Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF8870

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-05-2003
Datum publicatie
19-05-2003
Zaaknummer
133961/HAZA 01-1577
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer

voor de behandeling van burgerlijke zaken,

in de zaak van:

1. [eiseres sub 1],

wonende te IJsselstein,

2. de commanditaire vennootschap

Insulinde Apotheek CV

gevestigd en zaakdoende te Utrecht,

oorspronkelijk eisers,

geopposeerden,

procureur:

mr. H.M. van Eerten,

- t e g e n -

[gedaagde],

handelende onder de naam Fysio Physics,

wonende te Harmelen,

zaakdoende te IJsselstein,

oorspronkelijk gedaagde,

opposant,

procureur:

mr. C. Beijer,

advocaat:

mr. J.H. Messing te Bussum.

1.

Het verloop van de procedure

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiseres sub 1], de Apotheek en [gedaagde] worden genoemd.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de oorspronkelijk dagvaarding van 3 april 2001;

- het vonnis van de rechtbank, gewezen bij verstek, van 16 mei 2001;

- verzetdagvaarding van 3 juli 2001, tevens conclusie van antwoord;

- akte van domiciliekeuze aan de zijde van de Apotheek;

- akte uitlating domiciliekeuze;

- incidentele conclusie tot oproep in vrijwaring;

- incidentele antwoordconclusie tot oproep in vrijwaring;

- incidenteel vonnis van 28 november 2001, waarbij tevens een comparitie van partijen is gelast;

- nadere reactie op de verzetdagvaarding, aan de rechtbank en aan [gedaagde] toegezonden voorafgaande aan de comparitie van partijen;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen van 25 januari 2002;

- pleitaantekeningen van de advocaat van [gedaagde], ter zake van de op 3 december 2002 gehouden pleidooien.

Daarna hebben partijen vonnis gevraagd.

2.

De feiten

2.1.

[Gedaagde] exploiteert een onderneming, bestaande uit een fysiotherapiepraktijk en een fitnesscentrum, hierna ook genoemd: het centrum. In deze onderneming wordt naast reguliere fysiotherapie en fitness ook zogenoemde fysiofitness aangeboden.

2.2.

[Eiseres sub 1] heeft vanaf medio januari 1999 of medio februari 1999 deelgenomen aan fysiofitnesstrainingen in het centrum in verband met rugklachten vanwege een hernia.

2.3.

Op de avond van maandag 31 januari 2000 deed [eiseres sub 1] in het centrum oefeningen op een roeiapparaat. Terwijl zij die oefeningen uitvoerde is er een ander fitnessapparaat, een zogenoemde pulley, gekanteld, welk apparaat haar daarbij heeft geraakt. Dat apparaat werd op dat moment gebruikt door [ ], twee andere gebruikers van het centrum.

2.4.

Dezelfde avond is in het Sint Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein na klinisch en röntgenonderzoek als diagnose gesteld: contusie hoofd rechts en kloppijn aan wervels.

2.5.

[Eiseres sub 1] verrichtte vóór het ongeval om niet werkzaamheden in de Apotheek, die geëxploiteerd wordt door de echtgenoot van [eiseres sub 1] gedurende 10 uur per week. Voorts verrichtte zij gedurende 16 uur per week werkzaamheden in dienstverband als administratief/receptioneel medewerkster bij voornoemd ziekenhuis.

3.

De oorspronkelijke vordering en het verweer

3.1.

[Eiseres sub 1] en de Apotheek vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

1. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] jegens [eiseres sub 1] aansprakelijk is en de schade ten gevolge van het ongeval aan haar dient te vergoeden;

2. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan [eiseres sub 1] van ƒ 10.000,-- ten titel van voorschot op een nader te bepalen bedrag aan schadevergoeding;

3. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] jegens de Apotheek aansprakelijk is tot vergoeding van de door haar geleden schade ten gevolge van het ongeval, voor zover die schade betrekking heeft op de financiële gevolgen van de verminderde arbeidsinzet van [eiseres sub 1] na 31 januari 2000;

4. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan de Apotheek van ƒ 10.000,-- ten titel van voorschot op de onder 3 bedoelde schadevergoeding;

met veroordeling van [gedaagde] de kosten van het geding.

3.2.

Hetgeen [eiseres sub 1] en de Apotheek aan hun respectieve vorderingen ten grondslag leggen en het daartegen door [gedaagde] gevoerde verweer zal hierna voorzover nodig aan de orde komen.

4.

De beoordeling

4.1.

