Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF9373

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
02-06-2003
Zaaknummer
131688/HAZA 01-1215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Zaaknr/rolnr 131688/HAZA 01-1215 LvR 28 mei 2003

VONNIS

van de rechtbank Utrecht,

enkelvoudige kamer voor de

behandeling van burgerlijke zaken,

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap

EWR Netbeheer B.V.,

gevestigd te Leiden,

2. de naamloze vennootschap

Noord West Net N.V.,

gevestigd te Haarlem,

3. de naamloze vennootschap

N.V. Continuon Netbeheer,

gevestigd te Arnhem,

4. de besloten vennootschap

Essent Netwerk Brabant B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

5. de besloten vennootschap

Essent Netwerk Limburg B.V.,

gevestigd te Landgraaf,

6. de naamloze vennootschap

Essent Netwerk Noord N.V.,

gevestigd te Groningen,

7. de besloten vennootschap

Eneco Netbeheer B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

8. de besloten vennootschap

Netbeheer Midden-Holland B.V.,

gevestigd te Gouda,

9. de besloten vennootschap

Edelnet Delfland B.V.,

gevestigd te Delft,

10. de besloten vennootschap

Elektriciteitsbeheer Utrecht B.V.,

gevestigd te Utrecht,

11. de besloten vennootschap

Delta Netwerkbedrijf B.V.,

gevestigd te Middelburg,

e i s e r e s s e n,

hierna gezamenlijk te noemen de netbeheerders,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaten: mr. P. Glazener en

mr. drs. J.E. Janssen te Amsterdam,

- t e g e n -

1. de besloten vennootschap

NS Railinfrabeheer B.V.,

(thans ook geheten ProRail),

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

2. de besloten vennootschap

NS Reizigers B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

g e d a a g d e n,

hierna afzonderlijk te noemen respectievelijk NSRIB en NSR en gezamenlijk te noemen NS,

procureur: mr. A. van Boulogne,

advocaat: mr. M.R. het Lam te 's-Gravenhage.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- een conclusie van eis overeenkomstig de op 6 juni 2001 van de zijde van de netbeheerders uitgebrachte dagvaarding;

- een conclusie van antwoord van de zijde van NS;

- een conclusie van repliek van de zijde van de netbeheerders;

- een conclusie van dupliek van de zijde van NS;

- een akte kennisgeving van de zijde van NS;

- een akte uitlating producties van de zijde van de netbeheerders.

1.2

Ter zitting van 20 februari 2003 heeft mr. drs. J.E. Jansen, onder overlegging van pleitaantekeningen, de zaak namens de netbeheerders bepleit. Voorts is van de zijde van de netbeheerders ten behoeve van het pleidooi een akte overlegging producties genomen.

Vervolgens heeft mr. M.R. het Lam, onder overlegging van pleitaan-tekeningen, de zaak namens NS bepleit.

1.3

Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1

De netbeheerders, die op grond van het bepaalde in artikel 16 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna te noemen de E-wet) belast zijn met -voor zover hier van belang- de aansluiting en het transport van elektriciteit over hun respectieve elektriciteitsnetten, hebben ten behoeve van NS die diensten uitgevoerd.

2.2

De tarieven die de netbeheerders voor de door hun geleverde diensten aan derden in rekening brengen worden overeenkomstig het bepaalde in de E-wet vastgesteld door de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht Energie (hierna te noemen de directeur Dte), zulks aan de hand van de in de TarievenCode vastgelegde uitgangspunten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen het aansluittarief en het transporttarief, welk laatste tarief dient ter dekking van de kosten van de door de netbeheerder beheerde infrastructuur voor zover deze kosten geen deel uitmaken van de aansluitkosten (artikel 3.2.1 TarievenCode).

2.3

De netbeheerders hebben in verband met de door hun aan NS geleverde diensten facturen verzonden aan NSR.

2.4

Sedert 1 januari 2000 heeft NS de door de netbeheerders gefactureerde bedragen niet volledig voldaan.

3. De vordering en het verweer

3.1

De vordering van de netbeheerders strekt ertoe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, NS zal veroordelen:

1. tot betaling van ƒ 24.311.178,76 (zijnde het door NS over het jaar 2000 ingehouden bedrag), te vermeerderen met de vanaf 1 januari 2001 op dezelfde grondslag maandelijks door NS ingehouden bedragen terzake van de levering van aansluit- en transportdiensten door de netbeheerders en de wettelijke rente daarover vanaf de datum van opeisbaarheid van de respectieve maandfacturen tot aan de dag van voldoening;

2. in de kosten van dit geding.

