Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AI0517

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
135514/HA ZA 01-1889
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eensluidend hebben de buschauffeurs zowel schriftelijk als mondeling als getuige verklaard dat zij bij het laatste gedeelte van de busbaan van de Weg der Verenigde Naties voor het 24 Oktoberplein in de gemeente Utrecht op 3 februari 1998 om omstreeks 7.30 uur plotseling werden geconfronteerd met extreme gladheid van het wegdek, terwijl van gladheid geen sprake was op het eerder die ochtend door hen met hun bus afgelegde traject binnen de gemeente. Alle chauffeurs hebben eveneens eensluidend verklaard dat zij hun snelheid bij het naderen van de kruising met het 24 Oktoberplein tijdig hadden aangepast en dat hun bussen op het laatste gedeelte van de busbaan plotseling geen grip meer hadden op het wegdek. Uit hun verklaringen leidt de rechtbank af dat er toen op het laatste gedeelte van de busbaan op de Weg der Verenigde Naties voor het 24 Oktoberplein, niet of in ieder geval niet voldoende tegen gladheid was gestrooid, terwijl dat wel het geval was met het overige gedeelte van de eerder door de buschauffeurs afgelegde routes. Deze conclusie strookt met de in het rapport van de expert weergegeven bevindingen, die als getuige heeft verklaard dat hij aan dat rapport niets heeft toe te voegen. Ook de verklaring van de in tegenverhoor gehoorde politieambtenaar Van Vliet, die heeft verklaard dat het laatste gedeelte van de busbaan glad was en dat dit niet het geval was met het daarvóór gelegen gedeelte van de busbaan, ondersteunt zelfs dit bewijs.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat strooiwagenchauffeur [G] in de vroege ochtend van 3 februari 1998 een fout heeft gemaakt door het niet of niet voldoende strooien tegen gladheid van het laatste gedeelte van de busbaan op de Weg der Verenigde Naties voor het 24 Oktoberplein te Utrecht. Voor de gevolgen daarvan is de gemeente als werkgever van [G] aansprakelijk krachtens artikel 6:170 BW. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de gemeente ook krachtens artikel 6:174 BW aansprakelijk is, aangezien het laatste gedeelte van de busbaan op de Weg der Verenigde Naties op dat moment (nog) niet voldeed aan de eisen die de buschauffeurs daaraan onder de gegeven omstandigheden mochten stellen, gelet op hun eerder afgelegde trajecten binnen de gemeente. De sub I door ZWN en BBA gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2003, 55

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van

1. de naamloze vennootschap Z.W.N. OPENBAAR VERVOER N.V.,

gevestigd te Boskoop,

2. de naamloze vennootschap N.V. BRABANTSCHE BUURTSPOORWEGEN EN AUTODIENSTEN "B.B.A.",

gevestigd te Breda,

e i s e r e s s e n ,

procureur: mr. M. Nuyten,

- t e g e n -

de rechtspersoon naar publiek recht

GEMEENTE UTRECHT,

zetelende te Utrecht,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. J.J.W. Remme.

Partijen worden hierna respectievelijk ZWN, BBA en de gemeente genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding van 10 augustus 2001, met een productie, genummerd 1

- de conclusie van antwoord, met vijf producties, waaronder het procesbesluit van de gemeente van 5 september 2001

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 5 december 2001, waarbij een comparitie van partijen is bepaald

- het proces-verbaal van de op 1 februari 2002 gehouden comparitie van partijen, waarbij een mondeling vonnis is uitgesproken, met zes door de gemeente overge-legde producties

- het proces-verbaal van het op 8 maart 2002 gehouden getuigenverhoor

- het proces-verbaal van het op 16 mei 2002 gehouden getuigenverhoor,

- het proces-verbaal van het op 5 juli 2002 gehouden tegenverhoor, met een productie

- de conclusie van repliek, tevens conclusie na enquête, met producties, genummerd 2 tot en met 13

- de conclusie van dupliek

- de akte van ZWN en BBA van 8 januari 2003

- de antwoordakte van de gemeente van 29 januari 2003.

