Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AN7212

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-11-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
16/180027-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is, nadat hij een telefoontje van zijn zusje F. had gekregen met het bericht dat zij was geslagen door een schoolgenootje, de volgende dag met een mes naar de school van zijn zusje gegaan. Tijdens de ontstane ruzie en worsteling met het slachtoffer, waarbij inmiddels ook F. en haar en verdachtes jongere broertje F. waren betrokken, heeft verdachte het mes getrokken en ermee gezwaaid naar het slachtoffer. F. heeft daarop het mes overgepakt en het slachtoffer met het mes in zijn gezicht geraakt alsmede het slachtoffer met een houten voorwerp geslagen. Vervolgens heeft F. het mes overgenomen en het slachtoffer gestoken.

Als gevolg van de toegebrachte messteken heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen, te weten een steekwond in de arm en een steekwond in de rug en een klaplong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/180027-03

Datum uitspraak: 4 november 2003

Tegenspraak

Raadsman: mr. M.M. Helmers

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 oktober 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 primair ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 21 oktober 2003 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van het bewijs met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft blijkens zijn verklaring geen bewuste opzet gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht echter bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet. Immers, verdachte heeft tijdens een hoog opgelopen ruzie tussen zijn broertje en zusje en verdachte enerzijds en het slachtoffer anderzijds een mes getrokken, hiermee stekende bewegingen gemaakt en dit mes door zijn zus laten overnemen.

Door onder genoemde omstandigheden het mes te trekken, daarover de controle te verliezen en niet in te grijpen toen zijn zusje en later zijn broertje het mes overnamen en op het slachtoffer instaken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat het slachtoffer zou worden gestoken en daardoor zou overlijden. Dat dit gevolg niet is ingetreden is niet te danken aan verdachte en zijn mededaders.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzetheling.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachte is, nadat hij een telefoontje van zijn zusje F. had gekregen met het bericht dat zij was geslagen door een schoolgenootje, de volgende dag met een mes naar de school van zijn zusje gegaan. Tijdens de ontstane ruzie en worsteling met het slachtoffer, waarbij inmiddels ook F. en haar en verdachtes jongere broertje F. waren betrokken, heeft verdachte het mes getrokken en ermee gezwaaid naar het slachtoffer. F. heeft daarop het mes overgepakt en het slachtoffer met het mes in zijn gezicht geraakt alsmede het slachtoffer met een houten voorwerp geslagen. Vervolgens heeft F. het mes overgenomen en het slachtoffer gestoken.

Als gevolg van de toegebrachte messteken heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen, te weten een steekwond in de arm en een steekwond in de rug en een klaplong.

Verdachte heeft door zijn handelwijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.

Door een dergelijk feit worden gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt in de maatschappij in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder, temeer nu de verdachten evenals het slachtoffer (erg) jong zijn en het feit bij een school plaatsvond in het bijzijn van meerdere leerlingen.

- Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan heling van een motorfiets.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 13 januari 2003, waaruit blijkt dat de verdachte onbekend is in het Algemeen Documentatie-register.

- een Pro Justitia rapport betreffende de verdachte, opgemaakt door drs J. Husmann, psycholoog te Utrecht d.d. 7 mei 2003.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, d.d. 3 april 2003, opgemaakt door mevrouw J.H. van den Akker, reclasseringswerker.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, d.d. 9 oktober 2003, opgemaakt door mevrouw J.H. van den Akker, reclasseringswerker.

- een basisonderzoek strafzaken betreffende de verdachte, van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht, d.d. 11 februari 2003 en 28 februari 2003, opgemaakt door de heer F.R.W. Rinsampessy, raadsonderzoeker.

- een aanvullend voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht, d.d. 17 oktober 2003, opgemaakt door de heer M. Bahri, raadsonderzoeker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot onder meer -kort gezegd-:

- onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest met aftrek van het voorarrest, alsmede een voorwaardelijke jeugddetentie van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaren en onder bijzondere voorwaarden;

- een leerstraf van 40 uur/20 dagen in de vorm van de cursus 'Slachtoffer in beeld plus'.

De rechtbank acht, gelet op de aard en de ernst van voormelde feiten en rekening houdend met de persoon van verdachte, een onvoorwaardelijke - deels voorwaardelijke - jeugddetentie van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden.

Aan verdachte zal een hogere straf worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd, aangezien met de door de officier van justitie gevorderde straf niet kan worden volstaan, gelet op de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde. In verband met de op te leggen bijzondere voorwaarde ziet de rechtbank geen aanleiding de gevorderde leerstraf op te leggen.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 1.136,75 wegens materiële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Het deel van de vordering ad € 140,-- (winterjas); € 100,-- (Nike trui); € 20,-- (t-shirt); € 20,-- (t-shirt); € 450,-- (eigen risico ziektekostenverzekering) alsmede € 150,--(zaterdag baan) van de benadeelde partij is van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Voor de kleding wordt de materiële schade begroot op € 200,--.

De benadeelde partij wordt voor het overige deel van de vordering ad € 256,75 (schoolkosten + boeken) niet-ontvankelijk verklaard.

Derhalve wordt de vordering van de benadeelde partij ten dele toegewezen tot een bedrag van € 800,-- (zegge acht honderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 800,-- (zegge acht honderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen zijn de op te leggen straffen gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77l, 77m, 77n, 77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot JEUGDDETENTIE voor de duur van 234 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 150 dagen (= 5 maanden), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- veroordeelde moet in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de proeftijd gedragen naar de door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat nodig acht; ook als dat inhoudt dat hij deel moet nemen aan gesprekken bij De Waag; met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 50 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe tot een bedrag van € 800,-- (zegge acht honderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft het hiervoor omschreven gedeelte.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 800,-- (zegge acht honderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs A.H. Weijsenfeld, M.N. Noorman en H. Phaff, bijgestaan door mr. M.C.O.M. Tilman als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 november 2003.

Mr A.H. Weijsenfeld is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.