Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AI0790

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
05-08-2003
Zaaknummer
133721/HA ZA 01-1540 en 144540/HA ZA 02-764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechter acht veertienjarige aansprakelijk voor schieten op achtjarig kind

Een veertienjarige jongen mag met toestemming van zijn ouders op een camping beschikken over luchtdrukwapens, waaronder een windbuks.

Samen met een aantal andere kinderen is de jongen in het bos gaan spelen met deze wapens.

Nadat een achtjarig meisje op hem had gericht, richt de jongen zijn windbuks op het meisje. Het meisje wordt daarbij in haar oog getroffen. Het kogeltje dringt door tot in haar kaak. Het meisje zelf heeft niet geschoten.

De rechtbank laat in het midden of sprake is van een doelbewust schot. Reeds het richten op het hoofd van het meisje met een geladen en op scherp staande windbuks is volgens de rechtbank zo gevaarlijk, dat de jongen onrechtmatig heeft gehandeld jegens het meisje. Het is een wapen dat gemakkelijk per ongeluk afgaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VONNISSEN van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de gevoegde zaken met zaak/rolnr. 133721/HA ZA 01-1540 tussen:

1. [eiser sub 1]

2. [eiser sub 2]

beiden in de hoedanigheid van ouder en wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarige dochter

[naam betrokkene],

beiden wonende te Amsterdam,

eisers q.q. (in de hoofdzaak),

procureur: mr. I.M. Jebbink,

- t e g e n -

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

allen wonende te Nieuwegein,

gedaagden (in de hoofdzaak),

procureur gedaagde sub 2: mr. J.M. Rommes,

gedaagden sub 1 en 3 niet verschenen,

en met zaak/rolnr. 144540/HA ZA 02-764 tussen:

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Amsterdam,

eisers (in de hoofdzaak),

procureur: mr. I.M. Jebbink,

- t e g e n -

[gedaagde],

wonende te Nieuwegein,

gedaagde (in de hoofdzaak),

procureur: mr. J.M. Rommes.

1. Het verloop van de procedures

1.1. Voor het verloop van de procedure in de zaak met zaak/rolnr. 133721/HA ZA 01-1540 tot 19 december 2001 wordt verwezen naar het incidenteel vonnis dat de rechtbank op die dag heeft uitgesproken. Het verdere verloop van blijkt uit de volgende processtukken:

· conclusie van antwoord van gedaagde sub 2;

· proces-verbaal van comparitie op 11 maart 2002, door de rechtbank bij vonnis van 2230 januari 2002 ambtshalve gelast (alleen eisers en gedaagde sub 2 zijn verschenen);

· conclusie van repliek;

· conclusie van dupliek van gedaagde sub 2.

1.2. Voor het verloop van de procedure in de zaak met zaak/rolnr. 144540/HA ZA 02-764 tot 5 juni 2002 wordt verwezen naar het incidenteel vonnis dat de rechtbank op die datum heeft uitgesproken. Het verdere verloop van die procedure blijkt uit de volgende processtukken:

· conclusie van repliek tevens houdende akte overlegging producties;

· conclusie van dupliek;

· akte uitlating producties.

1.3. Partijen hebben in beide procedures vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten in beide procedures

2.1. Eisers in beide procedures zijn de ouders van C. Voorts behoort tot hun gezin de kinderen S en Fb (verder te noemen: S respectievelijk Fb). De gedaagden in de procedure met zaak/rolnr. 133721/HA ZA 01-1540 zijn de ouders van F. F is de gedaagde in de procedure met zaak/ rol-nr. 144540/HA ZA 02-764.

2.2. Op vrijdag 12 juni 1998 verbleven partijen met hun kinderen op een camping in Ede. Zowel eisers als de vader en de moeder van F hadden op deze camping een jaarplaats voor een stacaravan en verbleven in een stacaravan. C was op dat moment acht jaar oud, F 14 jaar oud, S 12 jaar oud en Fb 14 jaar oud.

