Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF6929

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-04-2003
Datum publicatie
07-04-2003
Zaaknummer
16/205817-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 23
Wetboek van Strafrecht 24
Wetboek van Strafrecht 24c
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 1
Wet op de economische delicten 2
Wet op de economische delicten 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/205817-01

Datum uitspraak: 4 april 2003

Tegenspraak

Raadsman: mr. G. de Hoogd, Purmerend

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de economische politierechter te Utrecht in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2003.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

2. De bewezenverklaring

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

De economische politierechter leest in de derde regel van de tenlastelegging achter artikel 4.1 in (als kennelijk weggevallen): Regeling compartimentering Nederland mond- en klauwzeer 2001 II.

Voor zover overigens in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De economische politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

3. De strafbaarheid van het feit

Namens verdachte heeft de raadsman een beroep gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de ammoniakemissie met gebruikmaking van de door verdachte gebruikte methode lager is dan die met gebruikmaking van één van de in bijlage II, punt 2, bij het Besluit gebruik dierlijke meststoffen voorgeschreven methoden.

De economische politierechter overweegt hieromtrent het volgende.

De Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet bodembescherming houdt met betrekking tot de inmiddels in art. 64 van die wet bedoelde vrijstellingsmogelijkheid onder meer in:

"Bij het opstellen van de algemene maatregelen van bestuur (AMvB) ter uitvoering van de artikelen 8-13 wordt het toepassingsgebied van de betreffende AMvB zo nauwkeurig mogelijk omschreven. Desondanks zal het in de praktijk niet uitgesloten zijn dat er handelingen, stoffen of technieken onder de werkingssfeer van de AMvB vallen die geen of in mindere mate verontreiniging of aantasting van de bodem veroorzaken. Dit kan enerzijds een gevolg zijn van de aard van de handelingen en stoffen of van de wijze van uitvoering van bepaalde technieken, anderzijds van het feit dat een bepaalde stof, handeling of techniek in bepaalde omstandigheden geen of slechts een beperkte verontreiniging of aantasting van de bodem kan veroorzaken. Voor deze bijzondere gevallen is in het wetsontwerp voorzien in een vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheid. Deze is in het wetsontwerp opgenomen om te voorkomen dat de regels van de AMvB van toepassing zullen zijn op situaties waarvoor de betreffende regels niet zijn bedoeld, alsmede met het oog op flexibiliteit in bijzondere gevallen."

Ter terechtzitting heeft de raadsman meegedeeld dat namens verdachte op 14 februari 2001 een dergelijk verzoek om vrijstelling subsidiair ontheffing is ingediend, dat deze verzoeken zijn afgewezen, en dat verdachte in het tegen die afwijzingen gerichte beroep bij de Raad van State niet-ontvankelijk is verklaard.

Op grond van deze gang van zaken is de economische politierechter van oordeel dat het beroep van verdachte op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid moet worden verworpen. Verdachte heeft immers gebruik gemaakt van een met voldoende rechtswaarborgen omklede vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheid, welke blijkens de hierboven aangehaalde wetsgeschiedenis mede in het leven is geroepen om te beoordelen of gebruikmaking van een niet in Bijlage II genoemde methode (zoals verdachte die heeft toegepast) gelet op de doelstellingen van de Wet bodembescherming toegestaan kan worden. Nu de afwijzing van de aanvragen van verdachte onherroepelijk is geworden, kan verdachte zich er niet met vrucht op beroepen dat niettemin sprake is van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

De raadsman heeft nog naar voren gebracht dat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt op de enkele grond dat aanvragen als hiervoor bedoeld waren ingediend, en dat niet ter zake doet dat nadien afwijzend op die aanvragen is beslist. Dit betoog gaat reeds daarom niet op, omdat naar het oordeel van de economische politierechter niet aannemelijk is geworden dat verdachte er ten tijde van het begaan van het feit op mocht vertrouwen dat één van die aanvragen zou worden gehonoreerd.

Het voorgaande brengt tevens mee, dat verdachte niet in enig gerechtvaardigd verdedigingsbelang is geschaad door de afwijzing van zijn verzoek de door hem meegebrachte getuige-deskundige [getuige-deskundige] en de getuige [getuige] omtrent de beweerde lagere ammoniakemissie ter terechtzitting te horen of hen door de R-C te doen horen, om welk reden de economische politierechter geen reden ziet om naar aanleiding van hetgeen de raadsman ter terechtzitting nog naar voren heeft gebracht op zijn op dat punt genomen beslissing terug te komen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

4. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

5. Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de economische politierechter rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de economische politierechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- de verdachte heeft, wat er ook zij van de door hem gehanteerde methode om naar zijn inzicht en opvatting emissie-arm mest uit te rijden, zich niet gehouden aan de daaromtrent wettelijk voorgeschreven bepalingen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de economische politierechter in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een door de raadsman van verdachte overgelegd afschrift van een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 9 december 2002, waaruit blijkt dat verdachte terzake een soortgelijk feit, met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, geen straf of maatregel is opgelegd

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een geldboete van 1.130,00 euro.

6. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op het reeds aangehaalde artikel is de op te leggen straf gegrond op de artikelen 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 4.1 en 4.2 van de Regeling compartimentering Nederland mond en klauwzeer 2001 II, en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

7. DE BESLISSING:

De economische politierechter beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot betaling van een GELDBOETE van 750,00 EURO (zevenhonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Krepel, bijgestaan door A.J.M. Spruijt als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de economische politierechter in deze rechtbank van 4 april 2003.