Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AI1636

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
121466/HAZA 00-1940
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In gevolge art. 1:133 lid 2 BW heeft de verplichting tot verrekening uitsluitend betrekking op inkomsten die, of op vermogen dat, de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen. Dit betekent dat de wettelijke regeling in beginsel geen betrekking heeft op door partijen bij huwelijk aangebrachte vermogensbestanddelen. Aangezien de woning vóór huwelijkssluiting door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is gekocht en aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is geleverd, en bovendien is opgenomen in de staat van zijn aanbrengsten, komt de overwaarde daarvan niet voor verrekening in aanmerking.

Partijen verschillen van mening over de peildatum voor de vaststelling van de afkoopwaarde van voornoemde polissen.

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft de echtscheidingsdatum als peilmoment genoemd. [Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gaat uit van de datum van verbreking van de samenwoning omdat ingevolge art.5 van de huwelijksvoorwaarden na die datum partijen niet meer tot verrekening gehouden zijn.

In overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad in het arrest HR 28 maart 1997, NJ 1997 nr 581 (zie blz. 3148 onder nr. 3.6) heeft overwogen, dient voor de waardebepaling van de te verrekenen polissen, de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen te worden gehanteerd. Dit is in overeenstemming met de strekking van de onderhavige vordering tot verrekening. Die vordering heeft immers betrekking op de gevolgen van het niet naleven van het tussen partijen geldende periodieke verrekenbeding. Dit betekent dat voor de vaststelling van de daaruit voortvloeiende verrekeningsvordering uitsluitend de periode relevant is waarover partijen jegens elkaar tot verrekening waren gehouden.

Als peildatum voor de waarde van de polissen heeft dus 30 april 1998 te gelden.

Met verwijzing naar hetgeen de rechtbank in nr. 4.11 heeft overwogen, komt de (verkoop)waarde van de woning te [A], die is opgenomen in de lijst van aanbrengsten van de vrouw, in beginsel niet voor verrekening in aanmerking. Als al aangenomen kan worden dat de woning een positief rendement heeft opgeleverd, hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft betwist, dan is daarin onvoldoende reden gelegen om de waarde of verkoopopbrengst van de woning aan te merken als te verrekenen vermogen.

De uitspraak van de Hoge Raad in HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 383 (Bal/Keller) geeft geen steun aan de opvatting van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]. Immers in de casus die ten grondslag ligt aan dat arrest was, anders dan in deze zaak, sprake van een goed (in dat geval aandelen) dat tijdens het huwelijk was verkregen. Bovendien kan uit de overwegingen van de Hoge Raad in dat arrest niet afgeleid worden dat zij daarmee heeft bedoeld dat, voor de vraag of de waardestijging van een goed voor verrekening in aanmerking komt, uitsluitend beslissend is of het goed al dan niet inkomsten heeft gegenereerd.

Bovendien ziet [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] kennelijk over het hoofd dat, als het al zo zou zijn dat de woning inkomen heeft gegenereerd, dat inkomen geen inkomen uit arbeid betreft en reeds om die reden op grond van art. 8 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden niet onder de verrekenplicht van partijen valt.

Dit betekent dat de verkoopopbrengst van de woning te [A] buiten het te verrekenen vermogen blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur: mr. G.R. Dorhout-Tielken,

- t e g e n -

[Gedaagde in conventie, eiser in reconventie],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur: mr. A.J.P. Ariëns.

Partijen zullen worden aangeduid als [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie].

1.

Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- dagvaarding van 27 september 2000;

- conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie;

- conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;

- conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

- conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Voorts heeft op 9 januari 2003 ten overstaan van de meervoudige kamer van deze rechtbank pleidooi plaats gevonden. Mr. Dorhout-Tielken en mr. Ariëns hebben respectievelijk namens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gepleit aan de hand van pleitnotities die behoren tot het griffiedossier.

Aansluitend aan het pleidooi heeft met instemming van partijen een comparitie van partijen plaats gevonden. Daarvan is een proces-verbaal gemaakt. Daaruit blijkt dat de zaak vervolgens is aangehouden om partijen de gelegenheid te geven om een schikking te treffen. Bij brief van 11 februari 2003 heeft mr. Ariëns verzocht de zaak naar de rol te verwijzen voor vonnis. Op de rolzitting van 26 februari 2003 hebben partijen vonnis verzocht, dat aanvankelijk is bepaald op 9 april 2003 en nader is bepaald op heden.

2.

De feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te Zeist met elkaar gehuwd. Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren: [kind 1] te [geboorteplaats] op [geboortedatum] en [kind 2] te [geboorteplaats] op [geboortedatum]. Op 30 april 1998 is de samenwoning van partijen beëindigd. Bij beschikking van deze rechtbank van 28 juli 1999 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 4 november 1999 ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Zeist.

2.2.

Partijen zijn destijds gehuwd onder huwelijksvoorwaarden zoals die blijken uit de notariële akte van 8 oktober 1990.

Daarin is onder meer bepaald:

"Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal geen gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd, bestaan.

Artikel 2.

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…) worden voldaan uit de netto-inkomens der echtgenoten, en wel naar evenredigheid daarvan en voorzover deze inkomens ontoereikend zijn, uit ieders netto-vermogen naar evenredigheid daarvan.

(…)

Artikel 3.

1. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel bedraagt ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het aldus teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.

2. Het in lid 1 van dit artikel bedoelde recht vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen één jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar heeft plaats gehad of schriftelijk gevorderd is.

(…)

Artikel 8.

1. Echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar jegens elkander ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van ieders netto-inkomsten uit arbeid niet is besteed ter dekking van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan beiden is ten goede gekomen.

(…)

4. Het recht om de in lid 1 van dit artikel bedoelde verrekening te vorderen vervalt na verloop van twee jaren volgende op het kalenderjaar, waarop de verrekening betrekking heeft, doch uiterlijk één jaar ná ontbinding van het huwelijk."

2.3.

Op 30 september 1987 heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de woning aan de [adres] te [S] gekocht voor

f 110.000,--. De aankoop heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gefinancierd met een op zijn naam staande eerste hypothecaire lening bij de Rabobank van 30 september 1987 van f 150.000,-- ,een tweede hypothecaire lening van 9 december 1988 van f 15.000,-- en een onderhandse lening van zijn vader van f 20.000,--. Deze leningen staan in de staat van aanbrengsten behorend bij de akte van huwelijkse voorwaarden.

Op 11 maart 1992 is de lening van de vader van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geheel afgelost door een betaling ineens van f. 20.000,-- ten laste van de privé-bankrekening (met nr. [nummer]) van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie].

Begin 1992 is de tweede hypotheek van f 15.000,-- in één keer afgelost en wel voor een deel van f 7.000,-- uit privé vermogen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] privé en voor een deel van f 8.000,-- uit het overgespaard inkomen van partijen.

Op 3 november 1992 is het openstaande bedrag van f 142.051,28 van de hypothecaire lening van 30 september 1987 volledig voldaan door middel van een op naam van beide partijen staande spaarhypotheek voor een bedrag van f 150.000,-- bij Bank Mees & Hope N.V.

Op 23 juni 1994 is het openstaande bedrag van f 150.000,-- van de hypothecaire lening van (inmiddels) Mees Pierson volledig voldaan door middel van een op naam van beide partijen staande hypotheek van f 200.000,-- bij Woonfonds Nederland B.V. De resterende f 50.000,-- zijn aangewend voor de verbouwing van de woning en de aanleg van de daarbij behorende tuin.

Op 22 januari 1999 is [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op zijn naam een hypothecaire lening aangegaan van

f 175.000,--.

De man heeft de woning op 8 augustus 2000 verkocht voor een prijs van f 945.000,--.

2.4.

Bij het huwelijk is door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de haar in eigendom toebehorende woning aan de [adres] te [A] aan gebracht als mede de schuld van f 113.000,-- die zij voor de aanschaf van die woning van haar vader, [vader van eiseres], had geleend. Tijdens de huwelijkse samenleving heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de woning verhuurd. Op 15 februari 1999 heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de woning verkocht voor een prijs van f 265.500,-- k.k.

2.5.

Op naam van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] staan twee levensverzekeringen, te weten:

- [nummer] (Aegon Plan Pensioen), ingangsdatum 1 december 1989 met een jaarlijkse premiebetalingsplicht en een afkoopwaarde per 1 mei 1998 van f 41.516,--, en per 1 december 1999 van f 43.334,--;

- [nummer] (koopsompolis) van 31 december 1990 met een eenmalige koopsom van

f 13.099,-- en een afkoopwaarde per 31 oktober 1999 van f 20.405,--.

Op naam van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] staat een levensverzekering met polisnummer 3312238 (Fairgo Leven) met een afkoopwaarde per 1 april 1998 van f 12.024,--.

2.6.

Met ingang van 31 december 1991 is [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (met Spaarbeleg Kas N.V.) een spaarbelegovereenkomst aangegaan (certificaatnummer [nummer]) met een looptijd van 15 jaar en een maandelijkse inleg van f 100,--. Per 1 november 1999 bedroeg het spaartegoed op deze rekening f 15.322,46.

Tevens beschikte [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tijdens het huwelijk over achtereenvolgens:

- een op haar naam staande spaarrekening bij de Rabobank Soest-Baarn met nummer [nummer] waarvan op 2 april 1998 het saldo f 23.803,70 bedroeg;

- een op haar naam staande Roparcorekening met nummer [nummer] waarvan op 31 maart 1998 het saldo f 3.823,28 bedroeg;

- een op haar naam staand effectendepot bij Rabobank Nederland met nummer [nummer] waarvan de waarde op 31 maart 1998 f 35.863,-- bedroeg.

2.7.

Voorts beschikten partijen tijdens het huwelijk over een op beider naam staande spaarrekening bij Spaarbeleg met rekeningnummer [nummer]. Het saldo daarvan bedroeg op 7 april 1998 f 16.355,39.

2.8.

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft in december 1996 een schenking van haar ouders ontvangen van

f 39.119,--.

2.9.

Tijdens het huwelijk zijn partijen nimmer overgegaan tot verrekening als bedoeld in de artt. 3 en 8 van de huwelijkse voorwaarden.

3.

De vorderingen en het verweer

3.1.

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert (samengevat weergegeven) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- de verdeling vaststelt van de ontbonden "huwelijksgoederengemeenschap" (zie blz. 4 van de dagvaarding);

- [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te veroordelen zijn medewerking te geven aan de verdeling van "de aldus vastgestelde huwelijksgoederengemeenschap" (zie blz. 4 van de dagvaarding) en het bedrag te betalen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vanwege die verdeling toekomt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 1999;

- (subsidiair) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] jegens haar te veroordelen om f 229.448,-- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2000 over dat bedrag, en een bedrag gelijk aan 50% van de afkoop van de (onder 2.5 genoemde) Fairgo Leven-polis per datum echtscheiding, te vermeerderen met de wettelijke rente over bedoeld bedrag vanaf de echtscheidingsdatum;

- [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in haar vorderingen of tot afwijzing daarvan met veroordeling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de kosten van de procedure. Voorts heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in reconventie gevorderd dat de rechtbank [eiseres in conventie, verweerster in reconventie], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om f 87.933,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 november 1999, althans de datum van de conclusie van eis in reconventie, aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te voldoen met veroordeling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de proceskosten in reconventie gevallen.

3.3.

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft in reconventie verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in zijn vorderingen, of afwijzing daarvan met veroordeling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de proceskosten in reconventie gevallen.

4.

De beoordeling.

4.1.

Bij Wet van 14 maart 2002 (Stb. 2002, 152) is per 1 september 2002 een regeling van verrekenbedingen opgenomen in de artt. 1:133 t/m 1:145 BW. De overgangsbepaling (zie art IV van voornoemde Wet) luidt dat op huwelijksvoorwaarden die uitsluitend finale verrekening van vermogen bevatten, het oude recht van toepassing blijft.

Toepassing van deze overgangsbepaling brengt mee dat de nieuwe regeling van verrekenbedingen op de onderhavige zaak van toepassing is omdat de onderhavige huwelijkse voorwaarden, zoals onder meer blijkt uit de daaruit in nr. 2.2 geciteerde artt. 3 en 8, niet uitsluitend een finale verrekening van vermogen omvatten.

4.2.

Art. 1:141 lid 1 BW bepaalt dat

"Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over het saldo ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan".

4.3.

Voorts bepaalt art. 1:136 lid 1 BW:

"Indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen

vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie. Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald".

4.4.

