Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF6132

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-02-2003
Datum publicatie
17-04-2003
Zaaknummer
SBR 02/2626 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:31, geldigheid: 2003-02-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 02/2626 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 22 oktober 2002 waarbij [belanghebbenden] zijn aangeschreven de met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsactiviteiten op het perceel [adres] binnen 8 dagen te staken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag tot een maximum van € 20.000,-.

1.2 Het verzoek is op 21 januari 2003 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D.J. Gutter, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Konijnenburg en mr. M.K. Benthem, beiden werkzaam bij de gemeente Maarssen. Voorts is verschenen [belanghebbende], bijgestaan door mr. J. Brakke, advocaat te Leusden.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Op 28 september 2001 is door verzoeker aan verweerder gevraagd handhavend op te treden tegen de met het bestemmingsplan Herenweg-Gageldijk strijdige bedrijfsuitoefening door zijn buurman, [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]), op het perceel [adres]. Dit verzoek is aangevuld bij brief van 18 oktober 2001. Op 28 november 2001 heeft verzoeker bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een besluit. Tevens is op diezelfde datum een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (SBR 01/2279 VV) bij de - toenmalige - president van de rechtbank, welk verzoek op 7 januari 2002 is ingetrokken.

Op 24 mei 2002 heeft verzoeker opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (SBR 02/1091 VV) tegen het uitblijven van een besluit van verweerder op het verzoek om handhavend op te treden. Verzoeker heeft daarbij aangegeven dat verweerder op 27 maart 2002 weliswaar een aanschrijving tot ongedaanmaking van de overtreding aan [belanghebbende] heeft doen uitgaan, waarbij [belanghebbende] tot 17 april 2002 de gelegenheid werd gegeven aan de aanschrijving te voldoen, maar dat verweerder weigert nadere maatregelen jegens [belanghebbende] te nemen nu [belanghebbende] nalaat aan de aanschrijving gevolg te geven.

Bij uitspraak van 15 juli 2002 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van 24 mei 2002 afgewezen, waarbij is overwogen dat de brief van 28 maart 2002 naar voorlopig oordeel geacht werd niet op rechtsgevolg te zijn gericht, en waarbij is geconstateerd dat het ontbrak aan de vereiste connexiteit.

2.5 Bij het hier bestreden besluit is [belanghebbende] aangeschreven om op straffe van verbeurte van een dwangsom de met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsmatige activiteiten te beëindigen. Zowel [belanghebbende] als verzoeker hebben tegen dat besluit bezwaar aangetekend.

Door [belanghebbende] is gewezen op een schrijven van de gemeente Maarssen van 26 mei 1999, waarbij hem is meegedeeld dat het voeren van een [bedrijf] in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan aangezien het bedrijf van [belanghebbende] kleinschalig is, ondergeschikt is aan de woonfunctie en er geen overlast wordt veroorzaakt. Voorts heeft [belanghebbende] gewezen op het voorontwerp-bestemmingsplan Herenweg-Gageldijk, partiële herziening 2002, waarin het perceel [adres] positief bestemd zal worden als [bedrijf]. Daarnaast is [belanghebbende] van mening dat aan de lastgeving tal van gebreken kleven, zoals een onduidelijke en niet nauwkeurige omschrijving van de last.

Verzoeker heeft in bezwaar aangevoerd dat [belanghebbende], ondanks de aanzegging van 28 maart 2002 is doorgegaan met zijn activiteiten, en dat [belanghebbende] zich ook niets heeft aangetrokken van de aanschrijving van 22 oktober 2002. De last onder dwangsom heeft geen effect. Slechts het toepassen van bestuursdwang zal effect sorteren, aldus verzoeker.

2.6 Het op 9 december 2002 ingediend verzoek om een voorlopige voorziening heeft de strekking het besluit van 22 oktober 2002 te schorsen, en verweerder op te dragen binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn bij wijze van voorlopige maatregel tot het moment dat verweerder op het bezwaarschrift van verzoeker heeft beslist, door middel van bestuursdwang de overtreding van [belanghebbende] ongedaan te maken.

2.7 In artikel 5:31 van de Awb is bepaald dat een beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet wordt genomen zolang een ter zake van de betrokken overtreding

reeds gegeven beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom niet is ingetrokken.

2.8 Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wordt met de door verzoeker beoogde schorsing van het bestreden besluit niet voldaan aan het in artikel 5:31 van de Awb genoemde intrekkingsvereiste. Derhalve kan verzoeker met de schorsing van het besluit niet bereiken dat de weg wordt vrijgemaakt voor toepassing van bestuursdwang en heeft hij geen belang bij de gevraagde voorziening. Het verzoek dient reeds hierom te worden afgewezen.

Hierbij wordt opgemerkt dat zelfs als schorsing van het besluit in het kader van de toepassing van artikel 5:31 van de Awb opgevat zou moeten worden als een intrekking voor de duur van de schorsing, de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet tot het treffen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat het een bevoegdheid is van verweerder om een keuze te maken uit de mogelijke handhavingsinstrumenten. Gelet hierop gaat het in het kader van het treffen van een voorlopige voorziening te ver om verweerder dwingend voor te schrijven welk instrument de voorkeur verdient. Dit geldt temeer nu, gelet op hetgeen [belanghebbende] in bezwaar tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, de bevoegdheid tot het handhavend optreden en de wijze waarop dit in het besluit is neergelegd, ter discussie staat.

2.9 Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoeker zijn derhalve ook geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J. Ebbens, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2003.

De griffier: De voorzieningenrechter:

A. Heijboer mr. J. Ebbens

Afschrift verzonden aan partijen op: