Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF8352

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
132787/HAZA 01-1408
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2003/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

V O N N I S

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer

voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [eiseres], en

2. [eiser],

beiden wonende te Oudewater,

e i s e r s in conventie,

g e d a a g d e n in reconventie,

procureur: mr. W.B. Janssens,

- t e g e n -

1. [gedaagde sub 1.],

wonende te Oudewater,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Amiabel Investment Advising B.V.,

gevestigd te Oudewater,

g e d a a g d e n in conventie,

e i s e r s in reconventie,

procureur: mr. R.V.C.F. Dingemans.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk "[eisers]", "[gedaagde sub 1.]" en "AIA".

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- dagvaarding van 5 juni 2001;

- herstelexploit houdende aanzegging van een nieuwe rechtsdag;

- akte overlegging producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie;

- conclusie van repliek in conventie, tevens van antwoord in reconventie;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in reconventie;

- conclusie van dupliek in reconventie.

1.2. Verder hebben [eisers], voor aanvang van deze procedure, ten laste van [gedaagde sub 1.] en AIA conservatoire beslagen doen leggen. De desbetreffende beslagstukken zijn niet overgelegd.

1.3. Ten slotte hebben partijen aan de rechtbank verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Begin 1998 zijn [eisers], althans een van hen [ ], een overeenkomst aangegaan met DKZ Forex AG, hierna "DKZ", krachtens welke zij ƒ 150.000,- hebben betaald voor deelname aan een bepaald, in de overeenkomst niet nader omschreven, investeringsprogramma.

2.2. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van twaalf maanden, te rekenen vanaf 1 maart 1998 (de ingangsdatum).

2.3. [Eisers] en DKZ hebben in de overeenkomst de Duitse advocaat ("Rechtsanwalt") [ ]", opdracht gegeven om het betrokken investeringsprogramma te verwezenlijken in samenwerking met DKZ. [De Duitse advocaat] is in de overeenkomst aangeduid als "gemachtigde" en heeft deze ook zelf ondertekend.

2.4. De overeenkomst is tot stand gekomen via tussenkomst van AIA. In artikel 4 van de overeenkomst hebben [eisers] en [de Duitse advocaat] deze vennootschap aangesteld als "intermediair Nederland voor beide partijen". Artikel 5 bepaalt dat AIA "zal zorg dragen voor de communicatie tussen de contractspartijen en (…) voor de uitbetaling van het investeringskapitaal plus het verwezenlijkte rendement".

2.5. [Gedaagde sub 1.] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst als directeur werkzaam bij AIA.

2.6. Noch het belegde bedrag van ƒ 150.000,-, noch daarover mogelijk gerealiseerd rendement is ooit aan [eisers] uitbetaald.

3. De vorderingen en het verweer

3.1. [Eisers] hebben - in conventie - gevorderd primair, samengevat, dat de rechtbank de onder 2.1. en verder genoemde beleggingsovereenkomst zal vernietigen wegens bedrog dan wel misbruik van omstandigheden en AIA en [gedaagde sub 1.] hoofdelijk zal veroordelen om aan [eisers] terug te betalen de door hen belegde ƒ 150.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van AIA en [gedaagde sub 1.] in de kosten van deze procedure. Subsidiair hebben zij gevorderd dat AIA en [gedaagde sub 1.] zullen worden veroordeeld om aan [eisers] een schadevergoeding van ƒ 150.000,- te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van AIA in de kosten van deze procedure.

3.2. Bovenvermelde vorderingen zijn gebaseerd op de stelling, samengevat, dat AIA en [gedaagde sub 1.] ter zake van bovenbedoelde overeenkomst [eisers] hebben bedrogen, althans jegens hen misbruik hebben gemaakt van omstandigheden, dat zij jegens [eisers] onzorgvuldig althans onrechtmatig hebben gehandeld door het geven van onjuiste, onzorgvuldige en ondeskundige (beleggings)adviezen, en dat zij hun contractuele verplichting tot uitbetaling van het door [eisers] belegde kapitaal niet zijn nagekomen. [Eisers] zouden hierdoor schade hebben geleden, namelijk de door hen belegde en niet terugontvangen ƒ 150.000,-, zodat AIA en [gedaagde sub 1.] tot vergoeding hiervan zijn gehouden.