Kort samengevat betekent dit dat niet alleen het overgespaard inkomen maar ook de waarde van hetgeen tijdens het huwelijk met overgespaard inkomen is gefinancierd, tussen partijen verrekend dient te worden. Indien die financiering is geschied door het aangaan van een schuld, dan zal ook dan hetgeen aldus is verkregen worden verrekend en wel:

- indien de schuld voor verrekening in aanmerking komt: naar evenredigheid van de omvang van de schuld ten opzichte van de voor de verwerving geleverde tegenprestatie;

- indien de schuld niet voor verrekening in aanmerking komt: naar evenredigheid van het aandeel van hetgeen ter aflossing is betaald ten opzichte van de tegenprestatie.

4.5.

Zowel de vordering in conventie als de vordering in reconventie hebben betrekking op de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding, en lenen zich (daarom) voor een gezamenlijke behandeling. Die vorderingen dienen beoordeeld te worden aan de hand van de huwelijksvoorwaarden en hetgeen daaromtrent in voornoemde wetsartikelen (aanvullend) is bepaald.

4.6.

Het petitum van de dagvaarding laat geen andere uitleg toe dan dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] primair een verdeling vordert op basis van een tussen partijen geldende huwelijksgoederengemeenschap. Blijkens nr. 15 van de conclusie van repliek in conventie heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] daarmee niet bedoeld te stellen dat er van een huwelijksgoederengemeenschap sprake is, als wel dat afgerekend dient te worden alsof er een gemeenschap van goederen heeft bestaan. Aldus zal de rechtbank haar primaire vordering verstaan.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft dit gemotiveerd bestreden.

4.7.

Omdat (de aldus begrepen) primaire vordering om af te rekenen als ware partijen in gemeenschap van goederen gehuwd, geen steun vindt in de huwelijkse voorwaarden en de daarop van toepassing zijn de wetsartikelen, zal reeds om die reden die vordering worden afgewezen.

Dat partijen in het kader van overleg over een minnelijke regeling ter afwikkeling van de financiële gevolgen van hun echtscheiding aanvankelijk in hun wederzijdse voorstellen zijn uitgegaan van (een afrekening als ware er) een gemeenschap van goederen, doet aan dit oordeel niet af.

4.8.

Hoewel aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] kan worden toegegeven dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet zonder meer duidelijk is in haar vorderingen, valt in nr. 19 van de conclusie van repliek in conventie te lezen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] scheiding en deling vordert van "diezelfde vermogensbestandelen" uitgaande van "de meest recente rechtspraak betreffende verrekening van overgespaard inkomen".

Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] betekent dit dat zij recht heeft op verrekening van de overwaarde van de woning voorzover zij uit eigen middelen f 35.000,-- heeft afgelost en voorzover zij uit overgespaard inkomen heeft bijgedragen aan aflossing van de hypotheek en de verbouwing van de woning. Dit zou volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] betekenen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] haar ter verrekening van die overwaarde f 229.448,-- dient te voldoen.

Voorts zou volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (uitsluitend) ook de polis bij Fairgo Leven voor verrekening bij helfte in aanmerking komen ( zie nr. 29 onder C conclusie van repliek in conventie).

De bij pleidooi door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (zie nr. 21 pleitaantekeningen van mr. Dorhout-Tielken) verwoorde conclusie dat de echtelijke woning, de drie polissen en de spaar- en bankrekeningen verrekend dienen te worden, laat de rechtbank verder buiten beschouwing omdat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] kennelijk met die conclusie een (bij nader inzien onjuiste) samenvatting beoogde te geven van de primaire vordering en niet heeft bedoeld om haar subsidiaire vordering aan te vullen.

4.9.

Uitgaande van de subsidiaire vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie], kan het meningsverschil tussen partijen als volgt weergegeven worden:

- ten aanzien van de woning te [S] stelt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] dat de overwaarde voor verrekening in aanmerking komt, [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betwist dat;

- ten aanzien van de 4 polissen van levensverzekering stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat die voor verrekening bij helfte in aanmerking komen, [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stelt dat alleen de Fairgo Levenpolis aldus verrekend dient te worden;

- ten aanzien van de spaarbelegrekening (zie nr. 2.7) stellen beide partijen dat die is opgebouwd uit overgespaard inkomen en dus voor verrekening bij helfte in aanmerking komt, beide partijen maken echter aanspraak op toescheiding;

- ten aanzien van de effectenportefeuille van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat die voor verrekening in aanmerking komt tenzij [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] bewijst dat zij die aandelen heeft gekocht met de schenking van haar ouders (zie nr. 2.8);

- ten aanzien van de woning te [A] stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dat de overwaarde voor verrekening bij helfte in aanmerking komt, [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] betwist dat.

Het geschil tussen partijen ten aanzien van de bankrekeningen is de rechtbank niet duidelijk. Volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dient [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan te tonen wat zij met de saldi van die rekeningen heeft gedaan.

4.10.

De echtelijke woning te [S].

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stelt dat zij recht heeft op verrekening van de bij verkoop gerealiseerde overwaarde van de woning. Daarvoor acht zij relevant dat:

- uit eigen vermogen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] f 27.000,-- is betaald aan de aflossing van de schulden die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is aangegaan voor de financiering van de woning;

- uit overgespaard inkomen f 8.000,-- door partijen is betaald aan de aflossing van die schulden;

- op 3 november 1992 de hypotheekschuld van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is afgelost door middel van een nieuwe hypothecaire lening die op naam van beide partijen staat;

- op 23 juni 1994 de hypotheeklening is overgesloten en met f 50.000,-- is verhoogd ten behoeve van investeringen in de woning;

- uit overgespaard inkomen uitgaven zijn gedaan voor de verbetering van de woning;

- de hypotheeklasten tijdens huwelijk altijd gezamenlijk zijn gedragen.

[Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt, onder meer met verwijzing naar art. 1:133 lid 2 BW, dat de overwaarde van de woning niet voor verrekening in aanmerking komt omdat de woning door hem voorafgaand aan de huwelijkssluiting is aangeschaft en reeds om die reden die aanschaf niet kan worden aangemerkt als het resultaat van enige belegging van overgespaard inkomen.

4.11.

In gevolge art. 1:133 lid 2 BW heeft de verplichting tot verrekening uitsluitend betrekking op inkomsten die, of op vermogen dat, de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen. Dit betekent dat de wettelijke regeling in beginsel geen betrekking heeft op door partijen bij huwelijk aangebrachte vermogensbestanddelen. Aangezien de woning vóór huwelijkssluiting door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is gekocht en aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is geleverd, en bovendien is opgenomen in de staat van zijn aanbrengsten, komt de overwaarde daarvan niet voor verrekening in aanmerking.

4.12.

Het is echter de vraag of art. 1:136 lid 1 tweede volzin BW zelfstandige betekenis heeft in afwijking van art. 1:133 lid 2 BW in die zin dat ook voorafgaand aan het huwelijk door middel van het aangaan van een schuld verkregen goederen voor verrekening in aanmerking komen, voor zover die schuld tot het te verrekenen vermogen behoort of daaruit is afgelost of betaald.

Met een verrekenbeding als opgenomen in art. 8 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden beogen partijen het vermogen te verrekenen dat tijdens de verrekenplicht met het te verrekenen inkomen is vergaard. Daar waar het in overeenstemming met deze bedoeling is dat de wettelijke regeling niet geldt voor vermogen dat door partijen is aangebracht, heeft dit in beginsel ook te gelden voor aangebracht vermogen dat is gefinancierd door een tevens aangebrachte (hypothecaire) schuld.

Het feit dat de verplichtingen uit die schuld, en de later daarvoor in de plaats gekomen schulden, zijn voldaan uit de te verrekenen gezamenlijke inkomsten, is onvoldoende reden om de overwaarde in afwijking van art. 1:133 lid 2 BW tot het te verrekenen vermogen te rekenen.

Evenmin is voldoende reden gelegen in het feit dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] een deel van de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aangebrachte schuld uit privé vermogen heeft voldaan. Dat vermogen behoort immers niet tot het te verrekenen inkomen, zodat reeds om die reden de daarmee betaalde aflossing niet als een belegging daarvan kan worden beschouwd. Ook het feit dat de bij huwelijk aangebrachte hypothecaire schuld grotendeels is afgelost door middel van een hypothecaire lening op naam van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie], is onvoldoende reden om de overwaarde tot het te verrekenen vermogen te rekenen. Die hypothecaire leningen op beider naam zijn immers niet aangegaan in verband met de verwerving van de woning doch in verband met de herziening van de financiering daarvan.

Bij dit oordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende arresten van de Hoge Raad; HR 2 maart 2001, NJ 2001, 583 (Slot/Ceelen); HR 6 december 2002, RvdW 2002, 201 (Schwanen/Hundscheid) en HR 18 april 2003 NJ 2003 nr 441..