3.2

De netbeheerders leggen aan hun vordering ten grondslag, dat NS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen jegens de netbeheerders, nu zij weigerachtig blijven de factureerde bedragen, die overeenkomstig de door de directeur Dte vastgestelde tarieven zijn opgesteld, volledig aan hen te voldoen.

3.3

NS hebben tegen het door de netbeheerders gevorderde verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring in, dan wel afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de netbeheerders in de kosten van dit geding.

3.4

NS betwisten dat zij gehouden zijn nog enig bedrag aan de netbeheerders te voldoen, aangezien de door de netbeheerders gefactureerde bedragen door de netbeheerders berekend zijn in strijd met het bepaalde in de E-wet en de door de directeur Dte geformuleerde uitgangspunten.

3.5

Op de overige stellingen en verweren van partijen zal de rechtbank -voor zover nodig- hierna ingaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil of de netbeheerders al dan niet overeenkomstig het bepaalde in de E-wet en de door de directeur Dte op basis van de Tarievencode vastgestelde tarieven gefactureerd hebben aan NS.

4.2

Van de zijde van de netbeheerders is betoogd, dat NS per netbeheerder meerdere aansluitingen op het net heeft en overeenkomstig dat aantal aansluitingen en conform de vastgestelde tarieven is gefactureerd.

NS betogen daarentegen, dat er slechts van één aansluiting op het net per netbeheerder sprake is en dat overeenkomstig dat aantal aansluitingen had moeten worden gefactureerd.

4.3

Het kerngeschil tussen partijen is dan ook wat dient te worden verstaan onder "aansluiting" als bedoeld in artikel 1 lid 1 aanhef en onder b van de E-wet.

4.4

Voormeld artikellid bepaalt, dat onder aansluiting moet worden verstaan één of meer verbindingen tussen een net en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet waardering onroerende zaken, dan wel tussen een net en een ander net op een ander spanningsniveau.

4.5

Blijkens de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 621, nr. 7, pag. 75) heeft de toenmalige Minister van Economische Zaken op verzoek van leden van de CDA-fractie en de VVD-fractie de definitie van "aansluiting" afgestemd met dezelfde definitie in de Wet belastingen op milieugrondslag (de regulerende energiebelasting) en is in het kader daarvan ook in de E-wet de verwijzing naar artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken opgenomen, zodat de definities materieel dezelfde betekenis zouden krijgen.

Welke materiële betekenis daaraan moet worden gegeven, blijkt evenwel niet uit hetgeen de Minister van Economische Zaken tijdens de behandeling van het wetsontwerp heeft opgemerkt en blijkt ook overigens niet uit de parlementaire geschiedenis.

4.6

Voor de beantwoording van de vraag welke betekenis aan "aansluiting" als bedoeld in artikel 1 lid 1 aanhef en onder b van de E-wet, moet worden toegekend, dient dan ook, nu de parlementaire geschiedenis op dit punt onvoldoende aanknopingspunten biedt, aansluiting te worden gezocht bij hetgeen de (directeur) Dte daaromtrent kenbaar heeft gemaakt.

Immers, op grond van het bepaalde in artikel 5 van de E-wet is de Dte de autoriteit die tot taak heeft de werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de uitvoering van de E-wet.

4.7

De Dte heeft op haar website antwoorden gepubliceerd op de "Frequently Asked Questions", waarvan een afschrift als productie 16 bij de conclusie van eis door de netbeheerders is overgelegd.

De antwoorden die zien op de vragen over de technische voorwaarden behelzen -voor zover hier van belang-:

(...)

De Aansluiting

14. Uit welke componenten bestaat een aansluiting?

De aansluiting is de verbinding tussen het net en de installatie van een aangeslotene op zijn onroerende zaak (art.1, lid 1, sub b Elektriciteitswet). De aansluiting bestaat uit drie delen te weten: het netaansluitpunt ("knip in het net"), het overdrachtspunt op de onroerende zaak en de verbinding daartussen. De netbeheerder moet in de aansluiting voorzieningen treffen om zijn net te beveiligen en beveiligd te houden (art. 25a, lid 1, sub b. Elektriciteitswet).

15. Wat is het netaansluitpunt en waar ligt dat?

Het netaansluitpunt is de fysieke verbinding van de aansluiting met het net van de netbeheerder (het punt waar openbaar overgaat in individueel).

(...)

4.8

Uit de hiervoor onder 4.7 geformuleerde antwoorden van de Dte blijkt, dat de aansluiting uit drie delen bestaat, te weten het aansluitpunt op het net, het overdrachtpunt op de onroerende zaak en de verbinding daartussen.

