Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AN7865

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-10-2003
Datum publicatie
04-12-2003
Zaaknummer
SBR 02/2112
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT6654
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres was laatstelijk werkzaam als zelfstandige. In verband met de zwangerschap van een tweeling heeft eiseres een aanvraag bevallingsuitkering ingevolge de WAZ ingediend, waarbij zij heeft verzocht om de uitkering zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum te laten ingaan. Uit de overgelegde zwangerschapsverklaring blijkt dat de vermoedelijke bevallingsdatum is vastgesteld op 7 maart 2001.

Op 13 november 2000 is de tweeling, na een zwangerschap van 23 weken en drie dagen, levenloos ter wereld gekomen. Op 16 november 2000 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van Blaricum twee aktes van “levenloos geboren kind” opgemaakt.

Namens eiseres heeft haar accountant verweerder verzocht om uitbetaling van de bevallingsuitkering.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd onder ongegrondverklaring beroep; LJN AT6654

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/34 met annotatie van M. Driessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr.: SBR 02 / 2112

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

A

wonende te B

e i s e r e s,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv),

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 september 2002, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 december 2001 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerders rechtsvoorganger, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv, verder tevens aangeduid als verweerder) bepaald dat eiseres geen recht heeft op een bevallingsuitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Het geding is behandeld ter zitting van 21 augustus 2003, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, en haar echtgenoot C.

Namens verweerder is verschenen mr. A.J.G. Lindeman, werkzaam bij het Uwv.

2. OVERWEGINGEN

Feiten

Eiseres, geboren 2 mei 1961, was laatstelijk werkzaam als zelfstandige. In verband met de zwangerschap van een tweeling heeft eiseres op 23 oktober 2000 een aanvraag bevallingsuitkering ingevolge de WAZ ingediend, waarbij zij heeft verzocht om de uitkering zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum te laten ingaan. Uit de overgelegde zwangerschapsverklaring blijkt dat de vermoedelijke bevallingsdatum is vastgesteld op 7 maart 2001.

Op 13 november 2000 is de tweeling, na een zwangerschap van 23 weken en drie dagen, levenloos ter wereld gekomen. Op 16 november 2000 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van Blaricum twee aktes van “levenloos geboren kind” opgemaakt. Namens eiseres heeft haar accountant bij faxbericht van 17 januari 2001 verweerder verzocht om uitbetaling van de bevallingsuitkering.

Bij besluit van 3 december 2001 heeft verweerder eiseres het recht ontzegd op een bevallingsuitkering ingevolge de WAZ op de grond dat die uitkering vier of zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum (9 maart 2001) zou moeten ingaan, hetgeen in de omstandigheden van eiseres niet het geval is geweest, omdat de kinderen op

13 november 2000 ter wereld zijn gekomen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft onder verwijzing naar de Lisv-standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid”, bijlage 1 bij Lisv-mededeling M.99.047, van 29 april 1999 (hierna: de standaard) het bezwaar bij besluit van 12 september 2002 ongegrond verklaard. In dit besluit heeft verweerder overwogen dat bij een geboorte na een zwangerschap die korter heeft geduurd dan 24 weken geen sprake is van bevalling, maar van een miskraam.

Standpunten van partijen

In beroep stelt eiseres zich op het standpunt dat zij op 13 november 2000 is bevallen en dat zij daarom tot en met 5 maart 2001 recht op uitkering heeft op een bevallingsuitkering ingevolge de WAZ. Aangezien sprake is van een vroeggeboorte beroept eiseres zich op artikel 22, vierde lid, van de WAZ, waarin is bepaald dat het recht op uitkering in verband met bevalling eindigt op de dag, gelegen zestien weken na de (feitelijke) bevallingsdatum. Ten aanzien van de tweede volzin van het vierde lid redeneert eiseres a contrario dat er ook recht op een bevallingsuitkering bestaat indien er voor de bevallingsdatum nog geen recht op uitkering bestond. Volgens eiseres eindigt in die gevallen het recht op uitkering zestien weken na de feitelijke bevallingsdatum.