4.13.

Dit betekent dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] geen recht heeft op verrekening van de overwaarde van de woning. De door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aangevoerde omstandigheden nopen op basis van de redelijkheid en billijkheid niet tot een ander oordeel.

4.14.

[Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft erkend dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] recht heeft op vergoeding van hetgeen zij nominaal aan de aflossing van de financieringen van de woning en aan de investeringen in de woning heeft bijgedragen.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan aflossing van de leningen is voldaan:

- door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] f 27.000,--;

- uit overgespaard te verrekenen inkomen f 8.000,--;

Evenmin is in geschil dat voor f 20.000,-- uit overgespaard inkomen in de verbouwing van de woning is geïnvesteerd en dat die investering als een belegging beschouwd dient te worden.

Dit betekent dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ter zake van de woning recht heeft op f 41.000,--.

4.15.

De levensverzekeringen.

Het standpunt van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ten aanzien van de polissen is niet zonder meer duidelijk. Wel kan worden vastgesteld dat partijen het er over eens zijn dat de polissen voor verrekening in aanmerking komen voor zover die zijn gefinancierd uit overgespaard te verrekenen inkomen. Ter toelichting op haar subsidiaire standpunt heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (zie conclusie van repliek in conventie onder nr. 29 sub C en D) erkend dat de spaarbelegovereenkomst en de Fairgo-Levenpolis als belegging van overgespaard inkomen hebben te gelden. [Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is dezelfde mening toegedaan. Beide polissen behoren derhalve tot het te verrekenen vermogen.

4.16.

Ten aanzien van de polis met nr. [nummer] (Aegon Plan Pensioen) heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gesteld dat de waarde daarvan niet tot het te verrekenen vermogen behoort omdat zij die polis vóór de huwelijkssluiting heeft afgesloten en de premie telkenjare van haar eigen rekening is betaald.

[Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] beweert het tegendeel en beroept zich daarbij op het feit dat partijen vóór het afsluiten van de polis reeds een jaar samenwoonden en tijdens die samenwoning het inkomen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] volledig werd gespaard omdat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] alle vaste lasten voor zijn rekening nam. Voor wat de premiebetalingen na huwelijkssluiting betreft, doet het volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet terzake dat die betalingen van de rekening [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zijn gedaan.

4.17.

Het enkele feit dat de polis voorafgaand aan de huwelijkssluiting door de vrouw is afgesloten, laat onverlet dat de waarde daarvan tot het te verrekenen vermogen behoort indien en voorzover die waarde is verkregen door premiebetalingen tijdens het huwelijk uit te verrekenen inkomen. Dit betekent dat in ieder geval de waarde voor verrekening in aanmerking komt die is verkregen door de premiebetalingen tijdens het huwelijk. Dat die premiebetalingen (in overeenstemming met hetgeen daarover in art. 4 van de huwelijksvoorwaarden is bepaald) zijn geschied ten laste van de rekening van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] doet aan dit oordeel niet af. Integendeel, in art. 4 van de huwelijksvoorwaarden is immers bepaald dat de premies voor levensverzekeringen niet onder de kosten der huishouding zullen zijn begrepen.

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft (hoewel zij tijdens het pleidooi daar wel de mogelijkheid toe had) de omstandigheden die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat op basis van de redelijkheid en billijkheid ook de voor het huwelijk gedane premiebetaling bij de vaststelling van de te verrekenen waarde betrokken dient te worden, niet weersproken.

Aldus uitgaande van het feit dat partijen reeds voorafgaand aan de eerste premiebetaling één jaar samenwoonden, en tijdens die samenwoning het inkomen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] volledig werd gespaard omdat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] alle vaste lasten droeg, is het redelijk en billijk om ook die premiebetaling te betrekken bij de vaststelling van de te verrekenen waarde. Bij dit oordeel slaat de rechtbank tevens acht op het feit dat de polis niet in de lijst van aanbrengsten van de vrouw staat opgenomen.

Dit betekent dat de volledige waarde van de polis voor verrekening in aanmerking komt.

4.18.

Partijen verschillen van mening over de peildatum voor de vaststelling van de afkoopwaarde van voornoemde polissen.