2. De feiten

2.1. Op dinsdag 3 februari 1998 om omstreeks 7.30 uur hebben op de Weg der Verenigde Naties binnen de bebouwde kom van de gemeente Utrecht door extreme gladheid aanrijdingen plaatsgevonden, waarbij twee lijndienstbussen van ZWN en twee lijndienstbussen van BBA waren betrokken. [Bestuurder 1], bestuurder van een bus van BBA met kenteken [bus 1], is toen hij de bus tot stilstand wilde brengen in verband met de verkeerslichten en de bushalte bij het 24 Oktoberplein als eerste geconfronteerd met de extreme gladheid van het laatste gedeelte van de busbaan van de Weg der Verenigde Naties. De bus is uiteindelijk juist voor het zebrapad met het rechter voorwiel tegen de trottoirrand tot stilstand gekomen. Even daarna is de bus van achteren aangereden door een bus van BBA met kenteken [bus 2], die werd bestuurd door [bestuurder 2]. Vervolgens is deze bus van achteren aangereden door een bus van ZWN met kenteken [bus 3], bestuurd door [bestuurder 3]. Kort daarna is ook deze bus van achteren aangereden door een bus van ZWN met kenteken [bus 4], bestuurd door [bestuurder 4].

2.2. In de loop van de nacht van maandag 2 op dinsdag 3 februari 1998 was in de gemeente Utrecht neerslag gevallen in de vorm van ijzel en lichte sneeuw. De gemeente heeft direct na het constateren van de gladheid de strooiddienst van haar Reinigings- en Havendienst ingeschakeld. De Weg der Verenigde Naties maakt deel uit van strooiroute 6, een van de vaste strooiroutes van de strooidienst. In de vroege ochtend van 3 februari 1998 heeft een strooiwagen, die werd bestuurd door [G], strooiroute 6 gereden. Gedurende de gehele route heeft de strooimachine aangestaan.

2.3. De vier bussen hebben als gevolg van de aanrijdingen schade opgelopen. Daarnaast heeft een van de passagiers van de bus van ZWN met kenteken [bus 3] letsel opgelopen door de klap van de botsing.

2.4. Bij brief van de zijde van ZWN, BBA en Royal Nederland Schadeverzekering N.V., de WAM-verzekeraar van ZWN, van 12 juni 1998 is de gemeente wegens het niet strooien van de busbaan aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de hiervoor vermelde aanrijdingen. De gemeente heeft deze aansprakelijkheid bij brief van 16 september 1998 afgewezen.

2.5. Op 19 oktober 1998 heeft Royal Nederland Schadeverzekering N.V. aan B.V. Inspectie-, Taxatie- en Expertisebureau N en V (hierna: Iteb) opdracht gegeven een onderzoek in te stellen. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een verslag van onderzoek van [de expert] (hierna: de expert) van Iteb van 22 december 1998, waarin uitvoerige verklaringen van [bestuurder 3], [bestuurder 4], [bestuurder 1] en [bestuurder 2] zijn opgenomen. [De expert] heeft zijn bevindingen als volgt samengevat:

"Uit informatie van alle benaderde personen is gebleken dat het ontstaan van de verschillende aanrijdingen te wijten was aan de gladheid.

De betrokken chauffeurs hebben deze gladheid als zeer plotseling ervaren doordat er wel was gestrooid door de wegbeheerder, doch doordat het betreffende wegdeel, een deel van een busbaan niet was gestrooid, terwijl een eerder deel van diezelfde busbaan wel was gestrooid.

De betrokken chauffeurs hadden daarom terecht het vertrouwen dat ook het laatste deel van de busbaan berijdbaar zou zijn.

Ondanks zeer voorzichtig rijgedrag van de chauffeurs konden de aanrijdingen niet worden voorkomen.

Als door de wegbeheerder ook het laatste deel van de busbaan was gestrooid, dan hadden de aanrijdingen niet plaatsgevonden."

2.6. Iteb heeft de schade aan de twee bussen van ZWN begroot op ƒ 12.959,88 respectievelijk ƒ 22.850,86 en de schade aan de twee bussen van BBA op ƒ 6.827,23 respectievelijk ƒ 33.865,58. De expertisekosten bedragen respectievelijk

ƒ 425,00, ƒ 425,00, ƒ 340,00 en ƒ 1.020,00 exclusief BTW.