3.3. AIA heeft op haar beurt gevorderd - in reconventie -, samengevat, dat de rechtbank de onder 1.2. genoemde beslagen zal opheffen, met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure.

3.4. Bovenvermelde vordering is gebaseerd op de stelling, samengevat, dat de door [eisers] gelegde beslagen onrechtmatig zijn omdat de vorderingen tot verzekering waarvan die beslagen strekken, ongegrond zijn.

3.5. Partijen hebben tegen de over en weer ingestelde vorderingen verweer gevoerd. Het verweer zal, voorzover voor de beoordeling van het geschil in conventie dan wel in reconventie van belang, hierna aan de orde komen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Niet toewijsbaar is de primaire vordering van [eisers] in conventie strekkende tot vernietiging van de door hen gesloten beleggingsovereenkomst en tot terugbetaling van het op de voet van die overeenkomst belegde kapitaal.

4.2. Krachtens artikel 3:51, tweede lid, Burgerlijk Wetboek kan een rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst eerst voor toewijzing in aanmerking komen, indien zij is ingesteld tegen de andere partij(en) bij de betrokken overeenkomst; hetzelfde geldt voor de vordering tot ongedaanmaking van hetgeen jegens die wederpartij(en) ter uitvoering van die overeenkomst is gepresteerd. [Eisers] hebben hun vordering tot vernietiging en terugbetaling echter niet ingesteld tegen de andere partijen bij de door hen gesloten beleggingsovereenkomst, te weten DKZ en [de Duitse advocaat], maar (uitsluitend) tegen AIA en [gedaagde sub 1.], die bij deze overeenkomst geen partij zijn. Hun primaire vordering in conventie is reeds hierom niet toewijsbaar.

4.3. Wél toewijsbaar is de door [eisers] in conventie ingestelde subsidiaire vordering tegen AIA strekkende tot betaling van schadevergoeding van, in hoofdsom, ƒ 150.000,-. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.4. Vaststaat dat de onder 2.1. en verder genoemde beleggingsovereenkomst is tot stand gekomen via tussenkomst van AIA en dat AIA in die overeenkomst is aangewezen als "intermediair Nederland voor beide partijen". Weliswaar hebben AIA en [gedaagde sub 1.] gesteld dat niet zíj [eisers] terzake hebben geadviseerd maar een zekere [persoon], maar zij hebben niet weersproken dat deze [persoon] voor AIA is opgetreden als contactpersoon jegens [eisers] (zoals [eisers] onder 22. van hun conclusie van repliek in conventie hebben gesteld), zodat diens handelen aan AIA dient te worden toegerekend.

4.5. Zonder gevolg blijft ook het verweer van AIA (onder 8. van haar conclusie van dupliek in conventie) dat zij op het tijdstip van aangaan van de beleggingsovereenkomst nog niet bestond. Niet alleen heeft AIA niet weersproken dat bovengenoemde [persoon] vóór dat tijdstip reeds voor haar is opgetreden zoals door [eisers] gesteld, maar ook noemt de beleggingsovereenkomst AIA met name en heeft AIA bij brief van 30 juni 1998 aan [eisers] met zoveel woorden erkend dat zij c.s. via haar, namelijk "[v]ia ons intermediair", een beleggingsovereenkomst hebben gesloten.

4.6. Blijkens de overgelegde stukken is bij de beleggingsovereenkomst aan [eisers] een in volstrekt algemene bewoordingen gesteld "certificaat van deelneming" verstrekt, dat hun deelneming bevestigt "in een programma wat tot doel heeft om in een periode van 12 maanden boven gemiddelde rendementen te verwerven". Ook de beleggingsovereenkomst zelf geeft aan dat wordt deelgenomen aan "een investeringsprogramma met als doel het verwerven van meer dan gemiddeld rendement".