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft de echtscheidingsdatum als peilmoment genoemd. [Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gaat uit van de datum van verbreking van de samenwoning omdat ingevolge art.5 van de huwelijksvoorwaarden na die datum partijen niet meer tot verrekening gehouden zijn.

In overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad in het arrest HR 28 maart 1997, NJ 1997 nr 581 (zie blz. 3148 onder nr. 3.6) heeft overwogen, dient voor de waardebepaling van de te verrekenen polissen, de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen te worden gehanteerd. Dit is in overeenstemming met de strekking van de onderhavige vordering tot verrekening. Die vordering heeft immers betrekking op de gevolgen van het niet naleven van het tussen partijen geldende periodieke verrekenbeding. Dit betekent dat voor de vaststelling van de daaruit voortvloeiende verrekeningsvordering uitsluitend de periode relevant is waarover partijen jegens elkaar tot verrekening waren gehouden.

Als peildatum voor de waarde van de polissen heeft dus 30 april 1998 te gelden.

4.19.

Ten aanzien van de koopsompolis [nummer] heeft te gelden dat die tijdens het huwelijk is afgesloten. [Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld dat de eenmalige premie (van f 13.099,--) niet uit overgespaard inkomen is voldaan maar uit haar eigen vermogen. Hoewel [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] geen informatie heeft gegeven over die betaling en ter zake evenmin enig bewijs heeft aangeboden, zal de rechtbank haar ambtshalve in de gelegenheid stellen om nadere informatie te geven over die betaling. De rechtbank overweegt reeds op voorhand dat indien de betaling is geschied ten laste van het door haar aangebrachte "saldo-tegoed op een rekening bij de Banque de Suez" [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (in ieder geval) wat dit betreft gelijk heeft.

4.20.

De spaarbelegspaarrekening.

Het verschil van mening tussen partijen ten aanzien van deze post betreft slechts de toescheiding van die rekening. De rechtbank zal haar oordeel daaromtrent aanhouden tot dat duidelijk is op welke partij jegens de ander en in welke mate een betalingsverplichting rust.

4.21.

De effectenportefeuille.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in december 1996 een schenking van haar ouders heeft ontvangen van f 39.119,--. Dat die schenking niet valt onder het te verrekenen inkomen is evenmin in geschil.

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stelt dat de waarde van de effectenportefeuille buiten verrekening dient te blijven omdat zij die effectenportefeuille heeft opgebouwd met die schenking. [Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft erkend dat als de effectenportefeuille aldus is opgebouwd, de waarde daarvan buiten verrekening dient te blijven.

Ingevolge art. 1:133 lid 2 BW heeft de verplichting tot verrekening geen betrekking op vermogen dat krachtens gift is verkregen en ook niet op de goederen die daarvoor in de plaats zijn getreden. De huwelijksvoorwaarden wijken hier niet van af. De te verrekenen inkomsten zijn immers in art. 8 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden (zie hierboven onder nr. 2.2) beperkt tot de inkomsten uit arbeid.

4.22.

Omdat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zich beroept op het feit dat de aandelenportefeuille in de plaats is getreden van de gift die zij van haar ouders heeft ontvangen, rust op haar de last om dat te bewijzen. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft bij conclusie van repliek in conventie een (als bijlage H aangeduid) overzicht in het geding gebracht waaruit volgens haar blijkt dat zij de schenking heeft aangewend voor "de nodige effectentransacties, die er uiteindelijk toe hebben geleid dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (..) per eind maart 1998 eindigde met een positief saldo op 4, op haar eigen naam staande rekeningen (…) van fl. 62.434."

Aan dit overzicht kent de rechtbank ter beoordeling van het door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te leveren bewijs geen waarde toe omdat:

- niet duidelijk is wie het overzicht heeft gemaakt;

- het overzicht geen onderliggende bescheiden bevat waaruit de juistheid van de inhoud zou kunnen worden afgeleid;

- zonder adequate toelichting, die [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet gegeven heeft, het overzicht niet zonder meer duidelijk is.

Dit betekent dat op [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de last rust om te bewijzen dat de waarde van, dan wel saldi op, de effectenrekening nr. [nummer]; de roparco-rekening nr. [nummer]; de telespaarrekening nr. [nummer] en de bankrekening nr [nummer] zijn verkregen met de schenking van f 39.119,--. Hoewel ook op dit punt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] geen bewijsaanbod heeft gedaan, zal de rechtbank haar ambtshalve tot het leveren van dat bewijs toelaten.

