Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2003:AF3268

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-01-2003
Datum publicatie
24-01-2003
Zaaknummer
131793/HAZA 01-1235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

V O N N I S

van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer

voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

de stichting Stichting Amersfoort Beiaardstad,

gevestigd te Amersfoort,

e i s e r e s,

procureur: mr. P.M. Strengers,

- t e g e n -

[gedaagde],

wonende te Utrecht,

g e d a a g d e,

procureur: mr. H. Brouwer.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk "de Stichting" en "[gedaagde]".

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- dagvaarding in versneld regime van 11 juni 2001;

- conclusie van eis, tevens akte houdende overlegging producties;

- conclusie van antwoord;

- tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van comparitie van partijen;

- conclusie van repliek, genomen nadat de zaak op verzoek van de Stichting is verwijderd uit het versneld regime;

- conclusie van dupliek.

1.2. Vervolgens hebben partijen hun standpunt mondeling doen bepleiten, op 2 juli 2002. Bij die gelegenheid zijn aan beide zijden pleitnota's overgelegd.

1.3. Na de pleidooien heeft [gedaagde], daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, een akte genomen waarbij een aantal aanvullende producties zijn overgelegd. De Stichting heeft hierop gereageerd bij antwoordakte.

1.4. Ten slotte hebben partijen aan de rechtbank verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. De Stichting heeft krachtens haar statuten tot doel, in het bijzonder, de verwerving en installatie van een klokgelui, namelijk een concertbeiaard, ten behoeve van de Onze Lieve Vrouwe Toren te Amersfoort, alsmede de oprichting en exploitatie van een beiaardmuseum.

2.2. Om gelden te verwerven voor de verwezenlijking van bovenvermeld doel heeft de Stichting in september 1997, na overleg met [gedaagde], honderd kleurenlithografieën vervaardigd door [de kunstenaar], genummerd 10 tot en met 110 en voorstellende een stadsgezicht waarop bovenbedoelde toren is afgebeeld, hierna "de litho's", gekocht van [gedaagde].

2.3. De litho's waren bestemd voor wederverkoop aan derden. Partijen hebben hiertoe afgesproken dat [gedaagde] de regie over die verkoop zou voeren, dat de (weder)verkoopprijs per litho ƒ 550,- zonder lijst en ƒ 800,- met lijst zou bedragen, en dat de verkoopopbrengst zou worden afgedragen aan de Stichting.

2.4. De tussen partijen overeengekomen koopprijs voor de litho's bedroeg, in totaal, ƒ 25.000,-. De Stichting heeft dit bedrag aan [gedaagde] betaald. Met het oog op de nagestreefde wederverkoop heeft [gedaagde] het merendeel van de litho's onder zich gehouden en een beperkt aantal exemplaren ondergebracht bij [een kunstgalerie].

2.5. De Stichting heeft [gedaagde] aanvankelijk, bij brieven van 27 juni 2000 en 13 december 2000, aangesproken tot terugbetaling van ƒ 19.750,- van bovengenoemde koopprijs. Later, bij brieven van 31 januari 2001 en 3 april 2001, heeft zij hem aangesproken tot terugbetaling van de gehele ƒ 25.000,- die zij hem had betaald. [gedaagde] is tot geen van beide bereid gevonden.

3. De vordering en het verweer

3.1. De Stichting heeft gevorderd, samengevat, dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan de Stichting te betalen een geldsom van ƒ 28.750,-, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ten belope van ƒ 2.885,-, met wettelijke rente over beide bedragen vanaf 15 mei 2001, en met proceskosten.

3.2. Bovenvermelde vordering is gebaseerd op de stelling, samengevat, dat partijen in het kader van de aankoop van de litho's door de Stichting zijn overeengekomen dat [gedaagde] niet wederverkochte litho's na verloop van één jaar van de Stichting zou terugkopen voor een bedrag van ƒ 250,- per stuk, dat het grootste deel van de litho's onverkocht is gebleven, en dat [gedaagde] uit dien hoofde en wegens de verkoop van tien wél verkochte (althans vervreemde) litho's ƒ 28.750,- aan de Stichting is verschuldigd.

