Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AH8738

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
152853/HAZA 02-2026
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aangezien Rialto zich, als (oorspronkelijk) eisende partij, beroept op het feit dat de Auto op 19 mei 1999 niet bij haar verzekerd was, draagt zij de bewijslast daarvan. Uit de stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken kan zulks niet voldoende worden afgeleid. Nu [eiser in het verzet] gemotiveerd heeft betwist dat de Auto pas op 21 mei 1999 bij Rialto was verzekerd en Rialto zelf 18 mei 1999 als ingangsdatum van de verzekering aan de RDW heeft gemeld, zal de Rechtbank Rialto derhalve toelaten haar stelling dienaangaande te bewijzen.

Indien Rialto mocht slagen in het haar hierboven onder 4.5 opgedragen bewijs is haar vordering op [eiser in het verzet] in beginsel toewijsbaar. In dat geval zal de door [eiser in het verzet] verzochte ontheffing van de tegen hem uitgesproken veroordeling afgewezen dienen te worden. Alsdan staat immers vast dat Rialto een uitkering heeft gedaan aan de door [eiser in het verzet] benadeelde partijen, terwijl [eiser in het verzet] op het moment van het schadetoebrengende feit niet bij Rialto verzekerd was. Als gevolg van de door Rialto gedane uitkeringen is zij ten opzichte van [eiser in het verzet] verarmd, terwijl [eiser in het verzet] dientengevolge ten koste van Rialto is verrijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser],

wonende te Maarssen,

e i s e r in het verzet,

oorspronkelijk gedaagde, hierna te noemen: [eiser in het verzet],

procureur: mr. O.P. van der Linden,

- t e g e n -

de naamloze vennootschap

Rialto Verzekeringen N.V.,

gevestigd te Rijswijk,

g e d a a g d e in het verzet,

oorspronkelijk eiseres, hierna te noemen Rialto,

procureur: mr. H.C.E. de Vries

1.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 25 januari 2002 met daarbij horende producties;

- verstekvonnis, op 6 maart 2002 door deze rechtbank onder rolnummer 141310/HA ZA 02-273 uitgesproken tussen Rialto als eiseres en [eiser in het verzet] als gedaagde;

- de verzetdagvaarding van 15 oktober 2002;

- de akte uitlaten bewijs en getuigen;

- conclusie van antwoord in oppositie;

- conclusie van repliek in oppositie.

Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd.

2.

De feiten

Aan de beoordeling van het geschil tussen partijen legt de Rechtbank de volgende, relevante en vaststaande, feiten ten grondslag:

2.1

[Eiser in het verzet] heeft op 19 mei 1999 een aanrijding veroorzaakt met zijn auto, een Opel met het kenteken XG-91-XF, hierna te noemen: "de Auto". Bij deze aanrijding zijn een tweetal personenauto's (merk Masarati, kenteken TB-LT-34 en merk Mazda, kenteken XS-RR-97) beschadigd geraakt.

2.2

De eigenaren van de beschadigd geraakte personenauto's hebben schade geleden, voor welke schade [eiser in het verzet] aansprakelijk is.

2.3

Rialto is door de benadeelde partijen aangesproken tot betaling van de door deze geleden schade ten bedrage van € 8.663,66.

2.4

[Eiser in het verzet] had bij Rialto een autoverzekering met polisnummer 1004478. Bij brief van 18 mei 1999 heeft [het assurantiekantoor] namens [eiser in het verzet] een auto- en adreswijziging aan Rialto doorgegeven met betrekking tot de Auto.

2.5

Ten tijde van de hierboven genoemde wijziging was [eiser in het verzet] werkzaam als vennoot van Financieel Advies Buro W & S/[het assurantiekantoor].

2.6

Bij brief van 20 mei 1999 heeft [het assurantiekantoor] het in kwestie zijnde schadegeval middels een aanrijdings-formulier gemeld bij Rialto.

2.7

Bij brief van 1 juli 1999 heeft Rialto aan [het assurantiekantoor] (onder andere) laten weten dat aan [het assurantiekantoor] geen dekkingsbevoegdheid is verleend.

2.8

Bij brief van 2 juli 1999 heeft Rialto aan [het assurantiekantoor] laten weten dat dekking voor het schadegeval in kwestie wordt afgewezen, omdat de dekking pas met ingang van 21 mei 1999, de datum van ontvangst van de verzochte wijziging op de polis, van kracht is.

