Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AI1496

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
26-08-2003
Zaaknummer
SBR 03/769
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing tot verrekening uitkering ingevolge de AAW met uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet is gericht op rechtsgevolg

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr.: SBR 03/769

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

[eiseres],

e i s e r e s,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoerings- instituut Werknemersverzekeringen (Uwv),

v e r w e e r d e r.

__________________________________________________________________________

1. INLEIDING

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2003, waarbij het bezwaar van eiseres van 17 juli 2002 tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 juli 2003, waar namens eiseres is verschenen mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put, werkzaam bij Uwv Gak Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

Voor haar oordeelsvorming gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft tot 1 juli 1991 een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ontvangen. Bij uitspraak van 24 januari 2001 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) beslist op het hoger beroep ingesteld door het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv) de rechtsvoorganger van verweerder, (hierna tevens aangeduid als verweerder) tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 september 1997 in het geschil tussen eiseres en verweerder over haar aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 juli 1991. Het op aanwijzing van de CRvB nadien door verweerder ingestelde onderzoek heeft er in geresulteerd dat de aanspraak van eiseres op voortzetting van de eerder aan haar toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 juli 1991 is komen vast te staan.

Over de periode 1 juli 1991 tot 1 juli 2001 is aan eiseres een bijstandsuitkering verleend. De Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Sociale Zaken & Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht heeft op 30 juli 2001 bij verweerder een declaratie ingediend en verweerder verzocht een bedrag van f 219.714,11 aan die Dienst over te maken ter verrekening van de bijstandsuitkering over genoemd tijdvak.

Verweerder heeft aan dat verzoek gevolg gegeven.

Naar aanleiding daarvan en gezien de hoogte van het aan eiseres aan arbeidsongeschiktheidsuitkering nabetaalde bedrag (f 21.132,35 bruto) heeft de gemachtigde van eiseres verweerder verschillende malen schriftelijk verzocht een verrekeningsbesluit af te geven. Het bezwaar van eiseres ziet op het niet tijdig nemen door verweerder van een besluit op deze aanvraag.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen:

"Naar ons oordeel is echter geen sprake van het niet tijdig nemen van een beslissing. Ingevolge de wettelijke bepalingen is het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen verplicht een ontstane nabetaling terstond te verrekenen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen zelf, de Sociale Verzekeringsbank of de gemeente.

Het verzoek van de gemeente om de u eerder toegekende uitkering krachtens de ABW te verrekenen met de u toekomende AAW/Wajong uitkering dient door ons in behandeling te worden genomen. De overnemende instantie (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Gak in dit geval) is slechts verplicht u schriftelijk te informeren omtrent de verrekening. Deze mededeling is niet voor bezwaar of beroep vatbaar, aangezien het slechts de feitelijke mededeling bevat dat verrekend zal worden/is."

Eiseres is van mening dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van eiseres tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag om een verrekeningsbesluit te nemen, niet-ontvankelijk is. Naar de mening van eiseres moet een mededeling omtrent de verrekening van de haar toekomende arbeidsongeschiktheidsuitkering met de haar verleende bijstandsuitkering als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt en dient verweerder haar om die reden te ontvangen in haar bezwaar tegen het uitblijven van een dergelijk besluit. Zij wijst erop dat van een hiermee vergelijkbaar besluit inzake beslaglegging beroep openstaat op de bestuursrechter en verwijst in dat verband naar de uitspraken van de CRvB van 21 maart en 31 juli 2002, gepubliceerd in JB 2002/131 en 288.

Naar aanleiding van die uitspraken heeft verweerder naar voren gebracht dat de rechtspraak op dit punt niet zonder meer tot een gelijkluidend oordeel over het besluitkarakter in de onderhavige kwestie noopt. Verweerder wijst erop dat, anders dan in haar geval, in de gevallen waar eiseres op doelt de tijdvakken waarin de vordering ontstaat en waarbinnen vervolgens beslag wordt gelegd niet samenvallen. Voorts ligt het volgens verweerder op de weg van de declarerende instantie een besluit omtrent de wijze van invordering te nemen. Sinds de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid per 1 juli 1997, levert een dergelijk besluit een executoriale titel op. Verweerder is van mening dat in het onderhavige geval met een besluit van de declarerende instantie kan worden volstaan.

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder niet.

Door de verrekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiseres over de periode 1 juli 1991 tot 1 juli 2001 met de haar in die periode verleende bijstandsuitkering wordt aan eiseres een lager bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald dan waarop zij naar de voor haar geldende grondslag aanspraak heeft. Dit raakt onmiskenbaar haar uitkeringspositie. De beslissing tot verrekening is daarmee gericht op rechtsgevolg en dient derhalve door verweerder in een besluit neergelegd te worden. De omstandigheid dat eiseres ook in rechte kan opkomen tegen het (terug- en) invorderingsbesluit van de declarerende instantie maakt dit niet anders.

Voorts is niet van belang of en zo ja, in hoeverre verweerder gehouden is medewerking te verlenen aan het verzoek van de declarerende instantie. De rechtbank wijst in dit verband op de door eiseres genoemde uitspraken van de CRvB, waaruit blijkt dat de omstandigheid dat de uitkerende instantie gehouden is medewerking te verlenen aan het onder die instantie op de uitkering gelegde executoriaal beslag, er niet toe leidt dat van de betalingsbeslissing ter uitvoering van dat beslag gezegd moet worden dat deze niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van eiseres tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag niet-ontvankelijk is. Het bestreden besluit komt dan ook wegens strijd met de artikelen 1:3 en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal alsnog een besluit op de aanvraag van eiseres ter zake van de verrekening van de betrokken uitkeringen moeten nemen.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- aan verleende rechtsbijstand. Van andere kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken is de rechtbank niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

draagt verweerder op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag van eiseres,

bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ad € 31,- aan haar vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van

€ 644,-, te betalen door het Uwv.

Aldus vastgesteld door mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse als voorzitter en mrs. J.G.Th. Engelberts en V.M.M. van Amstel als leden, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2003.

de griffier: de voorzitter van de meervoudige kamer:

J.D. Koteris G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.