Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE7952

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
24-09-2002
Zaaknummer
150496/KG ZA 02-897/AvM
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kort-gedingnr. 150496 / KG ZA 02 - 897/AvM 24 september 2002

RECHTBANK UTRECHT

Sector Handels- en Familierecht

VONNIS van de voorzieningenrechter

in kort geding in de zaak van:

stichting

STICHTING HET HOF VAN EDEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

gemeente Utrecht,

e i s e r e s,

procureur: mr. E.H. de Jonge-Wiemans,

advocaat : mr. S.J. van der Woude,

- t e g e n -

DE STAAT DER NEDERLANDEN (OPENBAAR MINISTERIE TE UTRECHT),

zetelende te 's-Gravenhage,

g e d a a g d e,

procureur: mr. M. Nuyten,

advocaat : mr. M.J. Borgers.

1. Het verloop van het geding

1.1 Eiseres, hierna te noemen: Hof van Eden, heeft gedaagde, verder te noemen: De Staat, in kort geding doen dagvaarden. Op de dienen-de dag, 10 september 2002, heeft zij van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotoko-pie aan dit vonnis is gehecht.

1.2 Hof van Eden heeft vervolgens bij monde van haar advocaat haar vordering doen toelichten mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen en producties.

1.3 De Staat heeft hierop bij monde van haar advo-caat verweer doen voeren mede aan de hand van een overgelegde pleitno-ta en overge-legde producties. Bij die gelegenheid heeft De Staat een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld zoals hierna onder 3.12 weergegeven.

1.4 Tegen de voorwaardelijke eis in reconventie heeft Hof van Eden verweer gevoerd.

1.5 Na voortgezet debat, waarbij ook enige inlichtingen zijn verschaft door [namen betrokkenen] hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op 17 december 2001 zijn door de Staat bij Hof van Eden op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering (Sv) verschillende dieren in beslag genomen. Een aantal van deze dieren is diezelfde dag gedood en de overige dieren zijn door de Staat in bewaring gegeven bij Kassing-De Raaphof B.V. te Bunnik (hierna te noemen: Kassing).

2.2 Op 18 december 2001 is door Hof van Eden een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend bij deze rechtbank. Dit klaagschrift is op 4 februari 2002 ongegrond verklaard.

2.3 Op 8 mei 2002 heeft de economische politierechter van deze rechtbank Hof van Eden wegens overtreding van verschillende economische delicten veroordeeld tot voorwaardelijke geldboetes en daarbij een deel van de in beslag genomen dieren verbeurd verklaard en teruggave gelast van het overige deel van deze dieren. Tegen dit vonnis is Hof van Eden op 21 mei 2002 in beroep gekomen.

2.4 Nadat een eerder door Hof van Eden op de dieren gelegd conservatior derdenbeslag van rechtswege was komen te vervallen en een tweede conservatoir derdenbeslag nietig bleek, heeft Hof van Eden met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 29 juli 2002 opnieuw conservatoir derdenbeslag ten laste van De Staat doen leggen bij Kassing op de nog niet teruggegeven dieren. De hoofdzaak tegen De Staat was reeds op 13 maart 2002 door Hof van Eden aanhangig gemaakt door het uitbrengen van een dagvaarding tegen 16 juli 2002 voor de rechtbank in het arrondissement 's-Gravenhage. Op die datum is de dagvaarding aangebracht en heeft De Staat aanhouding voor antwoord verkregen.

2.5 Het openbaar ministerie is voornemens om voor het overgrote deel van de dieren een machtiging tot vervreemding op grond van artikel 177 lid 1 Sv te verlenen. De grond hiervoor is dat de kosten van bewaring (vanaf 17 december 2001 tot en met 1 augustus 2002 een bedrag van € 88.586,25) niet in redelijke verhouding zouden staan tot de waarde van de dieren (op 18 december 2001 is de waarde van de in beslag genomen 23 runderen, 22 geiten en 204 stuks pluimvee getaxeerd op € 2.609,-

(ƒ 5.750,-)), terwijl bovendien de dieren vervangbaar zouden zijn en de tegenwaarde zich eenvoudig laat bepalen. De Staat heeft inmiddels een potentiële koper gevonden voor de in beslag genomen dieren.

3. Het geschil en de beoordeling ervan

3.1. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vor-dering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Kort weergegeven houdt de vordering in dat De Staat wordt verboden om de nog niet teruggegeven dieren te (doen) vervreemden, doden of anderszins te onttrekken aan het conservatoir derdenbeslag zulks op straffe van een dwangsom.

3.2 De stellingen van Hof van Eden en het verweer van De Staat komen in het volgende voor zoveel nodig aan de orde.

3.3 Hof van Eden legt aan haar vordering ten grondslag dat De Staat niet bevoegd is een machtiging tot vervreemding te verlenen nu door haar conservatoir derdenbeslag op de dieren is gelegd. De Staat heeft hier enerzijds tegen ingebracht dat het gelegde conservatoir derdenbeslag van rechtswege is komen te vervallen nu Hof van Eden de eis in de hoofdzaak niet (tijdig) heeft ingesteld en anderzijds dat de bevoegdheid tot vervreemding voortvloeiende uit artikel 117 lid 1 Sv niet wordt geblokkeerd door een civielrechtelijk conservatoir derdenbeslag op de te vervreemden voorwerpen.