2.9

Bij brieven van 11 april 2000 en 20 december 2000 van Blume Stolker & Roel gerechtsdeurwaarders is [eiser in het verzet] namens Rialto gesommeerd om binnen 8 dagen respectievelijk (aan hoofdsom) ƒ 3700,19 en ƒ 15.407,73 te voldoen.

2.10

Bij brief van 28 december 2000 heeft [eiser in het verzet] aan Rialto laten weten dat hij de vordering van Rialto niet zou voldoen, omdat [het assurantiekantoor] als tussenpersoon wel dekkingsbevoegdheid bezat.

2.11

Met ingang van 18 mei 1999 is Rialto bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer ("RDW") geregistreerd als verzekeraar van de Auto van [eiser in het verzet].

3.

De vordering en het verweer

3.1

[Eiser in het verzet] vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hem te ontheffen van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij voormeld vonnis van deze Rechtbank van 6 maart 2002, tussen Rialto als eiseres en hem als gedaagde gewezen in het geding met het rolnummer 141310/HA ZA 02-273, met veroordeling van Rialto in de kosten van het verzet.

3.2

Rialto voert verweer tegen de vordering van [eiser in het verzet]. Zij verzoekt de Rechtbank primair [eiser in het verzet] in zijn verzet niet ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt Rialto de Rechtbank om [eiser in het verzet] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 10.193,03, vermeerderd met de wettelijke rente over € 8.663,66 vanaf 22 januari 2002 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [eiser in het verzet] in de kosten van de hoofdprocedure en de kosten van het verzet. In het door Rialto gevorderde bedrag is begrepen een bedrag van € 663,00, vermeerderd met een bedrag van € 125,97 voor Rialto niet te verrekenen BTW, ter zake buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

Hierna zal de Rechtbank voor zover nodig ingaan op de stellingen van partijen.

4.

De beoordeling

4.1

De Rechtbank zal in eerste instantie beoordelen of [eiser in het verzet] in het door hem gedane verzet kan worden ontvangen. Uit de stellingen van [eiser in het verzet] alsmede uit de door hem in het geding gebrachte stukken volgt naar het oordeel van de Rechtbank dat [eiser in het verzet] eerst op 2 oktober 2002 kennis heeft genomen van het verstekvonnis waarvan verzet. Een eerdere daad van bekendheid als bedoeld in artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is door Rialto niet gesteld en is evenmin overigens gebleken. Uit het voorgaande volgt dat [eiser in het verzet] tijdig verzet heeft gedaan.

4.2

Rialto baseert haar -bij verstekvonnis waarvan verzet toegewezen- vordering op ongerechtvaardigde verrijking van [eiser in het verzet]. Rialto stelt dat zij zonder rechtsgrond een schadebedrag van € 8.663,66 heeft moeten voldoen aan de door [eiser in het verzet] benadeelde partijen. Het ontbreken van de rechtsgrond is -aldus Rialto- gelegen in het feit dat de Auto van [eiser in het verzet] op het moment van de aanrijding op 19 mei 1999 niet bij haar was verzekerd.

4.3

[Eiser in het verzet] stelt daartegenover dat hij de Auto op 18 mei 1999 via zijn tussenpersoon, [het assurantiekantoor], heeft aangemeld bij Rialto. [eiser in het verzet] heeft de wijzigingen op de autoverzekering aan [het assurantiekantoor] doorgegeven en heeft desgevraagd van [het assurantiekantoor] begrepen dat de wijzigingen zouden worden doorgevoerd en dat hij tot die tijd een voorlopige dekking had.

4.4

Rialto stelt dat de Auto eerst met ingang van 21 mei 1999 bij haar verzekerd is omdat zij eerst op deze datum de brief met bijlage van [het assurantiekantoor] van 18 mei 1999 heeft ontvangen. Vervolgens heeft een medewerker van Rialto op 21 mei 1999 bij de RDW gemeld dat Rialto de verzekeraar was van de Auto. Volgens Rialto is bij deze melding abusievelijk de ingangsdatum van 18 mei 1999 gemeld omdat die datum op het wijzigingsformulier staat vermeld. Rialto stelt daarnaast dat aan [het assurantiekantoor] geen bevoegdheid toekwam om de Auto namens Rialto in voorlopige dekking te nemen.

4.5

Aangezien Rialto zich, als (oorspronkelijk) eisende partij, beroept op het feit dat de Auto op 19 mei 1999 niet bij haar verzekerd was, draagt zij de bewijslast daarvan. Uit de stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken kan zulks niet voldoende worden afgeleid. Nu [eiser in het verzet] gemotiveerd heeft betwist dat de Auto pas op 21 mei 1999 bij Rialto was verzekerd en Rialto zelf 18 mei 1999 als ingangsdatum van de verzekering aan de RDW heeft gemeld, zal de Rechtbank Rialto derhalve toelaten haar stelling dienaangaande te bewijzen.

4.6

Indien Rialto mocht slagen in het haar hierboven onder 4.5 opgedragen bewijs is haar vordering op [eiser in het verzet] in beginsel toewijsbaar. In dat geval zal de door [eiser in het verzet] verzochte ontheffing van de tegen hem uitgesproken veroordeling afgewezen dienen te worden. Alsdan staat immers vast dat Rialto een uitkering heeft gedaan aan de door [eiser in het verzet] benadeelde partijen, terwijl [eiser in het verzet] op het moment van het schadetoebrengende feit niet bij Rialto verzekerd was. Als gevolg van de door Rialto gedane uitkeringen is zij ten opzichte van [eiser in het verzet] verarmd, terwijl [eiser in het verzet] dientengevolge ten koste van Rialto is verrijkt.

4.7

Rialto stelt dat zij aan de benadeelde partijen een bedrag van € 8.663,66 heeft uitgekeerd. Zij heeft dit bedrag, mede aan de hand van door haar in het geding gebrachte producties, gespecificeerd. [eiser in het verzet] heeft de hoogte van het bedrag niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist, zodat het bedrag in beginsel toewijsbaar is. Wel heeft [eiser in het verzet] erop gewezen dat Rialto geen bewijs heeft geleverd van het feit dat zij genoemd bedrag ook daadwerkelijk aan de benadeelde partijen heeft betaald. De Rechtbank zal Rialto derhalve eveneens toelaten dit bewijs te leveren.

4.8

[eiser in het verzet] heeft zich ten aanzien van de door Rialto gevorderde buitengerechtelijke incassokosten slechts op het standpunt gesteld dat deze niet verschuldigd zijn, nu de door Rialto gedane uitkering krachtens rechtsgeldige verzekeringsovereenkomst zijn gedaan. Alhoewel [eiser in het verzet] de hoogte van de door Rialto gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet heeft betwist, constateert de Rechtbank dat van de incassoactiviteiten van Rialto niet meer blijkt dan twee brieven van de door haar ingeschakelde deurwaarder aan [eiser in het verzet]. Mede gelet op de aanbevelingen van de werkgroep Voor-Werk II zal de Rechtbank Rialto derhalve in de gelegenheid stellen het door haar gevorderde bedrag van € 663,00 (ex BTW) te specificeren.

4.9

Rialto vordert wettelijke rente met ingang van de datum van verzuim, zijnde volgens haar 28 december 2000. Blijkens de door Rialto in het geding gebrachte productie 4 heeft [eiser in het verzet] bij brief van deze datum aan Rialto laten weten dat hij de vordering van Rialto niet zou voldoen. Nu genoemde brief van [eiser in het verzet] een reactie vormde op een namens Rialto aan hem gerichte sommatie tot betaling, is de Rechtbank van oordeel dat [eiser in het verzet] met ingang van 28 december 2000 in verzuim is, indien en voor zover Rialto mocht slagen in het haar hierboven onder 4.5 en 4.7 opgedragen bewijs.

5.

De beslissing

De rechtbank:

5.1.

Laat Rialto toe tot het leveren van het bewijs als bedoeld in 4.5, 4.7 en 4.8;

5.2.

Bepaalt dat, als Rialto het bewijs door middel van getuigen wil leveren, de getuigenverhoren zullen worden gehouden voor het lid van deze rechtbank mr. B.J.M.P. Cremers op maandag 18 augustus 2003 te 09.30 uur in het gebouw van deze rechtbank, Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht;

5.3.

Bepaalt dat de partij die op dit tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de secretaresse (mevrouw H. Alberts, kamer B2-12) van mr. B.J.M.P. Cremers om een nadere dagbepaling dient te vragen, zulks onder opgave van verhinderdata van beide partijen;

5.4.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 25 juni 2003.

w.g. griffier w.g. rechter