2.3. F mocht met toestemming van zijn ouders op de camping beschikken over enkele luchtdrukwapens alsook deze gebruiken. Het betreft twee luchtdrukpistolen en een windbuks.

2.4. Op 12 juni 1998 zijn de onder 2.2 genoemde kinderen 's avonds in het bos bij de camping gaan spelen. Verder gingen mee M (destijds twaalf jaar oud) en een vriendje van hem. Zij hebben luchtdrukwapens van F meegenomen. Aanvankelijk hebben de kinderen geschoten op schietschijven en zwerfafval. Op een gegeven moment heeft C een luchtdrukwapen op F gericht. F heeft daarop zijn windbuks op C gericht. Dit heeft ertoe geleid dat C is getroffen door een kogeltje dat rechtstreeks afkomstig was uit de windbuks van F. Het kogeltje is via een hoek van het linkeroog van C in haar linkerkaak doorgedrongen. Het kogeltje is op 15 juni 1998 door middel van een chirurgische ingreep verwijderd. In de periode daarna is C twee keer geopereerd aan haar netvlies en heeft zij regelmatig medische behandeling ondergaan aan haar oog.

2.5. In verband met het ongeval heeft C bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven een verzoek tot schadeloosstelling ingediend. Bij beslissing van 8 mei 2000 heeft deze instantie wegens materiele schade een bedrag van ƒ 17.625,-- uitgekeerd, en wegens immateriële schade een bedrag van ƒ 10.000,--.

2.6. Bij beschikking van 28 november 2000 heeft de kantonrechter te Amsterdam eisers gemachtigd terzake de onderhavige procedures ten behoeve van C te procederen. Eisers hebben op 12 juli 2001 conservatoir beslag doen leggen op de woning van de vader en de moeder van F. Thans zijn bij deze rechtbank naar aanleiding van het schietincident nog twee andere procedures (vrijwaringszaken) aanhangig. De procedures zijn bekend onder zaak/rolnrs. 142372/HA ZA 02-412 en 148518/HA ZA 02-1341.

3. De vorderingen en de verweren

In de zaak met zaak/rolnr. 133721/HA ZA 01-1540

3.1. Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagden - aldus dat indien de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd - te veroordelen om aan hen te vergoeden de door C geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade als gevolg van het ongeval, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 1998, althans vanaf de datum van waarop de schade opeisbaar wordt, tot aan de dag der algehele voldoening;

2. gedaagden - aldus dat indien de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd - te veroordelen aan hen bij wijze van voorschot op de schade te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de somma van ƒ 35.000,--;

3. met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure, de kosten van beslaglegging en het salaris van de procureur daaronder begrepen.

In de zaak met zaak/rolnr. 144540/HA ZA 02-764

3.2. Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. F te veroordelen om aan hen te vergoeden de door C geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade als gevolg van het ongeval, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 1998, althans vanaf de datum van waarop de schade opeisbaar wordt, tot aan de dag der algehele voldoening;

2. F te veroordelen aan hen bij wijze van voorschot op de schade te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de somma van € 15.882,31 (ƒ 35.000,--);

3. met veroordeling van F de kosten van de procedure, de kosten van beslaglegging en het salaris van de procureur daaronder begrepen.

