Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF5689

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
15/001859-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE HAARLEM

Zitting houdende te Utrecht

Parketnummer: 15/001859-02

Datum uitspraak: 05 maart 2003

Tegenspraak

Raadsman: mr. D. Koningsbloem

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Haarlem, meervoudige kamer voor strafzaken, zitting houdende te Utrecht in de zaak tegen:

[verdachte]

thans gedetineerd in Detentie Centrum Zeist, loc. mannen, te Soesterberg.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 05 maart 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte strafbaar is en ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest.

De raadsman van verdachte heeft op grond van de inhoud van de stukken, zoals die zich in het dossier bevinden, en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, waar hij heeft herhaald dat hij op Curaçao door R.M. in zijn arm geschoten is, toen hij weigerde cocaïne voor hem naar Nederland te brengen en daarna onder dwang bolletjes cocaïne heeft moeten slikken en in een koffer cocaïne heeft moeten meenemen, als verweer gevoerd dat zijn cliënt onder zodanige dwang waaraan hij geen weerstand kon bieden, heeft gehandeld, dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verstaat dit verweer als een beroep op overmacht en overweegt daaromtrent het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de verdachte niet als een onbeschreven blad worden aangemerkt als het om drugs en vuurwapens gaat nu uit zijn strafblad blijkt dat hij in 1999 is veroordeeld (onder meer) ter zake van overtreding van de opiumwet (art 2 sub B en art 3 sub B) en van de Wet wapens en munitie in 1999 en in 2001 en moet hij zich bewust zijn geweest van reacties van degenen met wie hij afspraken had gemaakt over betaling en drugssmokkel toen hij die afspraken niet nakwam.

Voorts mag inmiddels, zeker ook bij deze verdachte, als bekend worden verondersteld, dat die reacties soms buitengewoon gewelddadig kunnen zijn.

De vraag is of deze omstandigheden "culpa in causa"opleveren waardoor het beroep op overmacht behoort te falen.

Weliswaar leidt niet elke bedreiging tot het aannemen van overmacht, doch naar het oordeel van de rechtbank moet in de onderhavige zaak bedoelde vraag ontkennend worden beantwoord omdat - hoezeer de verdachte ook bewust het risico heeft aanvaard dat jegens hem geweld zou kunnen worden aangewend - het onaanvaardbaar is en daar trekt de rechtbank ook de grens, dat er sprake is van culpa in causa als iemand, nadat hem door een schot uit een vuurwapen een verwonding is toegebracht, komt tot het plegen van het bewezenverklaarde strafbare feit.

Dit is immers een zodanig uitzonderlijk ernstige bedreiging tegen zijn leven (en niet uitgesloten is dat ook zijn moeder niet veilig is) dat in alle redelijkheid niet van deze verdachte kon en mocht worden verlangd dat hij de afspraak om drugs in te voeren niet zou nakomen door zich bijvoorbeeld voor vertrek of na aankomst op Schiphol tot de politie/douane te wenden.

De feitelijke grondslag van het beroep op overmacht is derhalve aannemelijk geworden.

De verdachte is derhalve niet strafbaar voor het bewezenverklaarde feit. De verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar.

Ontslaat de verdachte voor het bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op en gelast diens invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door

mrs T.H.P. de Roos, voorzitter,

M.N. Noorman en N.J. van Weelden-de Ruijter, rechters,

bijgestaan door mr. E.R. Nieuwenhuis, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 05 maart 2003.

Mr N.J. van Weelden-de Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.