Eiseres stelt dat verweerder heeft nagelaten te vermelden of de toepassing van de standaard M99.047 gebruikelijk is in WAZ gevallen. Voorts is het door verweerder gevoerde beleid voor eiseres onduidelijk, nu verweerder tevens heeft aangegeven dat niet alle uitvoeringsinstellingen hetzelfde beleid hanteren. Naar de mening van eiseres heeft verweerder in bezwaar geen reden aangevoerd waarom de a contrario-redenering niet gevolgd kan worden.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van bevalling heeft eiseres gewezen op de opmaak van de geboorte-aktes van haar (levenloos geboren) kinderen. Dergelijke aktes worden door de burgerlijke stand slechts opgemaakt indien sprake is van een geboorte, niet indien sprake zou zijn van een miskraam. Daarbij wordt het oordeel van de behandelend arts gevolgd, die tevens heeft geoordeeld dat sprake was van een geboorte en niet van een spontane abortus. Eiseres benadrukt dat in de wet niet gesproken wordt over een minimale zwangerschapsduur.

Tevens heeft eiseres gewezen op de Studiewijzer ziektewet, 5e editie juli 2002, die door Uwv Opleidingen wordt gebruikt. In deze studiewijzer wordt niet verwezen naar de door verweerder gehanteerde standaard, maar wordt aan verzekeringsartsen de vrijheid gegeven om te beoordelen of sprake is van een bevalling. Eiseres is dan ook van mening dat het oordeel van de verzekeringsarts zelf doorslaggevend dient te zijn.

Ten slotte wijst eiseres er op dat inmiddels na een zwangerschap van rond 22 weken reeds sprake kan zijn van levensvatbaarheid.

Eiseres verzoekt de rechtbank verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot betaling van de wettelijke rente over de aan haar na te betalen uitkeringstermijnen vanaf 13 november 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verweerder heeft aangevoerd dat de standaard eveneens op WAZ-gevallen van toepassing is nu de begrippen van artikel 29a Ziektewet (ZW) (oud) en artikel 22 WAZ (oud) identiek zijn. Verweerder heeft toegelicht dat de standaard op verzoek van het Lisv is ontwikkeld, omdat de verzekeringsartsen in de dagelijkse praktijk (in het kader van een bevallingsuitkering) regelmatig worden geplaatst voor moeilijke beoordelingen in verband met zwangerschap, waaronder de vraag of bij extreme vroeggeboorte sprake is van een feitelijke bevalling. De standaard is in eerste oorsprong opgezet door verzekeringsartsen, waarna deskundigen commentaar hebben gegeven. Met inachtneming van de commentaren is de standaard vastgesteld. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat de standaard wordt gebruikt als handvat bij de bepaling van het begrip bevalling, omdat de wetgever geen nadere uitleg heeft gegeven aan dit begrip.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat het standpunt zoals verwoord in het primaire besluit van 3 december 2001 niet langer gehandhaafd wordt.

Verweerder acht niet relevant welk beleid door de uitvoeringsinstellingen werd gehanteerd voordat de standaard is vastgesteld. Voor de vraag of er gesproken kan worden van een bevalling heeft verweerder de overwegingen in de standaard geciteerd. Hoewel de behandelend gynaecoloog van eiseres spreekt van een geboorte, is er naar de mening van verweerder geen sprake geweest van een bevalling.

In het gegeven dat ziekenhuizen in sommige gevallen er in slagen om kinderen die na een zwangerschapsduur van 22 weken worden geboren in leven te houden ziet verweerder geen reden om af te wijken van de standaard. In de standaard wordt aansluiting gezocht bij hetgeen in de reguliere zorg mogelijk is. Aangezien de standaard van betrekkelijk recente datum is, zijn aanpassingen op korte termijn niet te verwachten, aldus verweerder. In uitzonderlijke gevallen kan van de standaard worden afgeweken, dit ter beoordeling van de verzekeringsarts. Verweerder heeft in het geval van eiseres het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts gevraagd. De bezwaarverzekeringsarts zag geen redenen om af te wijken van de standaard. De bezwaarverzekeringsarts was van mening dat sprake was van een miskraam, nu er op 13 november 2000 reeds sprake was van een intra-uteriene vruchtdood, er aanwijzingen waren voor een foetale groeiachterstand en er twee eerdere ziekenhuisopnames waren geweest wegens dreigende partus immaturus. Tevens heeft deze arts naar aanleiding van de onderhavige situatie contact opgenomen met een neonatoloog. Uit dit contact kwam naar voren dat gelet op de hopeloze situatie dan wel de zeer slechte prognose in Nederland geen beleid of interventie wordt gevoerd bij een geboorte na een zwangerschapsduur van minder dan 25 weken.