In beide procedures

3.3. De rechtbank zal hierna, voorzover nodig, ingaan op de grondslagen van de vorderingen en op de gevoerde verweren.

4. De beoordeling van de geschillen

In beide procedures

4.1. De vader van F heeft in de procedure met zaak/rolnr. 133721/HA ZA 01-1540 vóór alle weren aangevoerd dat F ten onrechte pro se is gedagvaard, omdat hij op dat moment nog minderjarig was. Eisers hebben hierop niet gereageerd. Wel hebben zij F, nadat hij meerderjarig was geworden, in een afzonderlijke procedure doen dagvaarden (de zaak met zaak/rolnr. 144540/HA ZA 02-764). In die procedure hebben eisers niet gereageerd op de stelling van F dat zij hem niet nogmaals in een afzonderlijke procedure kunnen dagvaarden. Uit het feit dat eisers F afzonderlijk hebben doen dagvaarden, begrijpt de rechtbank evenwel dat eisers bedoeld hebben in de procedure met zaak/rolnr. 133721/HA ZA 01-1540 uitsluitend de vader en de moeder van F als ouders van F te dagvaarden, en dat de per-soonlijke aansprakelijkheid van F uitsluitend in de procedure met zaak/rolnr. 144540/HA ZA 02-764 aan de orde is.

4.2. Vaststaat dat F op het moment van het ongeval veertien jaar oud was. De toepasselijke norm waaraan in deze zaak moet worden getoetst wordt, voorzover het F betreft, gegeven door artikel 6:162 BW, respectievelijk, voorzover het zijn ouders betreft, door artikel 6:169 lid 2 BW danwel 6:162 BW voor wat betreft de stelling van eisers dat het feit dat C door een kogeltje is getroffen leidt tot een zelfstandige aansprakelijkheid van de vader en moeder van F uit hoofde van onrechtmatige daad. Gegeven de leeftijd van F is geen sprake van risicoaansprakelijkheid voor zijn gedragingen, doch, voorzover het betreft de op artikel 6:169 lid 2 BW gebaseerde grondslag van de vordering tegen zijn vader en moeder, van schuld-aan-sprakelijkheid. Naar aanleiding van dit een en ander zal de rechtbank in de eerste plaats onderzoeken of sprake is van een fout of onrechtmatige daad van F, welke vraag centraal staat in de procedure met zaak/rolnr. 144540/HA ZA 02-764, en afhankelijk van het antwoord op die vraag onderzoeken of de vader en moeder van F aannemelijk hebben gemaakt dat hen - kort gezegd - geen verwijt treft terzake het schietincident (de procedure met zaak/rolnr. 133721/HA ZA 01-1540).

4.3. Maatstaf bij de beoordeling van het gedrag van F is, dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is, indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letstel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vgl. HR 9 december 1994, NJ 1996/403). F heeft zich (evenals de vader van F in de procedure met zaak/rol-nr. 133721/HA ZA 01-1540) op het standpunt gesteld dat hij zijn windbuks weliswaar op C had gericht, maar dat deze pas is afgegaan op het moment dat hij de buks liet zakken. F erkent dat het kogeltje waardoor C is geraakt rechtstreeks afkomstig was uit de windbuks die hij in zijn hand had. Uit deze lezing van de feiten door F volgt derhalve dat hij aanvankelijk hoog, te weten op het hoofd van C, had gericht. Anders valt niet te verklaren hoe C in haar hoofd kan zijn getroffen toen F zijn windbuks liet zakken. Uit de verwondingen die C heeft opgelopen blijkt bovendien dat het wapen nog steeds op haar hoofd was gericht toen daarmee werd geschoten. Indien sprake is van een gericht en doelbewust schot van F (het standpunt van eisers) is zulks in de gegeven omstandigheden evident onrechtmatig jegens C. Immers, het doelgericht schieten op het hoofd van een ander geeft een buitengewoon groot risico op ernstig letsel, ook indien met een windbuks wordt geschoten. Dit staat niet ter discussie.

