb zelf die man en die vrouw niet gezien. Van de caissière hoorde ik, dat de man en vrouw ongeveer 20 jaar oud waren en dat de man een piercing door zijn onderlip. Hij had een lichtgetinte huid.

Mijn portemonnee is zwart van kleur, een ouwerwetse opaportemonnee zonder vakjes voor passen. Erin zaten 17 briefjes van euro 50,- in en 5 briefjes van euro 20,- In het andere vak zat ongeveer euro 200,- Ik had zoveel geld bij me omdat ik nog een bankje moest betalen vanavond. (...…)"

2.5 Op woensdag 19 maart 2003 zijn in de winkel van Van Berkel de man en de vrouw aan wie de portemonnee meegegeven is aangetroffen. Van Berkel heeft daarop de politie ingeschakeld. De personalia van betrokkenen zijn thans bekend bij politie en [eiseres].

3. De vordering en het verweer

3.1 [eiseres] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Van Berkel veroordeelt om aan [eiseres] te betalen:

a. € EURO 1.150,00 zijnde het bedrag dat Van Berkel aan [eiseres] dient te vergoeden vanwege een ten opzichte van haar begane onrechtmatige daad;

b. € EURO 528,00 zijnde het bedrag aan werkelijk door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten, incl. BTW, bestaande uit drie uren van de tijd van haar advocaat-gemachtigde;

c. de wettelijke rente over de sub a. en sub b. gevorderde bedragen vanaf 13 februari 2003,

kosten rechtens.

3.2 [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag de stelling dat Van Berkel onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door als zaakwaarnemer niet de nodige zorg te betrachten met betrekking tot de door haar werknemer, de caissière, gevonden portemonnee van [eiseres]. [eiseres] heeft verwezen naar de inhoud van het onder 2.4 genoemde proces-verbaal van aangifte. Volgens [eiseres] heeft de caissière "na gedaagde" (de kantonrechter begrijpt: na [eiseres]) slechts degene(n) geholpen die de portemonnee aan haar wisten te ontfutselen. Het was bovendien niet druk in de supermarkt. De portemonnee bood de mogelijkheid van identificatie, doordat er één vak, dat los was, gerepareerd was met plakband.

De caissière is kennelijk niet goed door Van Berkel geïnstrueerd hoe zij in dergelijke gevallen dient te handelen. Als zij zelf niet in staat was om zich er conclusief van te vergewissen of de portemonnee al dan niet toebehoorde aan degene die hem aan haar wist te ontfutselen, dan had zij deze als gevonden voorwerp aan de politie moeten afgeven.

3.3 Van Berkel voert verweer. Haar verweer komt hierna, voor zover voor de beoordeling van het geschil nodig, aan de orde.

4. De beoordeling.

4.1 De kantonrechter stelt voorop dat de in r.o. 2.2 en 2.3 eerste zin weergeven feitelijke gang van zaken dient te leiden tot de conclusie dat er i.c. sprake is van "vinden" als geregeld in de art. 5:5 t/m 5:12 BW. In zijn arrest van 25 oktober 1996, NJ 1998, 16, heeft de Hoge Raad overwogen dat het begrip vinden in art. 5.5 BW, in overeenstemming met zijn taalkundige betekenis, in ruime zin uitgelegd dient te worden. [eiseres] is na het afrekenen haar portemonnee vergeten mee te nemen, hetgeen als vorm van kwijtraken, verliezen, dient te worden aangemerkt en de caissière heeft deze -daarop gewezen zijnde door een andere klant- zien liggen en in haar handen, tot zich, genomen, anders gezegd, gevonden.

4.2 Dit vastgesteld zijnde dient vervolgens in aanmerking te worden genomen dat de wetgever het vindersrecht heeft gekwalificeerd als een bijzonder geval van zaakwaarneming en ook de doctrine gaat daarvan uit. Het vindersrecht in Boek 5 BW dient aldus als lex specialis ten opzichte van de regeling van de zaakwaarneming in de artt. 6:198 e.v. BW te worden beschouwd. Dat zaakwaarneming i.c. niet aan de orde is, zoals gesteld door Van Berkel, is dus niet juist.

4.3 Van Berkel heeft gesteld dat de caissière niets te verwijten is; de caissière hoefde geen argwaan te hebben nu zij de man en de vrouw als klanten van Van Berkel kende en wist dat zij bij elkaar hoorden. Nu de caissière geen verwijt treft dient [eiseres], aldus Van Berkel, haar risicoaansprakelijkheid aan te tonen.

