Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF7225

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
159976 kg za 03-328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2003/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kg.nr: 159976/KGZA 03-328 LvR/BL 11 april 2003

RECHTBANK UTRECHT

(sector handels- en familierecht)

VONNIS

van de voorzieningenrechter,

in het kort geding van:

de besloten vennootschap met

beperkte aansprakelijkheid

CSU SCHOONMAAK ZUID B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

e i s e r e s ,

procureur: mr. J. van Ravenhorst,

advocaat: mr. R.G.M. van der Pas te Breda,

- t e g e n -

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

g e d a a g d e,

procureur: mr. R. van der Stege.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Eiseres (hierna te noemen CSU) heeft gedaagde (hierna te noemen FNV) in kort ge-ding doen dag-vaar-den en op de dienende dag, 11 april 2003, van eis ge-con-clu-deerd over-eenkom-stig de in-houd van het ex-ploot van dag-vaarding, waar-van een fo-toko-pie aan dit vonnis is ge-he-cht.

1.2

CSU heeft haar vordering bij monde van haar advocaat doen toelichten mede aan de hand van producties.

1.3

FNV heeft bij monde van haar procureur haar standpunt doen toelichten mede aan de hand van pleitnotities.

1.4

Na voortzetting van het debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. Vaststaande feiten

2.1

CSU maakt deel uit van het zogenoemde CSU-concern. Zij drijft een schoonmaakbedrijf. In die hoedanigheid is CSU lid van de overkoepelende werkgeversorganisatie in de schoonmaakbranche, te weten de Onder-nemersorganisatie Schoonmaak & Bedrijfsdiensten (hierna te noemen OSB).

2.2

OSB, als vertegenwoordigster van werkgeefsters heeft met CNV en FNV, als vertegenwoordigsters van de werknemers, onderhandeld over een collectieve arbeidsovereenkomst in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna te noemen de bedrijfstak-CAO) over de periode 2003.

2.3

OSB heeft op 18 december 2003 een eindbod gedaan, hetgeen door CNV is aanvaard en door FNV is afgewezen.

2.4

FNV heeft daarop bij brief van 8 januari 2003 aan OSB een ultimatum gesteld.

2.5

CSU en FNV hebben in februari en maart van 2003 in het kader van de

contractswisseling van de (deel)projecten Nedtrain te Heerlen en Maastricht onderhandelingen gevoerd.

2.6

CSU heeft de bij de contractswisseling betrokken werknemers een arbeidsovereenkomst gebaseerd op de met CNV gesloten bedrijfstak-CAO aangeboden. Zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 50 van die bedrijfstak-CAO.

2.7

De betrokken werknemers die aangesloten zijn bij FNV hebben aanvankelijk geweigerd die aangeboden arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Na overleg tussen partijen hebben die werknemers op advies van FNV de aangeboden arbeidsovereenkomst zonder voorbehoud ondertekend.

2.8

De onder 2.7 vermelde arbeidsovereenkomst vermeldt in artikel 1:

(…)

De bepalingen van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (C.A.O.), waarmee werknemer zich bekend verklaart, worden door beide partijen als hier ingelast en opgenomen beschouwd.

(…)

2.9

Bij brief van 28 maart 2003 heeft FNV aan CSU meegedeeld -voor zover hier van belang-:

(…)

Uit uw mededelingen en uw fax d.d. 27 maart 2003 blijkt duidelijk dat u (nog steeds) niet bereid bent om aan al onze eisen tegemoet te komen.

(...)

Wij handhaven dan ook onze eisen en herhalen onder verwijzing naar ons ultimatum van 25 maart jl. dat indien wij vóór 30 maart om 12.00 uur geen reactie van u hebben ontvangen waaruit blijkt dat u akkoord gaat met de hierboven geformuleerde eisen u rekening dient te houden met acties, waaronder werkonderbrekingen van korte of lange duur."

2.10

Op 1 april 2003 is FNV overgegaan tot het voeren van collectieve actie met betrekking tot de hiervoor onder 2.5 vermelde (deel)projecten.

3. De vordering en het verweer

3.1

Voor de volledige inhoud en de gronden van de vordering wordt verwezen naar de fotokopie van het aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

CSU vordert -kort weergegeven- dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. FNV met onmiddellijke ingang na het te wijzen vonnis te gebieden op straffe van een dwangsom van € 50.000,--, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag, per overtreding, dan wel per (gedeelte van een) dag dat de staking voortduurt, iedere steun aan de staking bij het project Nedtrain te Maastricht en Heerlen in te trekken, zomede haar leden te bewegen daaraan niet (meer) deel te nemen;

2. FNV te gebieden op straffe van een dwangsom van € 50.000,--, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag, per overtreding, dan wel per (gedeelte van een) dag dat de staking voortduurt, zich te ont-houden van verdere oproepen tot, het organiseren van en/of het on-der-steunen van werkstakingen of werkonderbrekingen en daaraan ver-wante acties, zomede haar leden te bewegen daaraan niet deel te nemen:

Subsidiair:

1. FNV te gebieden op straffe van een dwangsom van € 50.000,--, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag, per overtreding, dan wel per (gedeelte van een) dag dat de staking voortduurt, de staking voor een bepaalde (afkoel)periode van twee maanden, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen periode, te (doen) beëindigen, zomede haar leden te bewegen daaraan voor die periode niet deel te nemen,

een en ander met veroordeling van FNV in de kosten van deze procedure.