3.4 Het door de Staat gevoerde verweer dat het gelegde conservatoir derdenbeslag van rechtswege is komen te vervallen nu Hof van Eden de eis in de hoofdzaak niet (tijdig) heeft ingesteld wordt door de voorzieningenrechter gepasseerd. De voorzieningenrechter heeft aan het verleende verlof tot het doen leggen van beslag de voorwaarde verbonden dat Hof van Eden de eis in de hoofdzaak binnen vier weken na beslaglegging diende in te stellen, enkel om de reden dat hem uit het verzoek niet bleek dat er reeds een eis in de hoofdzaak was ingesteld. Indien het de voorzieningenrechter bekend was geweest dat dit reeds wel het geval was had hij het toevoegen van deze voorwaarde achterwege gelaten omdat daaraan immers reeds was voldaan. De voorzieningenrechter is dan ook niet van oordeel dat het gelegde beslag van rechtswege is komen te vervallen.

3.5 Omtrent het door de Staat gevoerde verweer dat de uit artikel 117 lid 1 Sv voortvloeiende bevoegdheid tot vervreemding van in beslag genomen voorwerpen niet wordt geblokkeerd door een civielrechtelijk conservatoir derdenbeslag op de te vervreemden voorwerpen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.6 Met toepassing van artikel 700 Rv is door Hof van Eden beslag tot afgifte gelegd op de door de Staat in beslag genomen dieren. Ingevolge het derde lid van dit artikel dient hieraan een vordering in een hoofdzaak te worden verbonden. Door de Staat is aangevoerd dat de door Hof van Eden bij de arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage ingestelde vordering in de hoofdzaak niet als zodanig kan gelden nu die civielrechtelijke procedure nimmer kan leiden tot een bevel tot teruggave; die beslissing is immers voorbehouden aan de rechter in de strafrechtelijke procedure. De voorzieningenrechter merkt op dat hem is gebleken dat Hof van Eden een wijziging van eis in die hoofdzaak heeft ingediend. Deze wijziging heeft tot gevolg dat de vordering er thans (onder meer) toe strekt dat De Staat wordt bevolen de nog niet teruggegeven dieren binnen twee dagen nadat de bevoegde rechter een daartoe strekkende last heeft gegeven, aan Hof van Eden dient terug te geven, zulks op straffe van een dwangsom. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Hof van Eden hiermee een zodanige vordering in de hoofdzaak aan het gelegde conservatoir derdenbeslag verbonden dat aan het verweer van De Staat de formele vereisten van artikel 700 Rv betreffende, voorbij dient te worden gegaan. Weliswaar beslist niet de civiele rechter, maar de strafrechter ten gronde over de teruggaaf en kan worden aangenomen dat De Staat aan een teruggaafverplichting van de strafrechter uitvoering geeft, maar een executoriale titel met dwangsom levert de strafrechterlijke beslissing formeel niet op. Daarnaast is het beslag een gerechtvaardigd middel tot bewaring van recht, waarop hierna zal worden ingegaan.

3.7 Voorts heeft De Staat aangevoerd dat het gelegde conservatoir beslag niet aan de bevoegdheid voorvloeiende uit artikel 117 Rv in de weg kan staan. Ter onderbouwing daarvan heeft De Staat er op gewezen dat de wetgever er blijkens de wetswijziging van 1 januari 1996 voor heeft gekozen de rechterlijke machtiging in deze procedure af te schaffen. Indien het gelegde civielrechtelijke beslag wel aan deze bevoegdheid in de weg zou staan, zou De Staat hieraan slechts kunnen ontkomen door de rechter te verzoeken dit beslag op te heffen. Daarmee zou naar het oordeel van De Staat een rechterlijke toetsing weer onderdeel van de procedure gaan uitmaken hetgeen de wetgever nu juist heeft willen voorkomen. Omtrent dit punt overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.8 Bij de wetswijziging van 1 januari 1996 is de procedure als omschreven in artikel 117 Sv in die zin vereenvoudigd dat een rechterlijke machtiging geen deel van die procedure meer uitmaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan hieraan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de wetgever daarmee tevens heeft bedoeld dat terzake geen enkele rechterlijke toetsing meer mogelijk zou dienen te zijn. De wetgever heeft er bij die gelegenheid immers niet voor gekozen om expliciet te bepalen dat tegen een beslissing tot het verlenen van een machtiging geen rechtsmiddel open staat. Bovendien is in de rechtspraak erkend dat tegen een machtiging met een beroep op onrechtmatige daad bij de civiele rechter kan worden opgekomen. In die zin kan het door De Staat gevoerde verweer dan ook geen doel treffen.