Het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 februari 2003 als ook de relevante pagina’s van de door eiseres aangehaalde Studiewijzer ziektewet zijn door verweerder overgelegd.

Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat de Studiewijzer slechts de uitvoeringspraktijk weergeeft, maar geen beleid inhoudt. Volgens verweerder zou aan de Studiewijzer wel kunnen worden toegevoegd dat sprake is van een bevalling wanneer er een levensvatbare vrucht ter wereld is gekomen voordat de 24e week van de zwangerschap is voltooid. Nu in het onderhavige geval een levenloze tweeling ter wereld is gekomen voordat de 24e week van de zwangerschap was voltooid kan eiseres niet in aanmerking worden gebracht voor de bevallingsuitkering, aldus verweerder.

Beoordeling van het geschil

Tussen partijen is in geschil of eiseres aan artikel 22 van de WAZ, zoals dat luidde tot

1 december 2001, ingevolge welk artikel de vrouwelijke verzekerde gedurende ten minste zestien weken recht heeft op uitkering in verband met haar bevalling, aanspraak op uitkering kan ontlenen. Daarbij ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag welke uitleg aan het begrip bevalling als bedoeld in artikel 22 van de WAZ, moet worden gegeven.

De rechtbank constateert dat het begrip bevalling niet nader gedefinieerd is in de WAZ (en evenmin in de ZW) en dat in de parlementaire behandeling niet expliciet aandacht is besteed aan de vraag wat onder dat begrip moet worden verstaan.

Teneinde een nadere invulling aan het begrip bevalling te geven is op verzoek van verweerder de standaard ontwikkeld. In de standaard worden richtlijnen gegeven voor de beantwoording van de vraag of er bij (extreme) vroeggeboorte sprake is van een bevalling. De standaard is opgesteld in het kader van de ZW, maar verweerder past deze standaard eveneens toe bij de uitvoering van de WAZ.

Onderdeel 4.3 van de standaard “Inleiding vaststelling ‘bevalling’ bij vroeggeboorte” luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Bij vroeggeboorte is het van belang te weten vanaf welke zwangerschapsduur recht bestaat op het verlof. Met andere woorden: ‘Waar ligt de grens?’. Hoewel niet alle uvi’s hetzelfde beleid hanteerden sprak men van een bevalling in het kader van de Ziektewet als er na een zwangerschap van omstreeks 26 weken een levensvatbaar kind ter wereld kwam. Gezien de toegenomen mogelijkheden in de gezondheidszorg zijn deze criteria niet meer juist.

Voor het vaststellen van een criterium is hier van belang dat recht wordt gedaan aan de bedoeling van de wetgever met het verlof. Tegelijkertijd mag duidelijk zijn dat een voortijdige beëindiging van de zwangerschap een emotionele gebeurtenis is met soms verstrekkende gevolgen. Het verlof kan dit niet compenseren en is daarvoor ook niet bedoeld. Inherent aan het vaststellen van een criterium is het ontstaan van grensgevallen. Gekozen is voor een concrete, zo objectief mogelijke grens, die rekening houdt met de huidige medische mogelijkheden.