3.2

FNV heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

Op de afzonderlijke onderdelen van de stellingen en de verweren van partijen zal hierna -voor zoveel nodig- worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1

Tussen partijen is primair in geschil of FNV al dan niet in strijd handelt met de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (wet CAO) dan wel onrechtmatig handelt, door naast de bestaande bedrijfstak-CAO een aanvullende CAO met CSU tot stand willen brengen voor de onder hiervoor onder 2.5 vermelde projecten en in dat verband collectieve actie te voeren.

4.2

Vooropgesteld dient te worden, dat die door FNV gewenste aanvullende CAO ziet op het jaar 2003 en niet op de onderhandelingen met betrekking tot de totstandkoming van een bedrijfstak-CAO voor het jaar 2004 en volgende.

4.3

In beginsel moet het toelaatbaar worden geacht, dat, in het geval een bedrijfstak-CAO niet met alle vakverenigingen is overeengekomen, de vakvereniging waarmee geen overeenstemming is bereikt (in casu FNV) nastreeft dat de eisen die zij bij dat overleg niet ingewilligd heeft gezien, alsnog verwezenlijkt zullen worden in een aanvullende CAO met individuele werkgevers, in casu leden van OSB (die namens de werkgevers partij was bij de bedrijfstak-CAO).

Het moge zo zijn dat het collectieve onderhandelen omtrent arbeidsvoorwaarden op bedrijfstakniveau nuttig en wenselijk is, daarmee staat echter geenszins vast dat het enkel op die basis behoort te geschieden. Zulks met name niet wanneer, zoals in het onderhavige geval, reeds langdurig collectief overleg heeft plaatsgehad en dit in die zin is mislukt dat de werkgeversorganisaties met CNV tot overeenstemming zijn gekomen en niet met FNV.

4.4

Artikel 8 juncto artikel 12 Wet CAO staat aan de door FNV gevolgde handelwijze niet in de weg.

Weliswaar vloeit uit de Wet CAO voort dat alle leden van partijen bij een bedrijfstak-CAO aan deze CAO gebonden zijn en dat daarmee strijdige bedingen tussen werkgever en werknemer nietig zijn, doch daarmee is niet onverenigbaar dat een individuele werkgever door middel van een CAO tot overeenstemming komt met FNV over een aanvulling of verbetering van de arbeidsvoorwaarden ten opzichte van deze bedrijfstak-CAO.

Dat die handelwijze onrechtmatig is, is evenmin gebleken.

CSU heeft in dit verband gesteld, dat van haar niet kan worden gevergd met FNV te onderhandelen over een afzonderlijke tussen haar en FNV tot stand te brengen aanvullende CAO die afwijkt van de bedrijfstak-CAO, omdat zij daarmee de voorschriften van OSB zou overtreden.

Deze omstandigheid is echter het gevolg van een besluit van CSU zelf en dient derhalve voor hun rekening te blijven. Dat zij lid is van OSB beneemt FNV op zichzelf genomen niet het recht om in het belang van haar leden naar een aanvullende CAO te streven.

4.5

Vervolgens rijst de vraag of het geschil dat tussen partijen is ontstaan naar aanleiding van die gewenste aanvulling op de bedrijfstak-CAO, een geschil is als bedoeld in artikel 6 aanhef en onder lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).

4.6

Blijkens het bepaalde in artikel 6 aanhef ESH is de ratio van het in artikel 6 lid 4 ESH erkende recht van werknemers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, de onbelemmerde uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen, teneinde het recht op vereniging van werknemers volledig te kunnen uitoefenen.

Gegeven deze ratio komt het begrip belangengeschil een ruime uitleg toe. In het algemeen kan als een belangengeschil worden aangemerkt, elk geschil tussen een werkgever en een deel van het personeel, dat door collectief onderhandelen kan worden opgelost, niet zijnde een rechtsgeschil, in het bijzonder niet één met betrekking tot het bestaan, de geldigheid en de interpretatie van een CAO of de schending daarvan.

Voormelde uitleg in aanmerking nemend valt het tussen CSU en FNV gerezen geschil over de totstandkoming van een aanvullende CAO met individuele werkgevers ten behoeve van de hiervoor onder 2.5 vermelde (deel)projecten onder de reikwijdte van het bepaalde in artikel 6 aanhef en onder lid 4 ESH.

