Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AH8915

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-07-2003
Datum publicatie
01-07-2003
Zaaknummer
16/350256-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 10 maart 2003 samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan de uitvoer van een grote hoeveelheid cocaïne.

Verdachte heeft verklaard dat hij XTC-pillen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en aanwezig heeft gehad. Uit de stukken blijkt echter niet dat deze pillen de stoffen MDMA en/of MDEA bevatten als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/350256-03

Datum uitspraak: 1 juli 2003

Tegenspraak

Raadsman: mr. A. Klaassen

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Arnhem, HvB Arnhem Noord De Berg te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten voorzover betrekking hebbend op de XTC-pillen heeft begaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij XTC-pillen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en aanwezig heeft gehad. Uit de stukken blijkt echter niet dat deze pillen de stoffen MDMA en/of MDEA bevatten als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De raadsman heeft ter zitting met betrekking tot cocaïne aangevoerd dat expliciet op een objectieve wijze moet blijken dat de verdovende middelen, waar de tenlastelegging betrekking op heeft, ook daadwerkelijk middelen zijn die op de bij de Opiumwet behorende lijst I zijn opgenomen. De raadsman heeft bepleit dat in het onderhavige geval bij geen enkel transport van cocaïne is komen vast te staan dat het daadwerkelijk om cocaïne handelde en dat derhalve niet tot een bewezenverklaring gekomen kan worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Anders dan bij XTC, staat het middel cocaïne als zodanig vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Op grond van de in het dossier aanwezige stukken en uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en aanwezig heeft gehad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het overige onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen voor het overige onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet (oud) gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet (oud) gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachte heeft zich in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 10 maart 2003 samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan de uitvoer van een grote hoeveelheid cocaïne. De cocaïne werd in de gereedschapkist van de door verdachte bestuurde vrachtwagen verstopt en aldus vanuit diverse plaatsen in Nederland naar Groot-Brittannië getransporteerd.

- Verdachte heeft door zijn handelwijze de internationale handel in verdovende middelen bevorderd en aldus de gezondheid van anderen in gevaar gebracht. Van cocaïne is algemeen bekend dat deze drug verslavend werkt en voor de gezondheid van gebruikers daarvan een zeer schadelijke stof is. Bovendien is de handel in, en het gebruik van cocaïne bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Verdachte heeft de maatschappij bewust aan deze risico's blootgesteld en vorenstaande handelingen verricht om er financieel beter van te worden. De rechtbank neemt hierbij evenwel in aanmerking dat hij slechts eenmaal een geringe beloning heeft ontvangen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 20 maart 2003, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Arnhem, d.d. 12 juni 2003, opgemaakt door mevrouw L. in 't Hout, reclasseringswerker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten (voorzover betrekking hebbend op de cocaïne) wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

De rechtbank acht, gelet op de aard en de ernst van voormelde feiten en rekening houdend met de persoon van verdachte, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een rugzak;

- twee telefoons;

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 10 van de Opiumwet (oud).

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 30 MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Stichting Reclassering Nederland, Unit Arnhem te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de rugzak en de twee mobiele telefoons aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mrs J.R. Krol, voorzitter,

F.D.M. Aardema en N.J. van Weelden-de Ruijter, rechters,

bijgestaan door mr. A. van Beek, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2003.

Mr. N.J. van Weelden-de Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.