3. De vordering en het verweer

3.1. ZWN en BBA vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat de gemeente jegens hen aansprakelijk is voor het verkeersongeval van 3 februari 1998;

II. de gemeente te veroordelen om aan ZWN te voldoen het bedrag van ƒ 36.660,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. de gemeente te veroordelen om aan BBA te voldoen het bedrag van ƒ 42.052,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. de gemeente te veroordelen om hen te voldoen als vergoeding van de verdere kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW het bedrag van ƒ 3.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

V. de gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. ZWN en BBA leggen daaraan bij dagvaarding ten grondslag dat gemeentelijke medewerkers onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door na te laten het laatste gedeelte van de busbaan te strooien, terwijl dit wel noodzakelijk was. ZWN en BBA achten de gemeente in haar hoedanigheid van ambtelijk werkgeefster krachtens artikel 6:170 BW aansprakelijk voor deze fouten en onrechtmatige daden van haar ondergeschikten. Bij conclusie van repliek/conclusie na enquête stellen ZWN en BBA dat op de gemeente als wegbeheerster een zorgvuldigheidsplicht rust die even zwaar weegt als zorgvuldigheidsplichten voor andere rechtssubjecten. De gemeente had en heeft een zorgplicht voor een veilige weg, waarbij zij als wegbeheerster ook rekening moest houden met weggebruikers die mogelijk niet altijd even voorzichtig zijn. Mede tegen deze achtergrond rust volgens ZWN en BBA zonder meer op de medewerker van de strooidienst de plicht om zorgvuldig te strooien. Daaraan is niet voldaan wanneer een gedeelte van de busbaan over een lengte van zo'n 100 meter niet is gestrooid. Voor zover nodig breiden ZWN en BBA de grondslag van hun vordering uit en vullen zij die grondslag aan met het volgende. De politie is op de plaats van het ongeval gekomen nadat de derde autobus op de tweede bus was gebotst en heeft haar surveillancevoertuig niet achter de derde autobus geplaatst noch het zwaailicht van het voertuig in werking gesteld. De politie heeft de haar ter beschikking staande mogelijkheden en middelen dus niet gebruikt om te waarschuwen. Dat levert volgens ZWN en BBA een zelfstandige onzorgvuldigheid en onrechtmatige daad op, waarvoor de gemeente als formele en/of materiële werkgeefster krachtens artikel 6:170 BW aansprakelijk is. Op deze grondslag is de gemeente aansprakelijk voor de gevolgen van de aanrijding van de vierde bus tegen de derde bus. Dit betreft de cascoschade aan de voorzijde van de vierde bus, de cascoschade aan de achterzijde van de derde bus en de letselschade van de passagiere van de derde bus.

3.3. De gemeente betwist de vordering en voert daartoe in de eerste plaats aan dat geen sprake is van een toerekenbare onrechtmatige daad van één van haar ondergeschikten, nu strooiroute 6 vóór de aanrijdingen reeds twee maal door de strooidienst was gereden. Het strooizout heeft echter niet direct effect op de gladheid van het gestrooide weggedeelte maar moet eerst worden ingereden door het passerende verkeer. Subsidiair wijst de gemeente erop dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de betreffende chauffeurs doordat deze niet, althans niet voldoende, hun rijgedrag hebben afgestemd op de geconstateerde gladheid. Bij conclusie van dupliek voegt de gemeente daaraan toe dat zij aan de op grond van artikel 6:174 BW op haar als wegbeheerder rustende zorgplicht heeft voldaan door haar strooidienst in te schakelen en deze strooidienst op de Weg der Verenigde Naties heeft gestrooid. Het beroep op artikel 6:170 BW voor wat betreft de plaatsing van het politievoertuig faalt volgens de gemeente eveneens, nu zij geen werkgeefster van de politie is. Bovendien hebben de betrokken politieambtenaren naar haar mening geen fout gemaakt. De gemeente acht zich derhalve niet aansprakelijk voor de schade die ZWN en BBA als gevolg van de aanrijdingen op 3 februari 1998 hebben geleden.

4. De beoordeling

4.1. Bij mondeling vonnis van 1 februari 2002 zijn ZWN en BBA toegelaten het bewijs te leveren van feiten en omstandigheden, die de conclusie rechtvaardigen dat de gemeente op dinsdagochtend 3 februari 1998 de weg der Verenigde Naties te Utrecht zodanig onzorgvuldig heeft bestrooid tegen gladheid dat zij aansprakelijk kan worden gehouden, en voorts de feiten en omstandigheden waaruit de toedracht van de ongevallen kan worden afgeleid.

