Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF9252

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
16/028075-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/028075-02

Datum uitspraak: 28 mei 2003

Tegenspraak

Raadsman: mr. A.R. van Roo

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 2 ten laste gelegde feit ter terechtzitting toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1

Medeplegen van poging tot oplichting;

Ten aanzien van feiten 2 en 3

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- het hierna te noemen, door de verdachte ter terechtzitting en tegenover de politie erkende, (ad informandum gevoegde) feit, dat door de officier van justitie ter bepaling van de strafmaat bij de ten laste gelegde feiten is gevoegd;

- de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van de verdachte.

Nu de officier van justitie te kennen heeft gegeven dat het door de verdachte erkende ad informandum gevoegde feit onder de aandacht van de rechter zal worden gebracht en dat de verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd, zal de rechtbank rekening houden met het ad informandum gevoegde feit, zoals vermeld in bijlage IV, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot oplichting en medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Met deze feiten waren grote geldbedragen gemoeid, afkomstig van personen die door hun hoge leeftijd als een makkelijke prooi konden worden bestempeld.

Door het wekken van vertrouwen en het doen voorkomen of de financiële situatie van het slachtoffer terzake van de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten slecht zou zijn, is van de kwetsbare positie waarin deze persoon verkeerde op schandelijke wijze misbruik gemaakt.

Voorts hebben verdachte en zijn medeverdachte(n) bij het slachtoffer inzake het onder 2 bewezenverklaarde feit doen voorkomen dat zijn huis verbouwd en opgeknapt moest worden voor een prijs die vele malen te hoog was voor het werk dat daartoe diende te worden verricht.

Met name de gewetenloosheid waarmee verdachte en zijn medeverdachte(n) te werk gingen weegt voor de rechtbank zwaar.

De bewezenverklaarde feiten brengen in de maatschappij in het algemeen en bij slachtoffers van dergelijke feiten in het bijzonder gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 13 december 2002, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 10 maart 2003, opgemaakt door mevrouw M. Schram, reclasseringswerkster.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, gelet op de aard en de ernst van voormelde feiten en rekening houdend met de persoon van verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- [inbeslaggenomen goederen]

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De vordering van de benadeelde partijen

1) De benadeelde partij [b.p. 1] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, welke vordering als bijlage V aan dit vonnis is gehecht. De vordering strekt tot vergoeding van geleden materiële schade ten bedrage van € 66.161,76 en vergoeding van de immateriële schade ten bedrage van € 750,-.

Ten aanzien van het deel van de vordering dat betrekking heeft op post 1, te weten een bedrag van € 60.000,--, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren aangezien dit betrekking heeft op een feit dat verdachte niet ten laste is gelegd.

Het deel van de vordering dat betrekking heeft op post 3; de immateriële schade ten bedrage van € 750,-, is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat die zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten,

- ten aanzien van post 2 (zie bijlage V): € 6.161,76

De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

2) De benadeelde partij [b.p. 2] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt primair tot vergoeding van geleden materiële schade ten bedrage van € 162.361,-- en subsidiair tot vergoeding van geleden materiële schade bij wijze van voorschot ten bedrage van € 80.000,--, ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op het bedrag van € 82.361,-- is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 2 bewezenverklaarde feit, tot een bedrag van € 80.000,--. De vordering zal daarom bij wijze van voorschot tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 3 (drie) JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de volgende voorwerpen aan verdachte:

- [inbeslaggenomen goederen]

1) Wijst de vordering van de benadeelde partij [b.p. 1], wonende te Utrecht, ten dele toe tot een bedrag van € 6.161,76 (zegge zesduizend een honderd en een en zestig EURO en zesenzeventig EUROcent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [b.p. 1] toe voor zover deze ziet op de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 662,-- (zegge zeshonderd en twee en zestig EURO), vermeerderd met de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 6.161,76 (zegge zesduizend een honderd en een en zestig EURO en zesenzeventig EUROcent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 123 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

2) Wijst de vordering van de benadeelde partij [b.p. 2], wonende te Utrecht, bij wijze van voorschot, ten dele toe tot een bedrag van € 80.000,-- (zegge tachtigduizend EURO).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het hiervoor omschreven gedeelte dat niet bij wijze van voorschot is toegewezen en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 80.000,-- (zegge tachtigduizend EURO), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs P.C. Santema, voorzitter, J.M. Bruins en J.P. Killian, rechters,

bijgestaan door mr. M.C.O.M. Tilman, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 mei 2003.