Daargelaten dat op een vinder geen risicoaansprakelijkheid rust, gaat dit verweer niet op. "De strekking van art. 5:5 e.v. laat zich, volgens het hiervoor genoemde arrest, aldus samenvatten dat daarmee beoogd is te bevorderen dat degene die de zaak verloren heeft, haar zoveel mogelijk zal kunnen terugvinden (…...)." Met deze doelstelling en de uitwerking daarvan in de wet strookt niet dat de caissière van Van Berkel een portemonnee met -naar uit het in 4.7 te behandelen verweer volgt- voor de caissière/Van Berkel onbekende inhoud, zonder meer meegeeft aan de eerste de beste die zich als (vertegenwoordiger van de) verliezer aandient. Nu is het niet de taak van de vinder uitputtend te onderzoeken of degene die zich als eigenaar of als tot ontvangst bevoegd aandient, dit ook inderdaad is, maar het moet als strijdig met de zorgplicht van de caissière als zaakwaarnemer/vinder worden beschouwd, om zonder enige controle de portemonnee mee te geven aan degene die zich als hiervoor bedoeld aandient. Van Berkel heeft in dit verband weliswaar aangevoerd dat identificatie niet mogelijk was, de portemonnee geen uiterlijke kenmerken had en op geld niet staat vermeld wie de eigenaar daarvan is, maar zulks helpt Van Berkel niet: ten minste een (minimale) controle aan de hand van bijv. de soort en kleur van de portemonnee alsmede van de inhoud ([bank]pasjes, foto's, hoeveelheid en soort geld e.d.) mag van de vinder worden verlangd alvorens deze uit handen gegeven wordt. Zulks is niet een kwestie van argwaan doch van zorgvuldigheid. Acht de caissière zich tot zodanige controle niet in staat of is zij daartoe niet bereid, dan staat voor haar de weg open overeenkomstig artikel 7:5 BW de gevonden zaak onverwijld af te geven aan Van Berkel als gebruiker of exploitant van de ruimte waar de vondst is gedaan, dan wel aan de bedrijfsleider van Van Berkel als degene die daar voor haar toezicht houdt. Aldus kan caissière haar rechtspositie met alle daaraan verbonden verplichtingen op Van Berkel doen overgaan. Voorts kan de caissière overeenkomstig artikel 5:5 lid 3 BW een gevonden zaak in bewaring te geven.

4.4 Van Berkel heeft voorts ten verwere aangevoerd dat [eiseres] zich ten onrechte op artikel 6:170 BW beroept. Volgens Van Berkel heeft zij geen zeggenschap over het wel of niet afgeven van zaken door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels. [eiseres] dient aan te tonen dat Van Berkel zeggenschap heeft gehad over de gedraging van de caissière, te weten het slachtoffer worden in een oplichtingszaak. Ook is Van Berkel van mening dat de kans op de fout, het slachtoffer zijn van oplichting, niet is vergroot door de taak van caissière. De caissière had ook op straat geconfronteerd kunnen worden met het (doen) vinden van een portemonnee. [eiseres] zal dienen aan te tonen dat de taak van caissière, de kans op de betwiste fout heeft vergroot. Van Berkel heeft voorts gesteld dat het noodzakelijke functioneel verband tussen de fout van de caissière enerzijds en de taak die haar is opgedragen anderzijds ontbreekt. De taak van de caissière is enkel en alleen het afrekenen van boodschappen, eventueel het geven van adviezen/ informatie aan klanten. Daaronder valt niet het in de gaten houden van de eigendommen van klanten, aldus Van Berkel.

Ten aanzien van dit verweer dient ten eerste opgemerkt te worden dat Van Berkel uitgaat van een verkeerd begrip van het aan haar caissière, en daarmee op voet van genoemde wettelijke bepaling aan haar, gemaakte verwijt. Het aan Van Berkel te maken verwijt is dat de caissière, en daarmee Van Berkel zelf, tekortgeschoten is in het betrachten van de nodige zorg met betrekking tot de aangetroffen portemonnee, zoals hiervoor onder 4.3 reeds overwogen. Ten tweede: zonder twijfel heeft de taak van caissière de kans op het begaan van de gemaakte fout vergroot, naar [eiseres] terecht aanvoert. Immers, bij uitstek een caissière, als iemand die in het kader van haar werk bij voortduring met geldhandelingen met klanten van de supermarkt te maken heeft, kan het overkomen dat een klant na het afrekenen zijn/haar portemonnee laat liggen en dat aan haar later (als eerste) om teruggave daarvan wordt gevraagd: "Hebt u mijn portemonnee gevonden? Ik heb 'm hier net laten liggen." Ten derde: Van Berkel heeft terecht niet ontkend dat zij zeggenschap heeft over de wijze waarop haar caissière haar taak in algemene zin dient te verrichten. Maar er is meer dan dat, juist met betrekking tot de wijze van omgaan met in de winkel aangetroffen, op dat moment onbeheerde, voorwerpen: de wetgever heeft in art. 5:5 BW bepaald dat degene die in een gebouw, waaronder een winkel te begrijpen is, een onbeheerde zaak vindt en onder zich neemt, verplicht is mededeling van de vondst te doen bij degene die het gebouw in gebruik of exploitatie heeft, dan wel bij degene die daar voor hem toezicht houdt. De vinder kan voorts, door de zaak onverwijld af te geven aan de gebruiker of exploitant van de ruimte waar de vondst is gedaan, dan wel aan degene die daar voor hem toezicht houdt, zijn rechtspositie met alle daaraan verbonden verplichtingen op hem doen overgaan, aldus artikel 7:5 BW. Gelet op deze wettelijke regeling is het personeel van Van Berkel verplicht bij haar of haar bedrijfsleider melding te maken van gevonden voorwerpen. Daarmee ligt het op de weg van Van Berkel als goed werkgever haar personeel te instrueren over de wijze van omgaan met, door henzelf of door cliënten, in de winkel aangetroffen onbeheerde voorwerpen. Dat betekent dat Van Berkel uitgaat van een te beperkte taakopvatting voor een caissière, althans dat een caissière, indien zij zich eenmaal over een in de winkel aangetroffen onbeheerd voorwerp heeft ontfermd -zoals i.c. is gebeurd- daarnaar dient te handelen overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

Met het voorgaande is ook het functionele verband gegeven.