4.2. ZWN en BBA hebben daartoe vijf getuigen doen horen, te weten de buschauffeurs [bestuurder 4], [bestuurder 3] en [bestuurder 2], strooiwagenchauffeur [G] en [de expert]. Daarnaast hebben ZWN en BBA bij conclusie van repliek/conclusie na enquête nog de volgende bewijsstukken overgelegd:

- het politieregistratieformulier

- het door [bestuurder 2] ingevulde schadeformulier

- het door [bestuurder 3] ingevulde schadeformulier

- het door [bestuurder 4] ingevulde schadeformulier

- een schriftelijke verklaring van buschauffeur [bestuurder 1] van 9 augustus 2002

- een brief van Connexxion Groep van 18 maart 2002, waarin is vermeld dat op 3 februari 1998 tussen 6.30 en 7.30 uur 18 met name genoemde lijndiensten over de Weg der Verenigde Naties te Utrecht hebben gereden, naast de bussen die, na een rit met passagiers naar Utrecht CS, leeg vanuit Utrecht naar een nieuw vertrekpunt of naar de stalling zijn gereden.

Bij conclusie van eis hadden ZWN en BBA al het rapport van Iteb van 22 december 1998 overgelegd.

4.3. De gemeente heeft in tegenverhoor één getuige voorgebracht, te weten politieambtenaar W.M. van Vliet (hierna: Van Vliet). De gemeente heeft geen bewijsstukken meer in geding gebracht. Eerder in deze procedure had zij al de computergegevens van de strooiroute overgelegd, alsmede kopieën van foto's van de plaats van de aanrijdingen.

4.4. Eensluidend hebben de buschauffeurs [bestuurder 4], [bestuurder 3], [bestuurder 2] en [bestuurder 1] ([bestuurder 4], [bestuurder 3] en [bestuurder 2] zowel schriftelijk als mondeling als getuige, [bestuurder 1] alleen schriftelijk) verklaard dat zij bij het laatste gedeelte van de busbaan van de Weg der Verenigde Naties voor het 24 Oktoberplein in de gemeente Utrecht op 3 februari 1998 om omstreeks 7.30 uur plotseling werden geconfronteerd met extreme gladheid van het wegdek, terwijl van gladheid geen sprake was op het eerder die ochtend door hen met hun bus afgelegde traject binnen de gemeente. [bestuurder 4] en [bestuurder 3] hebben daaraan toegevoegd dat zij niet eerder hadden meegemaakt dat een gedeelte van de busbaan glad was, terwijl de rest van dezelfde busbaan goed berijdbaar was. [bestuurder 2] heeft zelfs verklaard dat hij een dergelijke gladheid in geen 38 jaar had meegemaakt. In zijn niet door de gemeente betwiste schriftelijke verklaring heeft [bestuurder 1] vermeld dat hij zo'n bijzondere gladheid als het geval was op het betreffende gedeelte van de busbaan, alleen had meegemaakt als er niet was gestrooid. Alle chauffeurs hebben eveneens eensluidend verklaard dat zij hun snelheid bij het naderen van de kruising met het 24 Oktoberplein tijdig hadden aangepast en dat hun bussen op het laatste gedeelte van de busbaan plotseling geen grip meer hadden op het wegdek. Uit hun verklaringen leidt de rechtbank af dat er toen op het laatste gedeelte van de busbaan op de Weg der Verenigde Naties voor het 24 Oktoberplein, niet of in ieder geval niet voldoende tegen gladheid was gestrooid, terwijl dat wel het geval was met het overige gedeelte van de eerder door de buschauffeurs afgelegde routes. Deze conclusie strookt met de in het rapport van [de expert] weergegeven bevindingen, die als getuige heeft verklaard dat hij aan dat rapport niets heeft toe te voegen. Ook de verklaring van de in tegenverhoor gehoorde politieambtenaar Van Vliet, die heeft verklaard dat het laatste gedeelte van de busbaan glad was en dat dit niet het geval was met het daarvóór gelegen gedeelte van de busbaan, ondersteunt zelfs dit bewijs.

4.5. [G], de bestuurder van de strooiwagen, heeft aan de hand van de computergegevens verklaard dat de strooimachine gedurende het afleggen van strooiroute 6 niet is uitgezet. Uit de computergegevens van de snelheid van de strooiwagen heeft hij voorts afgeleid dat het toen erg glad geweest moet zijn. Hij had geen concrete herinneringen meer aan de situatie op 3 februari 1998. Meer in het algemeen heeft hij verklaard dat de strooiwagen naar links strooit en dat de strooiwagen bij strooiroute 6 twee maal over de Weg der Verenigde Naties komt, maar alleen de eerste maal over de busbaan. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring het bewijs dat er op de busbaan op het laatste gedeelte van de Weg der Verenigde Naties voor het 24 Oktoberplein niet of niet voldoende tegen gladheid was gestrooid, onvoldoende kan ontzenuwen, ook niet in samenhang met de door de gemeente overgelegde bewijsstukken. De enkele omstandigheid dat de strooimachine de gehele strooiroute heeft aangestaan, behoeft immers, mede gelet op de wijze van strooien, niet te betekenen dat daarmee alle rijstroken van de wegen van deze route (geheel) zijn bestrooid.