Daarbij kan, zoals ook tussen partijen niet in geschil is, sprake zijn van meer verbindingen (en/of meervoudige verbindingen) tussen het netaansluitpunt en het overdrachtspunt op de onroerende zaak.

Dit betekent echter niet, zoals door NS is gesteld, dat er per netbeheerder slechts één aansluiting is op de onroerende zaak (de spoorweginfra-structuur) van NS.

Zoals uit het hiervoor vermelde blijkt, is immers niet het aantal (meervoudige)verbindingen op de onroerende zaak uitgangspunt voor beantwoording van de vraag hoeveel aansluitingen de onroerende zaak op het net heeft, maar het netaansluitpunt (de knip in het net), dat wil zeggen de fysieke verbinding van de aansluiting met het net van de netbeheerder (het punt waar openbaar overgaat in individueel).

Dat, zoals door NS is gesteld, de Dte inmiddels een ander standpunt zou hebben ingenomen als hiervoor verwoord, is niet gebleken.

Dit blijkt ook niet uit de door NS voor het pleidooi als productie 12 in het geding gebrachte Evaluatie Tarievencode van januari 2003.

Daarin wordt (onder 4.2.2) slechts door de Dte geconstateerd dat van meerdere verbindingen met het net sprake kan zijn.

4.9

Aan de door NS als productie 1 bij de conclusie van antwoord overgelegde brief namens het Ministerie van Financiën, kan dan ook voor beantwoording van de vraag wat onder "aansluiting" in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onder b van de E-wet moet worden verstaan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

De omstandigheid dat de (loco) directeur van het Centrum voor proces- en productontwikkeling, namens de staatssecretaris van Financiën, zich op het standpunt stelt dat het spoorwegnet, gelet op de definitie van "aansluiting" in artikel 36a, onderdeel f van de Wet belastingen op milieugrondslag, als één onroerende zaak moet worden aangemerkt, en de leveringen van elektriciteit voor de voortbeweging van de treinen en voor de wissels, de overwegen, de rangeerterreinen, de omroepinstallaties, de vertrekstaten, de verlichting, de seinen, de klokken, de roltrappen, de liften en de tankplaten als levering van elektriciteit via één aansluiting moet worden aangemerkt, brengt dat niet mee.

De (loco) directeur van het Centrum voor proces- en productontwikkeling, geeft aan het begrip "aansluiting" in artikel 36a, onderdeel f van de Wet belastingen op milieugrondslag kennelijk een andere uitleg dan de (directeur) Dte aan het begrip "aansluiting" als bedoeld in artikel 1 lid 1 aanhef en onder b van de E-wet.

De rechtbank zal evenwel, gelet op het hiervoor onder 4.6 reeds overwogene, het door de (directeur) Dte ingenomen standpunt volgen.

Dat in het kader van voormelde belastingheffing het spoorwegnet als één onroerende zaak moet worden aangemerkt en ten aanzien daarvan slechts van één aansluiting sprake is, wil immers, mede bezien in het licht van het hiervoor overwogene, nog niet zeggen dat in het kader van contractuele betalingen voor het verrichten van diensten op basis van de E-wet ten aanzien van de spoorweginfrastructuur ook van één aansluiting als bedoeld in de E-wet sprake is, zoals door NS is betoogd.

4.10

Het hiervoor overwogene leidt er dan ook toe, dat de netbeheerders per netaansluitpunt (de knip in het net) de door de directeur Dte vastgestelde tarieven terecht bij NS in rekening hebben kunnen brengen.

4.11

De vraag of NS mocht overgaan tot aanpassing van de door de netbeheerders verzonden facturen door toepassing van een eigen berekening van het gecontracteerd vermogen en het piekvermogen uitgaande van de gelijktijdige belasting in het hele gebied van de netbeheerders in plaats van per aansluiting (het zogenoemde sommeren), moet bezien in het licht van het hiervoor overwogene, ontkennend beantwoord worden.

NS leggen in haar conclusie van dupliek onder 57 en volgende en onder 113 aan hun stelling op dit punt immers ten grondslag, dat sprake is van meerdere verbindingen.

Het uitgangspunt dient evenwel, zoals hiervoor overwogen, het netaansluitpunt te zijn.

4.12

Nu NS geen gemotiveerd verweer hebben gevoerd tegen het door de netbeheerders gehanteerde aantal netaansluitpunten (knippen in het net) en de door de directeur Dte vastgestelde tarieven, zijn NS gehouden de door de netbeheerders conform die vastgestelde tarieven gefactureerde bedragen volledig te voldoen.

