Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF3607

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
30-01-2003
Zaaknummer
16/110102-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16/110102-02

Datum uitspraak: 28 januari 2003

Tegenspraak

Raadsvrouwe: mr. E.L.J. Bruyninckx (Rotterdam)

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit ter terechtzitting toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het openbaar ministerie heeft immers de verdachte gedagvaard, terwijl in het proces-verbaal van bevindingen van politie d.d. 14 december 2000 staat dat hij niet als verdachte aangemerkt kan worden. Verdachte zou, gelet op deze opmerking, erop mogen vertrouwen dat strafrechtelijk optreden jegens hem achterwege zou blijven.

De rechtbank is van oordeel dat de politie niet zelfstandig de bevoegdheid heeft om te beslissen of iemand strafrechtelijk vervolgd zal worden. Deze bevoegdheid komt uitsluitend aan het openbaar ministerie toe. Gesteld noch gebleken is dat het openbaar ministerie opdracht aan de politie heeft gegeven verdachte mee te delen dat hij niet zal worden vervolgd. Het openbaar ministerie dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging jegens verdachte.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmotivering

Wie een bijzondere verkeersmanoeuvre uitvoert, moet al het overige verkeer voor laten gaan. Is dat praktisch onmogelijk, bijv. wegens verkeersdrukte, dan moet die manoeuvre met zo min mogelijk hinder voor de overige weggebruikers worden uitgevoerd en wel zodanig, dat zij tijdig maatregelen kunnen nemen om een botsing of aanrijding met het voertuig, waarmee de manoeuvre wordt uitgevoerd, te voorkomen. De meest logische maatregel is naar het oordeel van de rechtbank dan het inroepen van de hulp van een of meer anderen.

Op de bestuurder rust in zo'n geval in de eerste plaats de plicht die maatregelen te nemen. Ook op degene, die, al dan niet op verzoek, de bestuurder ter zijde staat bij het uitvoeren van een dergelijke manoeuvre, rust de plicht zich zo op de weg te gedragen, dat een botsing of aanrijding met een andere verkeersdeelnemer wordt voorkomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken:

- De bestuurder reed achteruit vanaf de bouwplaats de toen (zeer) drukke rijbaan van de Graadt van Roggenweg op.

- Verdachte, die op de heenweg het voertuig had bestuurd, zat rechts naast de bestuurder en heeft feitelijk "meegekeken". Hij was dus bijrijder en daarmee was hij verkeersdeelnemer in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

- Verdachte was bekend met de aanwezigheid van de in die weg gelegen zogenaamde vrije trambaan.

- De rijbaan van die Graadt van Roggenweg was ongeveer 7,20 m breed. Het voertuig was zo lang, dat de bestuurder moest "steken".

- Verdachte wist, dat de giek van de op het voertuig gemonteerde betonpompinstallatie ongeveer 1,25 m achter dat voertuig uitstak.

Van algemene bekendheid is, dat een tram op een zogenaamde vrije trambaan niet langzaam tussen twee haltes pleegt te rijden. Bovendien is van algemene bekendheid, dat een tram een lange remweg heeft.

Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, had verdachte derhalve er mede voor moeten zorgen dat de overige weggebruikers tijdig werden gewaarschuwd, zodat zij op hun beurt tijdig maatregelen konden nemen om een botsing of aanrijding te voorkomen. Nu verdachte dat niet heeft gedaan, had hij in elk geval de bestuurder moeten waarschuwen zodra de giek boven de trambaan dreigde uit te steken.

Door dat niet te doen is het mede zijn schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, dat door de plaatsgehad hebbende botsing een persoon om het leven is gekomen en anderen zijn gewond.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood,

en

Medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Hoewel verdachtes mededader als bestuurder primair verantwoordelijk is en blijft voor het veilig verloop van de onderhavige manoeuvre, rekent de rechtbank het verdachte aan, zij het in mindere mate, dat hij de onderhavige manoeuvre mede heeft uitgevoerd zonder de vereiste maatregelen te nemen om een botsing of aanrijding te voorkomen.

- Als hij had gedaan wat van hem mocht worden verwacht, dan was de kans dat er slachtoffers waren gevallen verwaarloosbaar klein geweest.

- De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het in het hedendaagse verkeer niet ongebruikelijk is, manoeuvres als de onderhavige uit te voeren op de wijze zoals verdachte dat - overigens ten onrechte - mede heeft gedaan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 04 december 2002, waaruit blijkt dat de verdachte nog niet eerder veroordeeld is geweest;

- het feit dat aannemelijk is geworden dat het gebeuren ook in het leven van verdachte en zijn gezin sporen heeft nagelaten.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot - kort gezegd - een werkstraf van zestig uren.

Naar het oordeel van de rechtbank is de termijn, verstreken tussen de dag waarop verdachte is gehoord en die van de terechtzitting onwenselijk lang, zeker gezien de aard van de beschuldiging. De rechtbank acht een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd in dit geval passend, maar zij zal bij de strafoplegging rekening houden met de geschonden redelijke termijn van de strafvervolging. De rechtbank acht derhalve, gelet op de aard en de ernst van voormelde feiten en rekening houdend met de persoon van verdachte, een onvoorwaardelijke taakstraf als na te melden passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen zijn de op te leggen straffen gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van ZESTIG UREN, te vervangen door hechtenis voor de duur van dertig dagen, indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs. E.F. Bueno, J.M. Bruins en S.M.Borkent, bijgestaan door S.E. Lim als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2003.