Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE8164

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
16/028567-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 16/028567-02

Datum uitspraak: 27 september 2002

Tegenspraak Verkort vonnis

Raadsman: mr. R.A. van der Velde

G/T: Ja

V O N N I S

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 september 2002.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 13 september 2002 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

2. De bewijsbeslissing

2.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voorzover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

3. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

4. De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft onder meer aangevoerd dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, zijn cliënt heeft geschoten uit gevoelens van angst. De raadsman stelt dat verdachte door een groep jongeren, die in Utrecht bekend staat als berucht, werd belaagd terwijl hij in zijn auto zat.

Voorzover de raadsman hiermee een beroep op noodweer doet, verwerpt de rechtbank dit verweer, nu op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, niet aannemelijk is geworden dat verdachte genoodzaakt was zich onmiddellijk te verdedigen tegen enige onmiddellijke wederrechtelijke aanranding.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

5. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Na een ruzie omtrent het verkeersgedrag van verdachte, waarbij verdachte en het latere slachtoffer X, betrokken waren, is verdachte met de door hem bestuurde bedrijfswagen teruggereden naar zijn werkgever en vervolgens met zijn eigen personenauto teruggereden naar de wijk waar hij eerder bij de ruzie met X betrokken is geweest. Nadat verdachte X op straat had gezien, is hij met zijn auto naar die X toe gereden en heeft hij vanuit het geopende raam van zijn auto, waarin hij als passagier meereed, met een vuurwapen een aantal schoten afgevuurd in de richting van die X. Daarbij is die X tweemaal in zijn linkerhand geraakt en heeft daarbij een verwonding opgelopen waar hij nog dagelijks last van heeft. Een vijftienjarige jongen die niets met de ruzie te maken had, heeft daarbij een schampschot aan de knie opgelopen.

- Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan is het niet ondenkbeeldig dat X en ook het andere slachtoffer daarbij dodelijk getroffen hadden kunnen worden. Verdachte heeft zich daar geen rekenschap van gegeven. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte uitermate gevaarlijk is geweest voor zowel de slachtoffers als ook voor de vele anderen die zich op dat moment in de directe omgeving van de plaats van de schietpartij bevonden. De rechtbank rekent dit verdachte zeer ernstig aan.

Dat de handelingen van verdachte niet tot dodelijk letsel hebben geleid gekomen is niet te danken aan de handelingen van verdachte.

- Het hoeft geen betoog dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd na een dergelijk gebeuren, psychische gevolgen daarvan ondervinden.

- Een dergelijk delict is een feit waardoor de rechtsorde zeer ernstig is geschokt en dat in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengt.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- De inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 19 juli 2002, waaruit blijkt dat de verdachte in september 1997 eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

- Een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 5 september 2002, opgemaakt door mevrouw M.J.T. Tijhuis, reclasseringswerkster.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar alsmede verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen patronen en een gaspistool.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Verbeurdverklaring:

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een personenauto, merk Opel, type Vectra, kleur beige, voorzien van het kenteken DS-VV-19;

is vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien met behulp van dit voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde is begaan.

Voornoemd voorwerp zal daarom verbeurd worden verklaard.

Onttrekking aan het verkeer:

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 patronen, merk FN, kaliber 9 mm Para en 1 patroon, merk K, kaliber 9 mm 2Z en;

- een aanstekerpistool, merk Match Winner Padimaster, nr. 1911-A1,

zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, aangezien deze aan verdachte toebehorende voorwerpen, bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Voornoemde voorwerpen zullen daarom onttrokken worden aan het verkeer.

De vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij X heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade ten bedrage van Euro 1.500,00 ten gevolge van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 primair bewezenverklaarde feit, tot een bedrag van Euro 1.350,00. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen.

Hetgeen door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd, te weten de kosten van een Nike-broek alsmede de kosten van reparatie van een horloge, zal moeten worden afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat deze schade het gevolg is geweest van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

6. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 27, 33, 33a, 36d, 36f, 45, 57, en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

7. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de tijd van VIER JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een personenauto, merk Opel, type Vectra, kleur beige, voorzien van het kenteken DS-VV-19.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 2 patronen, merk FN, kaliber 9 mm Para en 1 patroon, merk K, kaliber 9 mm 2Z en;

- een aanstekerpistool, merk Match Winner Padimaster, nr. 1911-A1,

Wijst de vordering van de benadeelde partij X, wonende te Utrecht, ten dele toe tot een bedrag van Euro 1350,00 (zegge dertienhonderdenvijftig euro) ter zake van de kosten van een polo-shirt, een paar Nike-schoenen, een voorschot op de kosten van rechtsbijstand alsmede als voorschot op een eventueel later te ontvangen schadevergoeding ter zake van immateriële schade.

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen Euro 1.350,00 (zegge dertienhonderdenvijftig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 27 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de verdachte dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voorzover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs. A.H. Weijsenfeld, H. Phaff en A. Smit, bijgestaan door H.J. Nieboer als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2002.

Mr. A. Smit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.