Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AN7593

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-11-2003
Datum publicatie
06-11-2003
Zaaknummer
16/208026-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft binnen een tijdsbestek van drie weken een groot aantal ernstige misdrijven gepleegd.

Hij heeft zich met braak toegang verschaft in een woning waar hij een vrouw aantrof. Met geweld en bedreiging met geweld jegens het slachtoffer heeft hij zich vervolgens goederen toegeëigend. Daarna heeft hij de vrouw bovendien, nadat hij haar had vastgebonden en bedreigd, op brute wijze verkracht.

Bij een andere gelegenheid heeft verdachte een vrouw in een lift van haar flat onder bedreiging van een mes verkracht.

Daarnaast heeft verdachte in diezelfde periode, wederom onder ernstige bedreigingen, een afpersing en een poging tot afpersing gepleegd. Hierbij heeft verdachte opnieuw gebruik gemaakt van bedreiging met een mes.

Ook heeft verdachte, samen met een mededader, onder bedreiging van een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp goederen gestolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/208026-03

Datum uitspraak: 6 november 2003

Tegenspraak

Raadsman: mr. R.A. van der Velde

G/T: Ja

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "Demersluis" te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 mei 2003, 25 augustus 2003 en 23 oktober 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 6 primair en 7 (impliciet) primair is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6 subsidiair, 7 (impliciet) subsidiair, 8 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld.

[]

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van het onder 1 primair en 8 bewezenverklaarde:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 en 9 bewezenverklaarde:

Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Afpersing.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Poging tot afpersing

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 6 subsidiair en 7 (impliciet) subsidiair bewezenverklaarde:

Opzetheling, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachte heeft binnen een tijdsbestek van drie weken een groot aantal ernstige misdrijven gepleegd.

- Hij heeft zich met braak toegang verschaft in een woning waar hij een vrouw aantrof. Met geweld en bedreiging met geweld jegens het slachtoffer heeft hij zich vervolgens goederen toegeëigend. Daarna heeft hij de vrouw bovendien, nadat hij haar had vastgebonden en bedreigd, op brute wijze verkracht.

- De inbreuk die verdachte daarbij heeft gemaakt op de privacy van het slachtoffer, door haar binnen de veilig geachte omgeving van een woning met geweld te beroven en te verkrachten, is onaanvaardbaar.

- Bij een andere gelegenheid heeft verdachte een vrouw in een lift van haar flat onder bedreiging van een mes verkracht.

- Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke ingrijpende gebeurtenissen, waarbij de persoonlijke en lichamelijke integriteit op grove wijze wordt aangetast, dit als zeer traumatisch ervaren, en dat zij nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid.

- Daarnaast heeft verdachte in diezelfde periode, wederom onder ernstige bedreigingen, een afpersing en een poging tot afpersing gepleegd. Hierbij heeft verdachte opnieuw gebruik gemaakt van bedreiging met een mes.

- Ook heeft verdachte, samen met een mededader, onder bedreiging van een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp goederen gestolen.

- Slachtoffers van dergelijke vermogensdelicten waarbij gebruik wordt gemaakt van geweld en bedreiging met geweld kunnen dit als zeer traumatisch ervaren. Gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen, en bij de direct betrokkenen in het bijzonder, worden door dergelijke feiten aangewakkerd.

- Verdachte heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen die genoemde feiten voor de slachtoffers zouden kunnen hebben. Verdachte heeft zich uitsluitend door zijn lustgevoelens en door zijn persoonlijk winstbejag laten leiden.

- Bij verdachte is bovendien een groot aantal goederen aangetroffen, die van diefstal afkomstig blijken te zijn.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 6 februari 2003, waaruit blijkt dat de verdachte tweemaal eerder wegens onder andere diefstal met geweld werd veroordeeld.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd - een gevangenisstraf van 15 jaren met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, gelet op de aard en de ernst van voormelde feiten en rekening houdend met de persoon van verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Met betrekking tot de hierna te geven beslissingen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, wordt verwezen naar de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1 bruine portefeuille en een ontslagbewijs (nr. 13), en

- een mapje met 12 foto's (nr. 15),

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

Verbeurdverklaring:

De overige inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de als bijlage aan dit vonnis toegevoegde lijst onder de nummers 4, 5, 10, 32, 34, 35, 36, 51, 53, 54, 55, 56, 61, 66, 72, 73, 79, 80, 81, 82, 88, 89, 94, 103, 107, 109, 138, 139, 167, 207, 208, 209, 210, 211, 212, 215, 216, 217, 218, 220, 221, 222, 223, 224, 225, 226 en 227 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien deze voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, geheel of grotendeels door middel van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen.

Voornoemde voorwerpen zullen daarom verbeurd worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij D. I.

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering schriftelijk een voegingsformulier benadeelde partij ingediend.

Nu echter door de benadeelde in bedoeld formulier geen vordering wordt gedaan, wordt deze opgave, als niet gedaan beoordeeld, onbesproken gelaten.

De vordering van de benadeelde partij J.J. K.

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 7 ten laste gelegde feit.

Nu niet is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 7 (impliciet) subsidiair bewezenverklaarde feit, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij R. S.

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 1.190,-- wegens materiële schade en een bedrag van € 900,-- wegens immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is deels van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 2 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 400,-- en de materiële schade wordt begroot op € 1.190,--.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 1.590,-- worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Daarom zal de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij E. D.

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 8 en 9 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 616,34 wegens materiële schade en een bedrag van € 2.500,-- wegens immateriële schade.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op het vliegticket naar Bosnië is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 8 en 9 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt, bij wijze van voorschot, naar billijkheid vastgesteld op € 2.500,-- en de materiële schade wordt begroot op € 319,34.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 2.819,34 worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 242, 310, 311, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 6 primair en 7 (impliciet) primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6 subsidiair, 7 (impliciet) subsidiair, 8 en 9 ten laste gelegde feiten, zoals in dit vonnis vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ACHT (8) JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd: de op de bijlage genoemde goederen voorzien van de nummers 4, 5, 10, 32, 34, 35, 36, 51, 53, 54, 55, 56, 61, 66, 72, 73, 79, 80, 81, 82, 88, 89, 94, 103, 107, 109, 138, 139, 167, 207, 208, 209, 210, 211, 212, 215, 216, 217, 218, 220, 221, 222, 223, 224, 225, 226 en 227.

Gelast de teruggave van 1 bruine portefeuille en een ontslagbewijs (nr. 13), en een mapje met 12 foto's (nr. 15) aan verdachte.

Verklaart de benadeelde partij J.J. K. niet ontvankelijk in de vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij R. S., ten dele toe tot een bedrag van € 1.590,-- (zegge éénduizend vijfhonderd en negentig Euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.590,-- (zegge éénduizend vijfhonderd en negentig Euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 32 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij E. D., ten dele toe - voor een gedeelte bij wijze van voorschot - tot een bedrag van € 2.819,34 (zegge tweeduizend achthonderd en negentien Euro en vierendertig cent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft overige gedeelte en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 2.819,34 (zegge tweeduizend achthonderd en negentien Euro en vierendertig cent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 56 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs P. Bender, E. Akkermans en N.E.M. Kranenbroek, bijgestaan door R. van Duffelen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2003.