4.5 Nu met hetgeen hiervoor is overwogen de aansprakelijkheid van de caissière en van Van Berkel vast staat, dient het beroep van Van Berkel op eigen schuld van [eiseres] aan de orde te komen. En niet, zoals gesteld door Van Berkel, dient [eiseres] aan te tonen dat zij haar "zorgvuldigheidsplicht" niet heeft geschonden wil het risico van schaderealisatie afgewenteld kunnen worden. Daargelaten dat op [eiseres] in deze geen "zorgvuldigheidsplicht" rust, immers niet valt in te zien ten opzichte van wie of wat dat het geval zou zijn nu het haar eigen portemonnee betrof, past deze stellingname van Van Berkel niet in het systeem van de wet, met name artikel 6:101 BW dat uitgaat van wederzijdse toerekening van omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen.

4.6 Met betrekking tot aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden heeft Van Berkel aangevoerd dat "iemand, zeer zeker niet een persoon die een bijstandsuitkering geniet, toch geen boodschappen (gaat) doen met € 1.150,-- op zak. Die bergt toch veilig, bijvoorbeeld veilig thuis, minimaal een bedrag van €€€EURO 1.100,-- op?" en "[eiseres] heeft haar zorgplicht ten opzichte van haar gestelde eigendom, de portemonnee, alsmede de inhoud daarvan ernstig veronachtzaamd. (..) [eiseres] had een extra oplettendheid, zorgvuldigheid dienen te betrachten. Zulks naast de normale, gangbare zorgvuldigheid die men ter zake van zijn/haar portemonnee dient te hebben. De grove mate van eigen schuld (..) verhindert dat [eiseres] een beroep kan doen op schadevergoeding."

De kantonrechter neemt in aanmerking dat [eiseres], onbetwist door Van Berkel, haar portemonnee heeft laten liggen, deze vergeten heeft mee te nemen, na het afrekenen van haar boodschappen in de winkel van Van Berkel. Zulks is als een normaal menselijk, incidenteel moment van onbedachtzaamheid aan te merken en (dus) niet als grove schuld. Voorts volgt de kantonrechter de suggestie van Van Berkel niet dat van iemand met een bijstandsuitkering extra zorgvuldigheid mag worden verwacht ter zake van "een dergelijk bedrag," nu de hoogte van het bedrag in dit kader niet van belang is.

4.7 Van Berkel heeft betwist dat er €EURO 1.150,-- in de portemonnee van [eiseres] zat en gesteld dat het zeer ongeloofwaardig is dat iemand een dergelijk bedrag in contanten bij zich draagt. [eiseres] nagelaten bewijs te leveren, aldus Van Berkel.

[eiseres] heeft buiten haar aangifte bij politie inderdaad geen bewijs bijgebracht met betrekking tot het volgens haar in haar portemonnee aanwezige bedrag. [eiseres] zal worden toegelaten tot bewijslevering.

4.8 Ten aanzien van het verweer van Van Berkel dat [eiseres] niet bij haar moet zijn maar [eiseres] de man en/of vrouw die de portemonnee heeft ontvangen aansprakelijk moet stellen en [eiseres] zich dient te voegen in het strafproces, geldt het volgende.

Ook deze stelling gaat niet op. Voor zover [eiseres] samenlopende vorderingen, nml. zowel tegen de vrouw die de portemonnee in ontvangst heeft genomen als tegen Van Berkel of zelfs nog een of meer anderen, mocht hebben, staat het haar geheel vrij te kiezen wie zij (in rechte) aanspreekt.

4.9 De vordering buitengerechtelijke kosten, die door Van Berkel eveneens is betwist, zal in ieder geval afgewezen worden. Niet gebleken is dat er voor rekening van [eiseres] komende buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt die niet zijn begrepen in de op voet van de artt. 237-240 Rv te liquideren kosten.

4.10 Gelet op hetgeen in 4.7 is overwogen, wordt de zaak verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van [eiseres]. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

laat [eiseres] toe te bewijzen dat er een bedrag van € EURO 1.150,-- in haar portemonnee zat toen zij deze in de winkel van Van Berkel liet liggen;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 29 oktober 2003 te 9.30 uur, waar [eiseres] zich dient uit te laten omtrent de bewijslevering en, voor het geval [eiseres] getuigen wil doen horen, hun namen en adressen dient op te geven, waarna dag en uur voor het getuigenverhoor zullen worden vastgesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van Rijkom, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2003.