4.7. Noch bovenbedoeld certificaat, noch de overeenkomst zelf geeft enig noemenswaardig inzicht in de aard en het risico van de beleggingen waarvoor het door [eisers] beschikbaar gestelde kapitaal is aangewend. In de overeenkomst is aan [eisers] in dit verband enkel voorgehouden dat "de streefresultaten van het investeringsprogramma (…) alleen maar kunnen worden gerealiseerd op basis van 'best effort'", onder de bepaling dat "[i]ndien de resultaten niet aan de geprognosticeerde rendementen voldoen (…) [[de Duitse advocaat]] hier nimmer aansprakelijk voor [kan] worden gesteld" en dat "het geïnvesteerde kapitaal middels een beroepsaansprakelijkheidsverzekering is afgedekt".

4.8. Niet gebleken is voorts dat AIA [eisers] in enige betekenisvolle mate heeft voorgelicht ter zake van de aard van de betrokken beleggingen en de ermee gemoeide risico's of, in ieder geval, het betrokken investeringsrisico afdoende onder hun aandacht heeft gebracht. Evenmin gebleken is dat AIA [eisers] heeft voorgelicht omtrent de inhoud en de betekenis van de aan hen voorgelegde beleggingsovereenkomst, of enige (kritische) kanttekening heeft gemaakt bij de onder 4.7. aangehaalde bepalingen of het verder in de overeenkomst bepaalde.

4.9. Door als tussenpersoon bij de totstandkoming van de hiervoor bedoelde beleggingen aan [eisers] een overeenkomst voor te leggen die geen noemenswaardig inzicht geeft in de aard en het risico van de betrokken beleggingen en door dit inzicht voorzover ten processe gebleken ook anderszins niet te verschaffen, zonder enige kanttekening bij de voorgelegde contractstekst, heeft AIA [eisers] - in ieder geval - volstrekt onvolledig en onzorgvuldig geïnformeerd ter zake van de door hen overwogen beleggingen. AIA is door dit nalaten in ernstige mate tekortgeschoten in haar zorgplicht als tussenpersoon en, hiermee, in de haar jegens [eisers] betamende zorgvuldigheid, zodat zij aansprakelijk is voor de schade die [eisers] als gevolg daarvan hebben geleden.

4.10. Nu vaststaat dat de beleggingsovereenkomst via tussenkomst van AIA tot stand is gekomen, dat het door [eisers] belegde kapitaal niet is terugbetaald en dat dit kapitaal in aanvang ƒ 150.000,- beliep, dient de schade van [eisers] als gevolg van bovenbedoeld tekortschieten van AIA te worden begroot op ƒ 150.000,-. AIA is derhalve voor dit bedrag aansprakelijk, zodat de door [eisers] in conventie tegen AIA ingestelde subsidiaire vordering tot betaling van schadevergoeding zal worden toegewezen tot de tegenwaarde in euro's van ƒ 150.000,-, derhalve tot een hoofdsom van € 68.067,34. Ook de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen, vanaf de datum van dagvaarding (5 juni 2001), nu [eisers] niet hebben gesteld dat AIA vanaf een eerdere datum in verzuim is met de betaling van bovengenoemde hoofdsom, vereist voor het verschuldigd worden van wettelijke rente.

4.11. Niet toewijsbaar is de in conventie tegen [gedaagde sub 1.] ingestelde vordering tot betaling van schadevergoeding, reeds omdat de feiten die [eisers] aan die vordering ten grondslag hebben gelegd, de vordering niet kunnen dragen. Noch het tekortschieten van AIA in haar zorgplicht als tussenpersoon bij de door [eisers] gesloten beleggingsovereenkomst, noch de gestelde betrokkenheid van [gedaagde sub 1.] in diens hoedanigheid van directeur van AIA bij de advisering terzake, noch de gestelde familierechtelijke betrekkingen van [gedaagde sub 1.] met de bestuurders van AIA, kunnen de slotsom wettigen dat aan [gedaagde sub 1.] een onrechtmatige daad kan worden verweten, op grond waarvan op hem een zelfstandige verplichting tot schadevergoeding zou rusten. Daartoe is noodzakelijk dat hem een - voldoende ernstig - persoonlijk verwijt voor de door [eisers] geleden schade kan worden gemaakt, te onderscheiden van het aan AIA verweten tekortschieten. [Eisers] hebben echter geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden gesteld waaruit zo'n persoonlijk verwijt kan volgen. Dit is temeer zo, nu [eisers] hebben erkend dat tot aanvang 1998, derhalve tot enkele weken voor de ingangsdatum van de beleggingsovereenkomst, niet [gedaagde sub 1.], maar de onder 4.4. genoemde [persoon] hun contactpersoon bij AIA is geweest.