4.4. De vraag rijst echter of F ook bij een onbedoeld schot aansprakelijk is jegens C. F stelt immers dat hij per ongeluk tegen de trekker van de windbuks kwam toen hij deze liet zakken, waardoor de windbuks is afgegaan. Uitgangspunt bij de beoordeling van deze kwestie is dat - terecht - niet ter discussie staat dat het opzettelijk richten van een geladen en op scherp staande windbuks op een ander gevaar oplevert, te weten het risico dat die ander gewond raakt door een onbedoeld schot. Eisers hebben onweersproken gesteld dat een op scherp staande windbuks gemakkelijk een kogeltje afvuurt. In feite wordt dit onderstreept door de verklaring van F, dat hij besefte dat het richten van een wapen op een ander een te gevaarlijk spel was, alsook door zijn verklaring dat het wapen geheel per ongeluk is afgegaan toen hij het liet zakken. Verwacht kan worden dat het risico van verwonding groter is, indien (zoals in het onderhavige geval) het wapen op het hoofd van een ander is gericht. Voorts verdient nog opmerking dat eisers onweersproken hebben gesteld dat de desbetreffende windbuks een wapen is in de zin van artikel 2 lid 1 Wet wapens en munitie (categorie IV sub 4), hetgeen het potentiële gevaar van zo'n wapen onderstreept.

4.5. Indien ervoor wordt gekozen om bij een spel gebruik te maken van intrinsiek gevaarlijke wapens, brengt de zorgvuldigheid die men jegens zijn medespelers in acht dient te nemen mee, dat de wapens niet op zodanige wijze in het spel worden betrokken, dat daarvan in redelijkheid verwondingen zijn te verwachten die wat ernst betreft uitgaan boven hetgeen bij een spel in het algemeen als geaccepteerd is te beschouwen. Naar het oordeel van de rechtbank is de kans op het onbedoeld afgaan van het wapen in het onderhavige geval juist vergroot door de situatie waarin C en F elkaar bevonden. Zij hadden wapens op elkaar gericht, blijkbaar om een soort duel te suggereren. In een dergelijk geval heeft men, naar algemeen bekend moet worden verondersteld, het wapen schietklaar in de hand en is slechts een kleine vingerbeweging nodig om het wapen te vuren. In de emoties van zo'n spel ligt bovendien besloten dat de betrokkenen een zekere spanning ervaren, hetgeen de kans op een onbedoeld schot vergroot. Daaruit volgt dat de spelsituatie wezenlijk heeft bijgedragen aan de vergroting van het risico op ernstig letsel. Dit klemt te meer, nu F zonder afbreuk te doen aan het spel, elk risico op verwonding gemakkelijk had kunnen voorkomen door zijn windbuks te ontspannen of te ontladen alvorens deze op C te richten. In ieder geval had F, zoals uit het bovenstaande reeds volgt, niet op het hoofd van C mogen richten met zijn geladen en op scherp staande windbuks.

4.6. De rechtbank ziet daarom in het feit dat sprake was van een spel geen aanleiding om aan minder strenge zorgvuldigheidsnormen te toetsen (zoals F heeft betoogd). Van risicoaanvaarding door C kan in dit geval geen sprake zijn, reeds op grond van haar jeugdige leeftijd. Zij kon naar het oordeel van de rechtbank de mogelijke risico's van het spel onvoldoende beseffen. Dit ligt anders ten aanzien van F. Als veertienjarige kon hij beseffen wat de risico's van zijn handelen (het met een geladen wapen richten op het hoofd van een ander) waren. Dat hij dit inzicht had blijkt uit het feit dat hij tegen C heeft gezegd dat ze haar wapen moest laten zakken. Voorts heeft hij, zoals vermeld, erkend dat het richten van luchtdrukwapens op elkaar een te gevaarlijk spel was (vgl. nr. 3.5 conclusie van dupliek in de zaak met zaak/rolnr. 144540/HA ZA 02-764).