[Eiseres sub 1] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat "het indruist tegen hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door als houder van een fitnesscentrum fitnessapparatuur te doen plaatsen en geplaatst te houden op een zodanige wijze dat deze bij het gebruik de mogelijkheid in zich hebben te kantelen waardoor (letsel)schade aan de gebruiker en/of omstander(s) kan worden veroorzaakt, gelijk in casu is geschied."

Van [gedaagde] had, volgens [eiseres sub 1], verwacht mogen worden dat wanneer enig fitnesstrainingsapparaat de mogelijkheid in zich heeft te kunnen kantelen, deze aan de grond en/of wand zal worden verankerd. In haar Nadere reactie heeft [eiseres sub 1] daaraan nog toegevoegd dat [gedaagde] een ongeschreven veiligheidsnorm heeft geschonden, daarin bestaande dat hij de bewuste pulley niet zodanig heeft verankerd dat die zelfs in het geval van onoordeelkundig gebruik onmogelijk zouden kunnen kantelen, hetzij door die pulley niet zodanig in de fitnessruimte te plaatsten dat deze in geval van kantelen bij onoordeelkundig gebruik geen letselschade zou kunnen veroorzaken bij derden.

4.2.

[Gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat een pulley bij normaal gebruik niet kan kantelen of vallen. Dergelijke apparaten worden in geen enkel fitnesscentrum aan de grond of in de wand verankerd; aan dergelijke apparaten zijn daartoe ook geen voorzieningen aangebracht. De gebruiksaanwijzing van dergelijke apparaten verlangt geen verankering. Volgens [gedaagde] dient men op het kantelen gericht geweld te gebruiken om een dergelijk apparaat om te krijgen en zelfs dan is dat zeer moeilijk. De branchevereniging Fitvak is volgens [gedaagde] onbekend met ongevallen als het onderhavige.

Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat ten tijde van het ongeval er toezichthouders aanwezig waren, maar dat die niet hebben waargenomen wat er is gebeurd.

Het ongeval heeft plaatsgehad enkel door toedoen van [de twee andere gebruikers van het centrum], die volgens [gedaagde] met opzet de pulley hebben doen kantelen.

[Gedaagde] meent dat hij voldoende zorgvuldig is geweest en dat hij die veiligheidsmaatregelen heeft genomen die van hem mochten worden verwacht.

4.3.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat [gedaagde] in dit geval onrechtmatig heeft gehandeld, moet worden vastgesteld of er sprake is van het niet inachtnemen van de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid, meer in het bijzonder schending van een ongeschreven veiligheidsnorm, waarbij in aanmerking genomen de omstandigheden van het geval, toetsing dient plaats te vindende volgende criteria:

1. de mate van waarschijnlijk waarmee door gebruikers de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht;

2. de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan;

3. de ernst die de gevolgen ervan kunnen hebben en

4. de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

4.4.

Met betrekking tot de door [eiseres sub 1] gestelde plicht van [gedaagde] om de pulley te verankeren, overweegt de rechtbank als volgt.

Gesteld noch gebleken is dat er in de branche een voorschrift bestaat ten aanzien van het verankeren van fitnessapparaten.

Evenmin is gesteld of gebleken dat ongevallen als het onderhavige regelmatig, althans meerdere malen zijn voorgekomen. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat hem noch de door hem geraadpleegde brancheorganisatie FITVAK andere ongevallen bekend zijn, hetgeen [eiseres sub 1] en de Apotheek onweersproken hebben gelaten.

Deze omstandigheid leidt tot de conclusie dat er op grond van praktijkervaringen kennelijk geen noodzaak heeft bestaan om (nadere) veiligheidsmaatregelen te nemen dan die welke [gedaagde] naar eigen zeggen en door [eiseres sub 1] onbetwist gelaten heeft genomen, namelijk dat tussen de verschillende apparaten minstens een halve meter vrije ruimte bestaat, dat de onderkanten van die apparaten steeds zijn voorzien van stukjes rubber om schuiven te voorkomen, dat de vloer van de ruimte waterpas is en voorts dat er altijd toezicht aanwezig is in de vorm van een fysiotherapeut en/of een sportinstructeur.

4.5.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat kennelijk de mate van waarschijnlijkheid van het voorkomen van het hier besproken risico verwaarloosbaar klein is. Aan de eerste twee criteria is derhalve niet voldaan.

[Eiseres sub 1] kan worden toegegeven dat, voor het geval er toch een ongeval plaatsvindt, de kans op letsel groot is (het betreft immers zware apparaten), doch in relatie met het voorgaande kan dit niet leiden tot het oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door het apparaat niet te verankeren.