Voor de Ziektewet spreken we daarom van een bevalling als er een menselijke vrucht ter wereld komt na een zwangerschapsduur van 24 complete weken, ongeacht of de vrucht wel of geen tekenen van leven heeft vertoond. Voor deze concrete termijn is gekozen omdat, als een vrucht na een zwangerschapsduur korter dan 24 weken ter wereld komt, levensvatbaarheid uitgesloten is. (…)

Komt er een menselijke vrucht ter wereld (dood dan wel levend) na een zwangerschapsduur van ten minste 24 complete weken, dan bestaat recht op uitkering in verband met de bevalling. Duurde de zwangerschap echter minder dan 24 complete weken, dan bestaat geen recht op uitkering in verband met de bevalling. Ook niet wanneer er sprake is geweest van enige hartswerking, ademhaling of spiercontracties. Levensvatbaarheid op zichzelf genomen vervalt als argument. Er kunnen immers ook laat in de zwangerschap niet levensvatbare vruchten ter wereld komen.”

De rechtbank constateert dat volgens de standaard sprake is van een bevalling als het kind ter wereld komt na een zwangerschap van tenminste 24 complete weken, ongeacht of het kind levensvatbaar is of niet; een geboorte na een zwangerschap die korter dan

24 weken heeft geduurd wordt volgens de standaard niet aangemerkt als een bevalling.

Verweerder heeft aangegeven dat aan onderdeel 4.1.4. van de Studiewijzer ziektewet, waarin de passage voorkomt ”Wanneer een baby kort voor de 24e week wordt geboren, zal aan u als verzekeringsarts worden gevraagd of sprake is van een bevalling of niet.”, kan worden toegevoegd dat sprake is van een bevalling als voordat de 24e week van de zwangerschap is voltooid een levensvatbare vrucht ter wereld komt. Zoals ook de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend beantwoordt verweerder de vraag of van een bevalling sprake is niet alleen aan de hand van de in de standaard genoemde grens van 24 complete weken. Van de standaard wordt afgeweken als voor het verstrijken van die termijn een levensvatbare vrucht te wereld komt.

De rechtbank concludeert dat in de uitvoeringspraktijk de in de standaard genoemde grens van 24 weken niet strikt wordt gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een bevalling als bedoeld in artikel 22 van de WAZ. Naar het oordeel van de rechtbank kan er geen enkele twijfel over bestaan dat als een levensvatbare vrucht na een zwangerschap korter dan 24 weken ter wereld komt, sprake is van een bevalling.

Met betrekking tot de vraag of het begrip bevalling als bedoeld in artikel 22 van de WAZ aldus moet worden uitgelegd dat daarvan sprake is, indien ofwel een levensvatbare vrucht, ofwel een vrucht na een zwangerschapsduur van 24 weken ter wereld komt, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de memorie van toelichting bij de WAZ (Kamerstukken II 1995/96, 24 758, nr. 3, p. 36) blijkt dat de bevallingsuitkering een maatregel is met een tweeledig doel. “Enerzijds dient het verlof ter bescherming van de vrouw en het kind. Anderzijds wordt met het verlof beoogd te voorkomen dat vrouwen uit het arbeidsproces treden. Bescherming van de gezondheid van moeder en kind en stimulering van het actief blijven van vrouwen op de arbeidsmarkt na de geboorte van kinderen gelden hier dus als argumenten. Dezelfde argumenten gaan (…) op voor zelfstandige en meewerkende vrouwen (…). Met een uitkeringsregeling in verband met bevalling kan worden voorkomen dat betreffende vrouwen lang doorwerken en snel weer beginnen, hetgeen schadelijk kan zijn voor zowel de gezondheid van de vrouw als van het kind.”

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de wetgever met de bevallingsuitkering van artikel 22 van de WAZ niet alleen de gezondheid van het kind heeft willen dienen door de moeder in de gelegenheid te stellen de pasgeborene te verzorgen, maar ook de gezondheid van de vrouw heeft willen dienen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever hierbij mede het oog gehad op het herstel van de vrouw na de bevalling.

De rechtbank merkt op dat ook in de standaard is opgenomen dat het verlof door de wetgever is bedoeld ter bescherming van de gezondheid van de vrouw in de laatste weken van de zwangerschap en om de vrouw de gelegenheid te geven te herstellen van de fysieke gevolgen van de bevalling.

De rechtbank constateert dat de door verweerder voorgestane toepassing van artikel 22 van de WAZ niet ziet op het belang van de gezondheid van de vrouw die voor het verstrijken van de 24e week van de zwangerschap een niet levensvatbare vrucht ter wereld brengt.