4.7

Van de zijde van CSU is betoogd, dat FNV haar recht om een aanvullende CAO tot stand te willen brengen en in verband daarmee collectieve actie te voeren heeft verwerkt, nu haar leden een arbeidsovereenkomst met haar, CSU, zijn overeengekomen waarbij zij, gelet op het bepaalde in ar-tikel 1 van die overeenkomst, hebben ingestemd met de bedrijfstak-CAO.

4.8

Dit betoog kan niet slagen.

In een geval van contractswisseling is de overnemende werkgever op grond van het bepaalde in artikel 50 van de bedrijfstak-CAO waarbij hij partij is, gehouden de werknemers een arbeidscontract aan te bieden.

Een dergelijke contractswisseling brengt niet mee, dat de werknemer die is aangesloten bij een vakvereniging die geen partij is bij die bedrijfstak-CAO -omdat zij zich niet kon verenigen met het eindaanbod van de werkgevers- alsnog het recht tot onderhandelen over een aanvullende CAO en het voeren van collectieve actie in dat verband prijsgeeft door het ondertekenen van een arbeidovereenkomst.

Immers op dergelijke wijze zou in de relatie van een werkgever tot een individuele werknemer bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst een verdragsbepaling buiten werking kunnen worden gesteld. Dit brengt in het onderhavige geval mee, dat het grondrecht als bedoeld in artikel 6 aanhef en onder lid 4 ESH volledig illusoir zou zijn.

4.9

Het hiervoor vermelde leidt ertoe, dat de door FNV aangekondigde collectieve actie wordt gedekt door artikel 6 aanhef en lid 4 ESH.

Dit brengt mee dat deze in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met haar beoogde en op de koop toegenomen schadelijke gevolgen voor de bestaakte werkgever.

4.10

Voor het oordeel dat de staking niettemin onrechtmatig is, is slechts dan plaats indien zwaarwegende procedureregels ("spelregels") zijn veronachtzaamd dan wel indien -met inachtneming van de door

artikel 31 ESH gestelde beperkingen- moet worden geoordeeld dat FNV en haar leden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen.

FNV heeft voldoende aannemelijk gemaakt, dat er geen verdere vooruitgang viel te verwachten van de met CSU gevoerde onderhandelingen en er derhalve een eindsituatie bestond.

Immers CSU heeft aangegeven, dat zij niet bereid was de eisen van FNV volledig in te willigen.

Enerzijds, omdat zij de eisen die bij de onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden in het kader van de contractswisseling ter sprake kwamen niet de status van een CAO wenste te geven. Anderzijds, omdat zij een aantal arbeidsvoorwaarden slechts wilde bespreken bij de onderhandelingen voor een bedrijfstak-CAO voor het jaar 2004 en volgende.

Dit in aanmerking nemend en mede gelet op het feit dat de vraag of een staking in een concreet geval als "uiterst middel" is gehanteerd met terughoudendheid door de rechter dient te worden beantwoord, kon FNV in redelijkheid overgaan tot het middel van collectieve actie.

Dat de mogelijkheid van bemiddeling voor FNV nog open stond en dat zij daarvan geen gebruik heeft willen maken, leidt niet tot een ander oordeel.

In beginsel is een vakvereniging niet gehouden om een aanbod tot bemiddeling van de zijde van de werkgever te accepteren.

Dit zou slechts anders zijn indien van bijzondere feiten en/of omstandigheden sprake is.

Zulks is echter niet door CSU gesteld en ook niet gebleken.

4.11

De stelling van CSU, dat de collectieve actie haar beperking dient te vinden in het bepaalde in artikel 31 van het ESH, omdat derden, te weten de reizigers van de treinen, hinder ondervinden van de omstandigheid dat de treinen niet worden schoongemaakt, kan niet slagen.

Een dergelijke hinder is in het algemeen niet zo zwaarwegend, dat deze kan worden aangemerkt als een beperking ter noodzakelijke bescherming van de rechten en vrijheden van anderen als bedoeld in artikel 31 van het ESH.

Hetzelfde geldt voor de gevolgen die Nedtrain van de collectieve actie ondervindt. Overigens heeft deze derde inmiddels zelf aangekondigd naar een passende oplossing te zullen zoeken, zulks op kosten van CSU.

Dat CSU dientengevolge schade lijdt, is inherent aan het stakingsmiddel. Overigens heeft CSU in een situatie als de onderhavige het zelf in haar macht een einde te maken aan de toegebrachte schade, door toe te geven aan de eisen van FNV.

Dat sprake is van een onevenredige schade aan de zijde van CSU is overigens onvoldoende gesteld of gebleken.

4.12

Met betrekking tot de door CSU subsidiair gevorderde afkoelingsperiode geldt tenslotte dat CSU dit onderdeel van de vordering volstrekt onvoldoende heeft toegelicht, zodat thans daarop niet kan worden ingegaan.

4.13

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het primair en subsidiair gevorderde moet worden afgewezen.

CSU zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2

veroordeelt CSU in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van FNV begroot op € 703,-- voor salaris van de procureur en op € 205,-- aan verschotten;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.N. Brouwer, voorzieningenrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2003.