Toetsing aan het laatstgenoemde criterium kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Immers, [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat apparaten als de pulley nimmer worden verankerd en voorts dat die apparaten regelmatig worden verplaatst, waardoor het minst genomen onwenselijk is om (al) die apparaten te verankeren. Het nemen van voorzorgsmaatregelen in de vorm van verankering zou dan ook leiden tot een, gezien het geringe risico, onnodige en onaanvaardbare verzwaring van de bedrijfsvoering.

4.6.

De voorgaande oordelen worden evenmin aangetast door de (mogelijke) rol van [de twee andere gebruikers van het centrum] in samenhang met het door [gedaagde] gehouden toezicht.

Tegenover het door [gedaagde] in diens verzetdagvaarding verwoorde verweer, te weten dat beide heren wel geweld gebruikt moeten hebben om de pulley te laten kantelen, heeft [eiseres sub 1] in haar nadere reactie gesteld dat het [gedaagde] valt te verwijten de beide heren niet uit het fitnesscentrum te hebben verwijderd, nadat was gebleken dat zij zich misdroegen, wat volgens [eiseres sub 1] onder meer blijkt uit punt 11 van de verzetdagvaarding.

De rechtbank oordeelt dat dit laatste berust op een onjuiste lezing van punt 10 van de verzetdagvaarding, nu daarin immers in samenhang met punt 4 is vermeld dat beide heren op de avond van 31 januari 2000 zijn gemaand hun wilde gedrag te staken. Zeer kort daarna heeft (desondanks) het ongeval plaatsgevonden.

4.7.

Het staat vast dat noch de aanwezige fysiotherapeut, noch de aanwezige sportinstructeur feitelijk hebben gezien dat de pulley is omgevallen. Ook [eiseres sub 1] heeft verklaard niets gezien te hebben. Het staat voorts vast dat de pulley ten tijde van het ongeval werd gebruikt door beide genoemde heren. Tevens staat als onweersproken vast dat beide heren door de fysiotherapeut op de bewuste avond zijn gemaand de pulley niet op onjuiste wijze te gebruiken.

Hieruit volgt dat de precieze toedracht niet is komen vast te staan.

De rechtbank zal evenwel op dit punt geen bewijs opdragen. Immers, wat de uitkomst van een dergelijke bewijslevering op dit punt ook moge brengen, het zal het oordeel van de rechtbank, namelijk dat [gedaagde] jegens [eiseres sub 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld, niet anders doen luiden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Van een ondernemer als [gedaagde] kan niet - en anders dan [eiseres sub 1] kennelijk wenst - worden verlangd dat doorlopend zonder enige onderbreking op de activiteiten van alle aanwezigen toezicht wordt gehouden. Het feit dat beide personeelsleden van [gedaagde] het gebeurde niet hebben gezien, kan niet worden uitgelegd als een tekortschieten in het toezicht houden. Daarvan zou wel sprake kunnen zijn indien beide medewerkers van [gedaagde] het wilde gedrag van [de twee andere gebruikers van het centrum] in het geheel niet zouden hebben waargenomen en voorts daarop geen actie zouden hebben genomen. Gebleken is, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat de medewerkers van [gedaagde] het gedrag van de beide heren hebben waargenomen en daarop ook hebben gereageerd door hen te waarschuwen en te manen zich te gedragen.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de het verzet gegrond zal worden verklaard en dat de oorspronkelijke vordering van [eiseres sub 1] zal worden afgewezen.

Daarmee is de grondslag aan de oorspronkelijke vordering van de Apotheek ontvallen en behoeft die geen nadere bespreking en zal deze eveneens alsnog worden afgewezen.

4.9.

[Eiseres sub 1] en de Apotheek zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5.

De beslissing

De rechtbank:

5.1.

ontheft [gedaagde] van de tegen hem uitgesproken veroordeling, als verwoord in het verstekvonnis van deze rechtbank van 16 mei 2001, gewezen tussen [eiseres sub 1] en de Apotheek als eisers en [gedaagde] als gedaagde;

opnieuw rechtdoende:

5.2.

Wijst de vorderingen van [eiseres sub 1] en de Apotheek af;

5.3.

Veroordeelt [eiseres sub 1] en de Apotheek in de kosten deze procedure, tot aan de uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.324,-- voor salaris en op € 233,02 voor verschotten; verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest en in het openbaar uitgesproken op woensdag 14 mei 2003.

w.g. griffier w.g. rechter