De rechtbank constateert vervolgens dat het begrip partus/bevalling in de medische sector wordt gedefinieerd als het einde van een zwangerschap die ten minste 16 complete weken heeft geduurd (sedert de eerste dag van de laatste menstruatie), gevolgd door de uitdrijving van het kind uit het moederlichaam. Daarbij wordt nader onderscheid gemaakt tussen een onrijpe geboorte (partus immaturus) en een voortijdige geboorte (partus prematurus). Wanneer de vrucht wordt uitgestoten na de 16e, maar voor het einde van de 28e week, spreekt men van een onrijpe geboorte of vroegtijdige bevalling en vanaf de 29e tot het einde van de 38e week van een voortijdige geboorte. Van een miskraam of spontane abortus wordt gesproken indien de vrucht voor het einde van de 16e week van de zwangerschap wordt uitgestoten.

De rechtbank ziet in het licht van laatstgenoemde doelstelling van de bevallingsuitkering, de bescherming van de gezondheid van de vrouw na de geboorte, geen aanleiding om aan het begrip bevalling als bedoeld in artikel 22 van de WAZ een beperktere uitleg te geven dan aan het begrip bevalling zoals dat in de medische sector wordt gehanteerd. In hetgeen door verweerder in de loop van dit geding is aangevoerd heeft de rechtbank dan ook onvoldoende steun gevonden voor diens standpunt dat van een bevalling in de zin van artikel 22 van de WAZ eerst sprake is, indien ofwel een levensvatbare vrucht, ofwel een vrucht na een zwangerschapsduur van 24 weken ter wereld komt.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband bezien met het feit dat eiseres volgens de medische terminologie vroegtijdig is bevallen - de rechtbank merkt in dit verband op dat de gynaecoloog dr. R.E. Bernardus heeft verklaard dat eiseres op 13 november 2000 is bevallen - is de rechtbank van oordeel dat eiseres in verband met haar bevalling recht heeft op uitkering in de zin van artikel 22, eerste lid, van de WAZ. Het bestreden besluit komt dan ook wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot het verzoek van eiseres om verweerder op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade ten gevolge van het bestreden besluit overweegt de rechtbank dat aan eiseres een vergoeding van de wettelijke rente toekomt over de bedragen die als gevolg van het onderhavige besluit niet zijn uitgekeerd. De rechtsvragen met betrekking tot de verschuldigdheid, de berekening van die wettelijke rente en de ingangsdatum van deze wettelijke rente heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) beantwoord in zijn uitspraak van 1 november 1995, JB 1995/314 waarnaar hier kortheidshalve wordt verwezen.

Nu eiseres op 23 oktober 2000 (door verweerder ontvangen op 24 oktober 2000) de aanvraag bevallingsuitkering heeft ingediend en ingevolge artikel 95a, eerste lid, van de WAZ binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking dient te worden gegeven, had verweerder uiterlijk op 24 januari 2001 een beschikking op de aanvraag moeten afgeven.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de WAZ wordt de uitkering in verband met bevalling door (de rechtsvoorganger van) verweerder betaalbaar gesteld en geschiedt de betaling als regel in tijdvakken van een maand. Uit genoemde uitspraak van de CRvB volgt dan ook dat de eerste dag waarop verweerder in het onderhavige geval over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente is verschuldigd, moet worden gesteld op 1 februari 2001 en dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met het over dat jaar verschuldigde bedrag aan rente. Van andere schade die op voet van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komt is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- voor kosten van verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Ook zal worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht moet worden vergoed.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nader besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ad € 29,- aan haar vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in dit geding ad € 644,- te betalen door het Uwv,

veroordeelt het Uwv tot betaling van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. Bandringa als voorzitter en mrs. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse en M.P. Gerrits-Janssens als leden van de meervoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2003.

de griffier: de voorzitter van de

meervoudige kamer:

mr. J.J. van Doorn mr. J.F. Bandringa

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002,

3500 DA Utrecht.