Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF4007

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
06-02-2003
Zaaknummer
143262/HAZA 02-546
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 221

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken,

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WOERDEN,

gevestigd te Woerden,

e i s e r e s ,

procureur: mr. F.M.W. van Tol,

- t e g e n -

[gedaagde],

wonende te Woerden,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. M. Verhoeff.

Partijen zullen worden aangeduid als "de gemeente" en "[gedaagde]".

1.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding d.d. 6 maart 2002, met 1 productie;

- conclusie van antwoord, met 5 producties;

- ambtshalve gewezen, op 10 juli 2002 uitgesproken tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen na antwoord, gehouden op 24 september 2002.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2.

De feiten

2.1

In opdracht van de gemeente is door [twee baggerbedrijven] in juni 2000 de Singel in Woerden uitgebaggerd.

2.2

Bij het overslaan van de bagger vanuit de baggerschuit naar boten, is in de bagger door [een werknemer van een van de baggerbedrijven]., een Romeinse helm (hierna: de helm) gevonden.

2.3

De helm is door personeel van de provincie Utrecht gefotografeerd, maar niet beschreven of gedocumenteerd. Tijdens de bouwvak is de helm door [de werknemer] mee naar huis genomen.

2.4

[De werknemer] heeft tijdens de bouwvakvakantie 2000 de helm voor een bedrag van

ƒ 6.000,- verkocht aan [gedaagde].

2.5

[Gedaagde] is lid van de vereniging van metaaldetector hobbyisten de "Coin Hunters".

3.

De vordering en het verweer

3.1

De gemeente vordert, bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, primair veroordeling van [gedaagde] tot afgifte van de Romeinse helm in onbeschadigde staat, althans in de staat waarin deze zich bij de opgraving in juni 2000 verkeerde, op straffe van een dwangsom van € 225,- voor iedere dag dat gedaagde hiermede in gebreke blijft en subsidiair veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de waarde van de helm aan de gemeente, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen een bedrag voor beslagkosten.

3.2

De gemeente heeft aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat [de werknemer] niet bevoegd was de helm zonder toestemming van de gemeente te verkopen, zodat [gedaagde] geen eigenaar is geworden en de gemeente bevoegd is de helm te revindiceren.

3.3

[Gedaagde] heeft verweer gevoerd. Dit verweer komt hierna, bij de beoordeling van de vordering, aan de orde.

4.

De beoordeling

4.1

De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat zij en [de werknemer] op grond van het bepaalde in artikel 5:13 BW ieder voor de helft eigenaar waren van de helm en dat [de werknemer] de helm daarom zonder toestemming van de gemeente als mede-eigenaar niet had mogen verkopen en overdragen. De gemeente heeft voorts aangevoerd dat [gedaagde] niet tegen de beschikkingsonbevoegdheid van [de werknemer] wordt beschermd, nu [gedaagde] als amateur-archeoloog op de hoogte was van de werkelijke waarde van helm en daarom niet te goeder trouw was.

4.2

[Gedaagde] heeft primair betwist dat de gemeente (mede-)eigenaar is van de helm, omdat de gemeente niet de eigenaar was van de bagger waarin de helm door [de werknemer] is aangetroffen.

Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij op grond van artikel 3:86 BW tegen de beschikkingsonbevoegdheid van [de werknemer] wordt beschermd omdat hij te goeder trouw was.

Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij rechtsgeldig de helft van de eigendom van de helm heeft verworven, zodat de gemeente geen rechtsgrond heeft om met succes een vordering tot revindicatie van de helm of tot betaling van de volledige waarde van de helm in te stellen.

4.3

In artikel 5:13, eerste lid BW is bepaald dat een schat voor gelijke delen toekomt aan degene die hem ontdekt en aan de eigenaar van de onroerende of roerende zaak waarin de schat wordt aangetroffen. Ingevolge het tweede lid wordt als een schat aangemerkt een zaak van waarde die zolang verborgen is geweest dat daardoor de eigenaar niet meer kan worden opgespoord.

4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de helm dient te worden aangemerkt als een schat als bedoeld in artikel 5:13, tweede lid BW. De helm is aangetroffen in de bagger die uit de Singel kwam, welke Singel eigendom is van de gemeente. De gemeente is daarmee naar het oordeel van de rechtbank ook eigenaar van de bagger en dus tevens, ingevolge het bepaalde in artikel 5:13, eerste lid BW, voor de helft eigenaar van de helm.

4.5

In artikel 3:170, derde lid BW is bepaald dat met betrekking tot beschikkingshandelingen ten opzichte van een gemeenschappelijk goed, uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd zijn. Hieruit volgt dat [de werknemer], als mede-eigenaar van de helm, zonder medewerking van de gemeente niet bevoegd was om de eigendom van de helm in zijn geheel aan [gedaagde] over te dragen. Aan de vereisten voor een rechtsgeldige overdracht, zoals geformuleerd in artikel 3:84, eerste lid BW is in het onderhavige geval vanwege deze (gedeeltelijke) beschikkingsonbevoegd van [de werknemer] dan ook niet voldaan.