4.7. Een aanleiding om aan minder strenge zorgvuldigheidsnormen te toetsen wordt evenmin gevonden in het feit dat C als eerste haar wapen op F heeft gericht of dat S en Fb mogelijk reeds kort daarvoor op elkaar hadden geschoten. Dit alles kon voor F geen excuus opleveren om op C te richten. Integendeel, F had C op het gevaar van haar handelwijze moeten wijzen en zelf op dit punt het goede voorbeeld moeten geven, in plaats van haar voorbeeld te volgen, te minder nu C niet op hem heeft gevuurd en zij blijkbaar ook niet wist hoe dat moest gegeven haar vraag om uitleg dienaangaande aan F. F heeft ten slotte zelf verklaard dat hij ervan uitging dat C niet op hem zou schieten. De verwijzing die F maakt naar de arresten HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 ("natraparrest") en HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621 ("tennisbalarrest") kan hem onder al deze omstandigheden niet baten

4.8. De rechtbank laat op grond van het voorgaande in het midden of het afvuren van het kogeltje per ongeluk ging (het standpunt van de vader van F en F zelf) of dat er sprake was van een opzettelijk schot (het standpunt van eisers). Ook indien F niet de intentie had om een kogeltje op C af te vuren, geldt dat zijn onbedoelde schot voor wat betreft de onrechtmatigheid op één lijn moet worden gesteld met een welbewust en gericht schot. Gegeven al hetgeen hiervóór is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het richten van een geladen en op scherp staand wapen als het onderhavige op het hoofd van een ander en in een situatie als de onderhavige dusdanig gevaarlijk is, dat reeds deze handeling in strijd is met de zorgvuldigheid die men jegens een ander in acht dient te nemen. Het betreft een handelen dat blijkens het bovenstaande een zeer groot risico meebrengt van het toebrengen van ernstig letsel voor de ander. Derhalve is voor de rechtbank komen vast te staan dat F onrechtmatig heeft gehandeld jegens C, óók indien sprake is geweest van een onbedoeld schot. De recht-bank ziet verder geen aanleiding voor bewijslevering op dit punt.

4.9. De vraag rijst of F als enige aansprakelijk is wegens het voorgaande en welke schade C heeft geleden respectievelijk in hoeverre eisers F tot vergoeding kunnen aanspreken. In de procedure met zaak/rolnr. 133721/HA ZA 01-1540 heeft de vader van F betoogd dat eisers medeaansprakelijk zijn, terwijl F met name in de vrijwaringszaak met zaak/rolnr. 148518/HA ZA 02-1341 stelt dat, indien hij aansprakelijk is jegens C, dit ook geldt voor eisers, zowel in hun hoedanigheid van ouders van C als pro se. Ook in de vrijwaringszaak met zaak/rolnr. 142372/HA ZA 02-412 komen in dit verband mogelijk nog relevante vragen aan de orde, aangezien Fb en S bij het ongeval aanwezig waren.

4.10. Het komt de rechtbank uit praktisch oogpunt aangewezen voor pas verder te beslissen in de procedures met zaak/rol-nrs. 133721/HA ZA 01-1540 en 144540/HA ZA 02-764, nadat ook de andere procedures in staat van wijzen zijn. Dit biedt voor partijen uit procesrechtelijk oogpunt het voordeel dat een eventuele bewijsopdracht meerdere procedures kan omvatten, terwijl bovendien tegenstrijdige uitspraken kunnen worden voorkomen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de onderhavige procedures te gelegener tijd weer op de rol zullen plaatsen ter gezamenlijke afdoening.

4.11. In het feit dat in dit tussenvonnis reeds een oordeel is gegeven over de aansprakelijkheid van F en dit oordeel mede bepalend kan zijn voor de andere procedures waarin partijen verwikkeld zijn, vindt de rechtbank aanleiding gebruik te maken van de mogelijkheid die is bedoeld in artikel 337 lid 2 Rv (nieuw), zulks door te bepalen dat partijen tegen dit tussenvonnis hoger beroep mogen instellen.

5. De beslissing in beide procedures

5.1. De rechtbank houdt de zaken voor onbepaalde tijd aan.

5.2. Verklaart dat tegen deze beslissing in beide procedures hoger beroep zal kunnen worden ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 30 juli 2003.

w.g. griffier w.g. rechter