4.12. Nu het tekortschieten van AIA in haar zorgplicht jegens [eisers] reeds de slotsom wettigt dat de in conventie ingestelde vordering jegens AIA toewijsbaar is tot de onder 4.10. genoemde hoofdsom van € 68.067,34 en hetgeen [eisers] voor het overige aan die vordering ten grondslag hebben gelegd, niet tot toewijzing van een hoger bedrag kan leiden, behoeven de hierboven niet besproken grondslagen van hun vordering geen bespreking. De rechtbank gaat daaraan derhalve voorbij.

4.13. Anders dan door AIA en [gedaagde sub 1.] geopperd staat aan toewijzing van de door [eisers] gevorderde schadevergoeding niet in de weg dat zij geen vordering hebben ingesteld tegen DKZ en/ of [de Duitse advocaat]. Noch het feit dat DKZ en [de Duitse advocaat] niet in rechte zijn betrokken, noch eventuele tekortkomingen van deze partijen jegens [eisers], doet immers op enigerlei wijze af aan het, op zichzelf staande, tekortschieten van AIA als tussenpersoon bij de door [eisers] gedane beleggingen. Het is dit eigen tekortschieten van AIA dat tot haar hierboven overwogen aansprakelijkheid leidt.

4.14. Uit het hierboven overwogene volgt dat de onder 1.2. genoemde conservatoire beslagen niet onrechtmatig zijn voorzover deze ten laste van AIA zijn gelegd, nu de vordering tot verzekering waarvan zij zijn gelegd, ten aanzien van AIA immers gegrond is. De in reconventie ingestelde vordering tot opheffing van die beslagen zal daarom worden afgewezen. Wél toewijsbaar is de reconventionele vordering tot opheffing van de door [eisers] gelegde beslagen voorzover deze ten laste van [gedaagde sub 1.] zijn gelegd, aangezien de gegrondheid van de tegen [gedaagde sub 1.] ingestelde vordering in dit geding niet is gebleken.

4.15. AIA zal, als in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eisers], in conventie en in reconventie. Hierbij zal ter zake van het ten laste van AIA gelegde beslag slechts een vergoeding voor het concipiëren van het beslagrekest worden toegekend, nu geen beslagstukken zijn overgelegd. [Eisers] zullen op hun beurt worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde sub 1.], aangezien zij ten aanzien van hém als in het ongelijk gestelde partij hebben te gelden. Nu [gedaagde sub 1.] aan de zijde van AIA heeft geprocedeerd met dezelfde stukken en dezelfde procureur en geen van AIA afwijkende proceshandelingen heeft verricht, zal aan hem evenwel uitsluitend een vergoeding voor het betaalde vast recht in conventie worden toegekend en zullen zijn proceskosten voor het overige op nihil worden begroot.

5. Beslissing

De rechtbank:

in conventie:

5.1. veroordeelt AIA om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eisers] te betalen een geldsom van € 68.067,34 (achtenzestigduizend zevenenzestig euro's en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 juni 2001 tot aan de dag van voldoening;

5.2. veroordeelt AIA in de proceskosten in conventie aan de zijde van [eisers] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 1.345,80 aan verschotten en op € 2.313,- aan salaris;

5.3. veroordeelt [eisers] in de proceskosten in conventie aan de zijde van [gedaagde sub 1.] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 408,40 aan verschotten en op nihil aan salaris;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

5.6. heft de door [eisers] ten laste van [gedaagde sub 1.] gelegde beslagen op;

5.7. veroordeelt AIA in de proceskosten in reconventie aan de zijde van [eisers] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op nihil aan verschotten en op € 771,- aan salaris;

5.8. veroordeelt [eisers] in de proceskosten in reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 1.] gevallen en begroot deze op nihil;

5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.10. wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.H.F.M. Cortenraad LL.M. en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 mei 2003.

w.g. griffier w.g. rechter