[Gedaagde] heeft echter gesteld dat hij te goede trouw was en mitsdien door het bepaalde in artikel 3:86, eerste lid BW wordt beschermd tegen de (gedeeltelijke) beschikkingsonbevoegdheid van [de werknemer]. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van de stelling dat hij te goeder trouw was gesteld dat [de werknemer] in zijn bijzijn aan [de uitvoerder], heeft gevraagd wat zijn rechten ten aanzien van de helm waren, waarop [de uitvoerder] mededeelde dat hij dat niet wist en dat hij daarop het bestek moest naslaan. [De werknemer] heeft vervolgens enkele dagen later aan [gedaagde] medegedeeld dat hij eigenaar was van de helm en zelf mocht bepalen wat er met de helm moest gebeuren. [Gedaagde] heeft voorts betwist dat hij amateur-archeoloog is en dat hij daarom de werkelijke waarde van de helm had moeten kunnen inschatten. Tot slot heeft [gedaagde] gesteld dat hij de regels omtrent schatvinding in artikel 5:13 BW niet kende of behoorde te kennen.

4.6

Ten aanzien van bovengenoemde stellingen van [gedaagde] overweegt de rechtbank dat uit de door [gedaagde] geschetste gang van zaken blijkt dat [gedaagde] wist dat er met betrekking tot de beschikkingsbevoegdheid van [de werknemer] twijfel bestond en dat men over deze beschikkingsbevoegdheid duidelijkheid wenste te verkrijgen door het bestek erop na te slaan. Gelet op het feit dat [gedaagde] wist onder welke omstandigheden de helm was aangetroffen en hij tevens wist dat het onduidelijk was wie de eigenaar van de helm was, rustte op hem de verplichting om zelf een onderzoek in te stellen naar de beschikkingsbevoegdheid van [de werknemer]. [Gedaagde] had dan ook - nog afgezien van het feit dat hij had dienen te begrijpen dat in het bestek geen antwoord zou worden gegeven op de vraag wie ten aanzien van de helm beschikkingsbevoegd was - niet zonder meer mogen afgaan op de latere mededeling van [de werknemer] zelf dat hij eigenaar van de helm was.

Dit geldt temeer nu het [gedaagde], als lezer van het clubblad van de onder 2.5 genoemde vereniging, bekend had dienen te zijn dat er ten aanzien van het vinden van kostbare voorwerpen door de wet regels zijn gesteld en het had op zijn weg gelegen zich omtrent de inhoud van deze regels nader te informeren. Nu de regels omtrent eigendomsverkrijging in het geval van schatvinding ondubbelzinnig en voor iedereen kenbaar zijn vermeld in artikel 5:13 BW, kan [gedaagde] niet volstaan met de enkele stelling dat hij die regels niet kende. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] deze regels in de gegeven omstandigheden behoren te kennen. Gelet op het bovenoverwogene wordt geoordeeld dat [gedaagde] niet te goeder trouw was en mitsdien geen eigenaar van de (gehele) helm is geworden.

4.7

[Gedaagde] heeft tot slot betoogd dat hij voor de helft eigenaar van de helm is geworden. Hij heeft daartoe verwezen naar het bepaalde in artikel 3:175, eerste lid BW, waarin is bepaald dat iedere deelgenoot over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed kan beschikken, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit en hij heeft gesteld dat [de werknemer] zijn aandeel in de helm rechtsgeldig aan hem heeft verkocht en geleverd.

4.8

Blijkens de Parlementaire Geschiedenis dient bij de zinsnede "indien de rechtsverhouding tussen de deelgenoten niet anders voortvloeit" in artikel 3:175, eerste lid BW onder meer gedacht te worden aan een overeenkomst waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de deelgenoten niet over hun aandeel mogen beschikken en aan het geval dat de strekking van de handeling uit hoofde waarvan het goed door de deelgenoten werd verkregen, zich tegen overdracht van het aandeel door één van de deelgenoten verzet.

4.9

Overwogen wordt dat de rechtsverhouding die tussen de gemeente en [de werknemer] bestond is ontstaan vanwege de toevallige omstandigheid dat het [de werknemer] was die de helm vond en dat het gemeente was die de eigenaar was van de bagger waarin [de werknemer] de helm aantrof. [de werknemer] en de gemeente hebben gelet op deze omstandigheid nooit de bedoeling gehad om tezamen de eigendom van de helm te verwerven, maar zijn, ingevolge het bepaalde in artikel 5:13 BW, buiten hun wil of invloed om, beiden mede-eigenaar van de helm geworden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze rechtsverhouding tussen [de werknemer] en de gemeente zich er niet tegen verzette dat één van de deelgenoten - in het onderhavige geval [de werknemer] - zijn aandeel in het gemeenschappelijk goed - de helm - overdroeg aan een ander, in casu aan [gedaagde]. [gedaagde] is dan ook thans voor de helft eigenaar van de helm.

4.10

Nu een vordering tot revindicatie van een gemeenschappelijk goed dat in het bezit is van de mede-eigenaar van dat goed niet kan slagen en de gemeente niet de verdeling van de gemeenschap heeft gevorderd, zal haar vordering worden afgewezen.

4.11

De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure.

5.

De beslissing

De rechtbank:

5.1

Wijst de vordering af;

5.2

Veroordeelt de gemeente in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 193,-- aan verschotten en op € 780,-- aan salaris. Verklaart dit vonnis voor wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 5 februari 2003.