4.13

Van de zijde van NS is nog aangevoerd, dat het transporttarief op grond van de E-wet niet bij NSRIB, maar bij de (afzonderlijke) spoorwegvervoerders in rekening moet worden gebracht.

4.14

Artikel 1 lid 1 onder aanhef en c van de E-wet bepaalt dat onder afnemer moet worden verstaan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die beschikt over een aansluiting op het net.

Zoals hiervoor is overwogen beschikt NSRIB over aansluitingen op het net en zij moet dan ook als afnemer in de zin van artikel 1 lid 1 onder aanhef en c van de E-wet worden aangemerkt.

NS stelt ook zelf in haar conclusie van antwoord onder 50 dat NSRIB (en ook NSR) moet worden aangemerkt als afnemer in de zin van de E-wet.

Bovendien blijkt uit het door NS gestelde in haar conclusie van dupliek onder 99 e.v., dat zij zelf zich ook op het standpunt stelt dat indien er sprake is van een aansluiting op het net degene die daarover beschikt als afnemer aangemerkt moet worden.

De omstandigheid, dat NS bij brief van 9 mei 2001 (als productie 13 bij conclusie van eis overgelegd) de netbeheerders zelf heeft verzocht de facturen aan NSR te doen toekomen, maakt dit niet anders.

Het staat NSRIB immers vrij in haar contractsverhouding met de netbeheerders een derde aan te wijzen die voor de betaling van de facturen zal zorgdragen.

Uit de als productie 7 bij de conclusie van eis overgelegde brief van NSRIB d.d. 20 december 1999 blijkt daarenboven dat NSRIB zelf zich in aanvang op het standpunt heeft gesteld, dat NSRIB contractspartij is van de netbeheerders. De netbeheerders konden dan ook op grond van het bepaalde in artikel 29 lid 2 van de E-wet het transporttarief bij NSRIB in rekening brengen.

Het hiervoor vermelde in aanmerking nemend, is NSRIB dan ook gehouden de gefactureerde bedragen aan de netbeheerders volledig te voldoen.

Dat op 3 september 2002 door de Minister van Economische Zaken aan NSRIB een ontheffing in de zin van artikel 15 van de E-wet is verleend, kan niet tot een andere conclusie leiden.

Immers, zoals blijkt uit de Evaluatie TarievenCode van januari 2003 (nr. 199) heeft de (directeur) Dte zich op het standpunt gesteld, dat private netten hetzelfde dienen te worden behandeld als andere aangeslotene met meerdere verbindingen. Geconcludeerd moet dan ook worden, dat ook een particuliere netbeheerder als "afnemer" als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder aanhef en c van de E-wet moet worden aangemerkt.

De door NS naar voren gebrachte interpretatie van de wet(sgeschiedenis) op grond waarvan zij tot de conclusie komt dat als "afnemer "als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder aanhef en c van de E-wet moet worden verstaan de (afzonderlijke) spoorwegvervoerders, aan wie de netbeheerders op grond van het bepaalde in artikel 29 lid 2 van de E-wet het transporttarief in rekening dienen te brengen, vindt onvoldoende steun in de wet en de parlementaire geschiedenis.

4.15

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de vordering tegen NSRIB moet worden toegewezen.

Feiten en/of omstandigheden op grond waarvan de rechtbank NSR als afnemer in de zin van de E-wet of als contractspartij kan aanmerken, zijn niet gebleken, zodat de vordering tegen NSR moet worden afgewezen.

4.16

Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft, het hiervoor overwogene in aanmerking genomen, geen verdere bespreking meer.

4.17

NSRIB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1

veroordeelt NSRIB tot betaling aan de netbeheerders van €euro 11.031.931,95 (ƒ 24.311.178,76) -zijnde het door NSRIB over het jaar 2000 ingehouden bedrag-, te vermeerderen met de vanaf 1 januari 2001 op dezelfde grondslag maandelijks door NSRIB ingehouden bedragen terzake van de levering van aansluit- en transportdiensten door de netbeheerders, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van opeisbaarheid van de respectieve maandfacturen tot aan de dag van voldoening;

5.2

veroordeelt NSRIB in de proceskosten aan de zijde van de netbeheerders gevallen, tot op deze uitspraak begroot op €euro 3.472,95 aan verschotten en op euro€ 12.456,-- voor procureursalaris;

5.3

verklaart de onderdelen 5.1 en 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.C. Haasnoot en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 28 mei 2003.

zaaknr/rolnr 131688/HAZA 01-1215 LvR 28 mei 2003 9