4.23.

De woning te [A].

[Gedaagde in conventie, eiser in reconventie] meent aanspraak te hebben op verrekening van de verkoopopbrengst van die woning omdat de (huur)inkomsten een positief rendement hebben gegenereerd dat nooit door partijen verrekend is. Aldus is er volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] sprake van gespaard en ongedeeld inkomen.

[Eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft betwist dat van een positief rendement sprake is geweest en heeft bovendien betwist dat er sprake is van een belegging van overgespaard inkomen.

4.24.

Met verwijzing naar hetgeen de rechtbank in nr. 4.11 heeft overwogen, komt de (verkoop)waarde van de woning te [A], die is opgenomen in de lijst van aanbrengsten van de vrouw, in beginsel niet voor verrekening in aanmerking. Als al aangenomen kan worden dat de woning een positief rendement heeft opgeleverd, hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft betwist, dan is daarin onvoldoende reden gelegen om de waarde of verkoopopbrengst van de woning aan te merken als te verrekenen vermogen.

De uitspraak van de Hoge Raad in HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 383 ([B/K]) geeft geen steun aan de opvatting van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie]. Immers in de casus die ten grondslag ligt aan dat arrest was, anders dan in deze zaak, sprake van een goed (in dat geval aandelen) dat tijdens het huwelijk was verkregen. Bovendien kan uit de overwegingen van de Hoge Raad in dat arrest niet afgeleid worden dat zij daarmee heeft bedoeld dat, voor de vraag of de waardestijging van een goed voor verrekening in aanmerking komt, uitsluitend beslissend is of het goed al dan niet inkomsten heeft gegenereerd.

Bovendien ziet [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] kennelijk over het hoofd dat, als het al zo zou zijn dat de woning inkomen heeft gegenereerd, dat inkomen geen inkomen uit arbeid betreft en reeds om die reden op grond van art. 8 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden niet onder de verrekenplicht van partijen valt.

Dit betekent dat de verkoopopbrengst van de woning te [A] buiten het te verrekenen vermogen blijft.

4.25.

Hoewel uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen in nr. 4.19 voortvloeit dat de rechtbank de zaak naar de rol dient te verwijzen om [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de gelegenheid te geven nadere informatie als daar bedoeld te geven, en bewijslevering dient plaats te vinden als bedoeld in nr. 4.22, houdt de rechtbank er rekening mee dat partijen, nu er een beslissing van de rechtbank is over beide woningen, prijs stellen op een comparitie van partijen teneinde te bezien of over de overgebleven geschilpunten een schikking kan worden bereikt.

Met dat doel zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten. Voor het geval dat partijen geen comparitie wensen, dan dienen zij dat binnen twee weken na heden schriftelijk door te geven aan mevr. H. Alberts van de civiele sector.

Voor het geval partijen te kennen geven dat zij geen comparitie van partijen wensen, dan draagt de rechtbank reeds voor dat geval, [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] op:

- te bewijzen dat de effectenportefeuille en de saldi van de daarbij behorende rekeningen als genoemd in nr. 2.22, verkregen is uit de schenking van f 39.119,-- van haar ouders.

In dat geval zal onderstaande zittingsdatum in beginsel gereserveerd worden voor het getuigenverhoor aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie].

5.

Beslissing

De rechtbank:

5.1.

Bepaalt dat partijen, in persoon, vergezeld van hun raadslieden dienen te verschijnen op een zitting van deze rechtbank, te houden door mr. H.M.M. Steenberghe, voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling; dan wel voor het houden van een getuigenverhoor aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ter uitvoering van de in nr. 4.25 (voorwaardelijk) gegeven bewijsopdracht ;

5.2.

Bepaalt dat deze zitting zal worden gehouden op donderdag 6 november 2003 te 13.30 uur in het gebouw van de rechtbank, Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht;

5.3.

Bepaalt dat de partij die op dit tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de secretaresse (mevrouw H. Alberts, kamer A2-16) van mr. Steenberghe om een nadere dagbepaling dient te vragen, zulks onder opgave van verhinderdata van beide partijen;

5.4.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Steenberghe, Van Binsbergen en Dijkhuis-Pavicevic en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 27 augustus 2003.

w.g. griffier w.g. rechter