3.3. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen het door de Stichting gevorderde, waarbij hij in het bijzonder heeft aangevoerd, samengevat, dat het onverkocht blijven van het merendeel van de litho's niet aan hemzelf, maar aan de lethargie van de Stichting is te wijten. Het verweer zal, voorzover voor de beoordeling van het geschil van belang, verder hierna aan de orde komen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Gelet op de ingestelde vordering, de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd en het gevoerde verweer dient de rechtbank allereerst te beoordelen, samengevat, of op [gedaagde] een verplichting tot terugkoop van de litho's rust waarvan de Stichting bevoegd is thans nakoming te vorderen. Hierover wordt het volgende overwogen.

4.2. Vaststaat dat partijen in september 1997 zijn overeengekomen dat indien de litho's niet (alle) binnen één jaar zouden zijn (door)verkocht, de niet verkochte exemplaren door [gedaagde] zouden worden teruggekocht voor een bedrag van ƒ 250,- per stuk, welke afspraak is vastgelegd in een brief gedateerd 12 september 1997 van de toenmalige secretaris van de Stichting aan [gedaagde]. Vaststaat voorts dat hierbij is overeengekomen dat bovenbedoelde termijn van één jaar zou verstrijken op 1 november 1998. Vaststaat ten slotte dat slechts een beperkt aantal litho's is (door)verkocht en dat (in ieder geval) negentig exemplaren onverkocht zijn gebleven.

4.3. Uit de hierboven beschreven terugkoopafspraak en het onverkocht blijven van het grootste deel van de litho's volgt dat [gedaagde] verplicht is om de niet verkochte litho's van de Stichting terug te kopen tegen betaling van de hierboven aangehaalde stuksprijs. [gedaagde]' onder 3.3. aangehaalde verweer erop neerkomende dat het onverkocht blijven van (het merendeel van) de litho's aan de Stichting zelf valt toe te rekenen wegens haar lethargische houding, doet aan deze verplichting niet af. Dat verweer doet evenmin af aan de bevoegdheid van de Stichting om nakoming van de terugkoopverplichting te vorderen.

4.4. Blijkens de onder 4.2. genoemde brief is tussen partijen immers uitdrukkelijk overeengekomen dat [gedaagde] de regie van de verkoop zou voeren, met dien verstande dat hij "over de techniek van verkoop en de te voeren publiciteit" contact zou houden met de Stichting. Krachtens deze afspraak diende [gedaagde], gelet op de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de (weder)verkoop van de litho's ter hand te nemen althans bij die verkoop het voortouw te voeren. Dit wordt niet anders doordat [gedaagde], naar eigen zeggen, geen dan wel onvoldoende medewerking van de Stichting heeft gekregen bij die verkoop, in het bijzonder bij de vervaardiging van een verkoopbrochure.

4.5. Niet gebleken is namelijk dat [gedaagde], zo hij daarbij medewerking van de Stichting behoefde, in voldoende mate en op een hiertoe geëigende wijze heeft getracht die medewerking te verkrijgen en dat hem die vervolgens desalniettemin is onthouden. Een enkel, eventueel herhaald, verzoek om commentaar op een ontwerpwervingstekst en om een adres en een bank- of girorekeningnummer dat [gedaagde], naar de Stichting onweersproken heeft gesteld, ook uit andere bron bekend was, kan niet gelden als een voldoende poging om de gewenste medewerking van de Stichting te verkrijgen, reeds omdat daaruit aan de Stichting niet aanstonds duidelijk behoefde te zijn dat een en ander noodzakelijk was voor het ter hand nemen van de verkoop, zo een dergelijke, ten processe niet gebleken, noodzaak al zou moeten worden aangenomen.

4.6. Niet gebleken is bovendien dat [gedaagde] zélf in voldoende mate inspanningen heeft verricht teneinde de verkoop van de litho's te bewerkstelligen. [gedaagde] heeft ten processe gesteld "een groot aantal uren aan het ontwerpen van een folder incl. de bijbehorende teksten" (conclusie van antwoord onder 4.h. en 7. en conclusie van dupliek onder 5.) en "veel werk (…...) aan het ontwerpen van de folder met een tekst" te hebben besteed (pleitnota onder 2.). Hetgeen hij ter adstructie hiervan bij zijn onder 1.3. genoemde akte heeft overgelegd, duidt daarop echter in de verste verte niet, terwijl de door [gedaagde] gestelde vele uren werk ook voor het overige niet althans volstrekt onvoldoende door feiten worden gestaafd.

