Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AN7219

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-11-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
16/180026-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachtes broer, tevens medeverdachte, is, nadat hij een telefoontje van zijn zusje F. (tevens medeverdachte) had gekregen met het bericht dat zij was geslagen door een schoolgenootje, de volgende dag met een mes naar de school van zijn zusje gegaan. Tijdens de ontstane ruzie en worsteling met het slachtoffer, waarbij inmiddels ook F. en verdachte waren betrokken, heeft B. het mes getrokken en ermee gezwaaid naar het slachtoffer. F. heeft daarop het mes overgepakt en het slachtoffer met het mes in zijn gezicht geraakt alsmede het slachtoffer met een houten voorwerp geslagen. Vervolgens heeft verdachte het mes overgenomen en het slachtoffer gestoken.

Als gevolg van de toegebrachte messteken heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen, te weten een steekwond in de arm en een steekwond in de rug en een klaplong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/180026-03

Datum uitspraak: 4 november 2003

Tegenspraak

Raadsman: mr. J.J.J.L. Maalsté

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 oktober 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het primair ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 21 oktober 2003 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van het bewijs overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft door met een mes in de rug van het slachtoffer te steken willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daaraan zou komen te overlijden. Dat dit gevolg niet is ingetreden is niet te danken aan verdachte en zijn mededaders.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte gelet op zijn leeftijd van 12 jaar de reikwijdte van zijn handelingen niet heeft kunnen overzien en hij aldus geen voorwaardelijk opzet kan hebben gehad. Kinderen zijn volgens het strafrecht vanaf 12 jaar te vervolgen en hun (jonge) leeftijd staat niet in de weg aan toepassing van strafrechtelijke leerstukken als voorwaardelijk opzet, behoudens bijzondere omstandigheden. Ten aanzien van verdachte kan worden vastgesteld, gelet op de inhoud van het over hem uitgebrachte psychologische rapport, dat het jeugdstrafrecht onverkort kan worden toegepast.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van poging tot doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachtes broer, tevens medeverdachte, is, nadat hij een telefoontje van zijn zusje F. (tevens medeverdachte) had gekregen met het bericht dat zij was geslagen door een schoolgenootje, de volgende dag met een mes naar de school van zijn zusje gegaan. Tijdens de ontstane ruzie en worsteling met het slachtoffer, waarbij inmiddels ook F. en verdachte waren betrokken, heeft B. het mes getrokken en ermee gezwaaid naar het slachtoffer. F. heeft daarop het mes overgepakt en het slachtoffer met het mes in zijn gezicht geraakt alsmede het slachtoffer met een houten voorwerp geslagen. Vervolgens heeft verdachte het mes overgenomen en het slachtoffer gestoken.

Als gevolg van de toegebrachte messteken heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen, te weten een steekwond in de arm en een steekwond in de rug en een klaplong.

Verdachte heeft door zijn handelwijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.

Door een dergelijk feit worden gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt in de maatschappij in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder, temeer nu de verdachten evenals het slachtoffer (erg) jong zijn en het feit bij een school plaatsvond in het bijzijn van meerdere leerlingen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 13 januari 2003, waaruit blijkt dat de verdachte onbekend is in het Algemeen Documentatieregister.

- een Pro Justitia rapport betreffende de verdachte, opgemaakt door drs G.A.M. Mensing, psycholoog te Amersfoort d.d. 3 april 2003.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, d.d. 3 april 2003, opgemaakt door mevrouw J.H. van den Akker, reclasseringswerker.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, d.d. 9 oktober 2003, opgemaakt door mevrouw J.H. van den Akker, reclasseringswerker.

- een rapportage betreffende de verdachte, van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht respectievelijk 13 januari 2003 en 17 maart 2003, d.d. 10 februari 2003, opgemaakt door de heer F.R.W. Rinsampessy, raadsonderzoeker.

- een aanvullend voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht, d.d. 17 oktober 2003, opgemaakt door de heer M. Bahri, raadsonderzoeker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest met aftrek van het voorarrest alsmede een voorwaardelijke jeugddetentie van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaren en onder bijzondere voorwaarden;

- een leerstraf van 40 uur/20 dagen in de vorm van de cursus 'Slachtoffer in beeld plus'.

De rechtbank acht, gelet op de aard en de ernst van voormelde feit en rekening houdend met de persoon van verdachte, een onvoorwaardelijke deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden.

Aan verdachte zal een hogere straf worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd, aangezien met de door de officier van justitie gevorderde straf niet kan worden volstaan, gelet op de ernst van het feit. In verband met de op te leggen bijzondere voorwaarde ziet de rechtbank geen aanleiding de gevorderde leerstraf op te leggen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen zijn de op te leggen straffen gegrond op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot JEUGDDETENTIE voor de duur van 179 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 90 dagen (= 3 maanden), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- veroordeelde moet in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de proeftijd gedragen naar de door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat nodig acht; ook als dat inhoudt dat hij deel moet nemen aan gesprekken bij De Waag; met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van

30 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs A.H. Weijsenfeld, M.N. Noorman en H. Phaff, bijgestaan door mr. M.C.O.M. Tilman als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 november 2003.

Mr A.H. Weijsenfeld is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.