4.6. De gemeente heeft in dit verband nog opgemerkt dat het effect van strooien niet direct merkbaar is, omdat het strooizout eerst moet worden ingereden, maar dat verweer moet worden verworpen, nu daarmee niet valt te verklaren dat de busbaan uitsluitend op het laatste gedeelte spiegelglad was. Bovendien blijkt uit de door ZWN en BBA overgelegde brief van Connexxion Groep van 18 maart 2002 dat de betreffende busbaan druk bereden was met ten minste 18 lijnbussen in het uur voor de aanrijdingen.

4.7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat strooiwagenchauffeur [G] in de vroege ochtend van 3 februari 1998 een fout heeft gemaakt door het niet of niet voldoende strooien tegen gladheid van het laatste gedeelte van de busbaan op de Weg der Verenigde Naties voor het 24 Oktoberplein te Utrecht. Voor de gevolgen daarvan is de gemeente als werkgever van [G] aansprakelijk krachtens artikel 6:170 BW. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de gemeente ook krachtens artikel 6:174 BW aansprakelijk is, aangezien het laatste gedeelte van de busbaan op de Weg der Verenigde Naties op dat moment (nog) niet voldeed aan de eisen die de buschauffeurs daaraan onder de gegeven omstandigheden mochten stellen, gelet op hun eerder afgelegde trajecten binnen de gemeente. De sub I door ZWN en BBA gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar.

4.8. Op grond van de verklaringen van de betreffende buschauffeurs acht de rechtbank tevens bewezen dat deze hun rijgedrag op het laatste gedeelte van de busbaan van de Verenigde Naties voldoende hebben afgestemd op de situatie die zij op grond van de daarvoor door hen afgelegde route in Utrecht mochten verwachten en dat zij de aanrijdingen niet hebben kunnen voorkomen. Van eigen schuld aan de zijde van de buschauffeurs is derhalve geen sprake.

4.9. Na de onderbouwing door ZWN en BBA van de door hen gevorderde cascoschaden, inclusief bedrijfschade, en expertisekosten met bewijsstukken heeft de gemeente zich slechts alle rechten voorbehouden met betrekking tot de omvang van de gevorderde schade, met name de letselschade. Nu deze letselschade niet in deze procedure wordt gevorderd, dient het verweer van de gemeente met betrekking tot de gevorderde schade als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen. De sub II en III gevorderde bedragen van ƒ 36.660,74, ofwel € 16.635,92, en ƒ 42.052,81, ofwel € 19.082,73, zijn derhalve toewijsbaar, evenals de niet weersproken wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 1998.

4.10. Haar verweer tegen de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft de gemeente na de gemotiveerde toelichting daarbij door ZWN en BBA niet gehandhaafd, zodat ook het sub III gevorderde bedrag van ƒ 3.400,00, ofwel € 1.542,85, toewijsbaar is, evenals de niet weersproken wettelijke rente daarover van de dag der dagvaarding, 10 augustus 2001.

4.11. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de gemeente worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. verklaart voor recht dat de gemeente jegens ZWN en BBA aansprakelijk is voor het verkeersongeval van 3 februari 1998;

5.2. veroordeelt de gemeente om aan ZWN te betalen een bedrag van € 16.635,92 (ZESTIENDUIZEND EN ZESHONDERDVIJFENDERTIG EURO EN TWEEENNEGENTIG EUROCENT), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3. veroordeelt de gemeente om aan BBA te betalen een bedrag van € 19.082,73 (NEGENTIENDUIZEND EN TWEEENTACHTIG EURO EN DRIEENZEVENTIG EUROCENT), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4. veroordeelt de gemeente om daarnaast aan ZWN en BBA te betalen een bedrag van € 1.542,85 (VIJFTIENHONDERD EN TWEEENVEERTIG EURO EN VIJFENTACHTIG EUROCENT), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5. veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ZWN en BBA begroot op € 964,73 aan verschotten en op € 2.495,00 aan salaris procureur;

5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 23 juli 2003.

w.g. griffier w.g. rechter