4.7. Van belang is verder dat [gedaagde], voorzover ten processe gebleken zonder voorafgaand overleg met de Stichting, vijfenzeventig additionele litho's overeenstemmend met de door de Stichting gekochte litho's heeft laten drukken, die blijkbaar eveneens voor verkoop aan derden (door hemzelf) waren bestemd. Deze handelwijze, in het bijzonder het daardoor teweeggebrachte aanbod van litho's náást de litho's van de Stichting en de vermindering van exclusiviteit door de vergroting van het totale aanbod, heeft, naar [gedaagde] had behoren te begrijpen, de verkoopmogelijkheden (en -prijs) voor de Stichting beperkt. [gedaagde], die met de onder 2.2. vermelde bedoeling van de Stichting bekend was, is hierdoor tekortgeschoten in de behartiging van de belangen van de Stichting bij de verkoop van háár litho's, waarover hij juist de regie had.

4.8. Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat de vordering van de Stichting voorzover zij strekt tot terugkoop respectievelijk -betaling door [gedaagde] van niet verkochte litho's, zal worden toegewezen. Hierbij zal worden uitgegaan van negentig niet verkochte litho's tegen een terugkoopprijs van ƒ 250,- per stuk, nu [gedaagde]' raadsman bij brief van 25 april 2001 aan de Stichting heeft medegedeeld negentig, blijkbaar onverkochte, litho's onder zich te hebben en van enige verkoop na 25 april 2001 niet is gebleken. [gedaagde] is derhalve gehouden tot betaling aan de Stichting van de tegenwaarde in euro's van ƒ 22.500,-, namelijk negentig maal ƒ 250,-.

4.9. Uit het onder 4.8. overwogene volgt dat tien litho's (van het totaal van honderd door de Stichting gekochte exemplaren) als wél verkocht moeten worden beschouwd, zodat krachtens de onder 2.3. aangehaalde afspraken de verkoopopbrengst daarvan door [gedaagde] aan de Stichting dient te worden afgedragen. Hierbij zal worden uitgegaan van drie litho's met lijst en zeven zonder, tegen de onder 2.3. aangehaalde verkoopprijzen zoals door de Stichting in de dagvaarding is gesteld, nu [gedaagde] een en ander niet althans onvoldoende heeft weersproken. Uit dien hoofde is [gedaagde] derhalve de tegenwaarde in euro's van ƒ 6.250,- verschuldigd, namelijk drie maal ƒ 800,- en zeven maal ƒ 550,-.

4.10. Uit het onder 4.8. en 4.9. overwogene volgt dat de gevorderde hoofdsom van ƒ 28.750,- in haar geheel zal worden toegewezen tot haar tegenwaarde in euro's, derhalve tot een bedrag van € 13.046,18. Ook de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 mei 2001 zal, reeds bij gebreke van toereikend verweer, worden toegewezen. Niet toewijsbaar zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, aangezien niet gebleken is dat de verrichtingen waarvoor onder deze noemer vergoeding wordt gevorderd, duidelijk meer hebben omvat dan het opstellen en versturen van enkele sommatiebrieven, het aanleggen van een dossier en het verrichten van handelingen ter voorbereiding van een mogelijk rechtsgeding. Een vergoeding voor de hierop betrekking hebbende kosten moet, nu een geding is gevolgd, worden geacht te zijn begrepen in de hierna uit te spreken proceskostenveroordeling.

4.11. Aan het bewijsaanbod van [gedaagde] komt, gegeven het hierboven overwogene, geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak. Dit bewijsaanbod zal daarom als niet terzake dienend worden gepasseerd.

4.12. [gedaagde] zal, als in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1. veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de Stichting te betalen een geldsom van € 13.046,18 (dertienduizend zesen-veertig euro's en achttien eurocent), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 mei 2001 tot aan de dag van voldoening;

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 317,36 aan verschotten en op € 2.145,- aan salaris;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.H.F.M. Cortenraad LL.M. en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 22 januari 2003.

w.g. griffier w.g. rechter