3.9 Omtrent dit punt stelt de voorzieningenrechter voorts vast dat, indien een machtiging tot vervreemding als bedoeld in artikel 117 Sv door het openbaar ministerie wordt verleend, daaromtrent geen mededeling behoeft te worden gedaan aan de beslagene. Dit betekent dat, indien het openbaar ministerie niet op voorhand bekend maakt voornemens te zijn van deze bevoegdheid gebruik te maken, de beslagene bij gebrek aan kennis niet tegen het verlenen van deze machtiging kan opkomen, hoewel het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv in voorkomend geval als een onrechtmatige daad zou kunnen worden aangemerkt.

3.10 Teneinde derhalve -zoals in casu- als beslagene de aanspraak op teruggaaf van de in beslag genomen dieren te verzekeren en voorts de mogelijkheid te behouden zich tegen een eventuele machtiging (die zelfs fictief kan zijn, zie artikel 117, lid 5 Rv) te verzetten, kan het leggen van conservatoir beslag in beginsel als een gerechtvaardigd middel worden beschouwd. Eerst indien de voorzieningenrechter heeft beslist dat een dergelijke conservatoir derdenbeslag dient te worden opgeheven, wordt de blokkade terzake opgeheven.

3.11 De Staat heeft aangevoerd dat een belangenafweging ertoe dient te leiden dat het beslag dient te worden opgeheven Zij verwijst daarbij naar het gestelde in de artikelen 117 lid 2, aanhef en onder b. en c. Sv, welke grondslagen zij aan het verlenen van de machtiging ten grondslag zou willen leggen. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.12 Het openbaar ministerie kan overgaan tot het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv indien de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde. Met De Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat de kosten van bewaring erg hoog zijn. De voorzieningenrechter merkt daarbij evenwel op dat De Staat desgevraagd geen enkele verklaring voor deze hoogte heeft kunnen geven en niet inzichtelijk heeft kunnen maken waarop de door Kassing gedeclareerde kosten zijn gebaseerd. Daarnaast heeft De Staat aangegeven niet te hebben gezocht naar een andere, goedkopere plaats van bewaring en evenmin contact met Hof van Eden te hebben opgenomen teneinde te bezien of zij wellicht bereid was, zoals zij ter zitting wel heeft aangegeven, een deel van deze kosten voor haar rekening te nemen. Tenslotte merkt de voorzieningenrechter hierbij op dat het, gelet op het feit dat het hier dieren betreft die onderdeel van een bijzonder fokprogramma uitmaken, moeilijk is de waarde van deze dieren te bepalen en deze af te zetten tegen de kosten die verbonden zijn aan bewaring. Bovendien is daarbij van betekenis, dat deze dieren voor de beslagene mogelijk een affectieve waarde hebben. Het gestelde in artikel 117, lid 2, aanhef en onder b. Sv kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook thans niet leiden tot het oordeel dat een belangenafweging -ook bij marginale toetsing van de bevoegdheid van het openbaar ministerie- terzake in het voordeel van De Staat dient uit te vallen.

3.13 Voorts heeft De Staat zich omtrent dit punt beroepen op het gestelde in artikel 117, lid 2 aanhef en onder c Sv. Gelet op het hierboven bij 3.12 gestelde kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geoordeeld dat de in beslag genomen dieren makkelijk vervangbaar zijn (waarbij de voorzieningenrechter nog opmerkt dat onweersproken is gesteld dat yaks in Nederland zeer zeldzaam zijn) en kan evenmin worden geoordeeld dat hun tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Ook dit punt kan derhalve niet tot het oordeel leiden dat een belangenafweging terzake in het voordeel van De Staat dient uit te vallen.

3.14 Gelet op het bovenstaande behoeft de stelling van de De Staat dat de belangen van Hof van Eden voldoende worden gewaarborgd door het gestelde in artikel 119 lid 2 Sv, geen verdere behandeling.

3.15 Voorshands komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de voorgenomen machtiging jegens Hof van Eden onrechtmatig is en de reconventionele vordering zoals die door De Staat is ingediend dient dan ook te worden afgewezen.

3.16 Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter de vordering van Hof van Eden toewijzen. Voor zover Hof van Eden daarbij heeft verzocht aan De Staat een dwangsom op te leggen oordeelt de voorzieningenrechter dat hij, nu De Staat heeft toegezegd dit vonnis te zullen naleven, dit deel van de vordering zal afwijzen.

3.17 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

4.1. verbiedt De Staat om de dieren die op 17 december 2001 onder Hof van Eden in beslag zijn genomen en waarop op 29 juli 2002 door Hof van Eden conservatoir beslag is gelegd, te (doen) vervreemden, doden of anderszins te onttrekken aan het beslag anders dan door teruggave aan Hof van Eden;

4.2 wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie:

4.3 wijst de vordering tot opheffing van het beslag af;

In conventie en in reconventie:

4.4 veroordeelt De Staat in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hof van Eden begroot op € euro 703,00 (zevenhonderddrie euro) voor sala-ris van haar procureur, op euro€ 96,50 (zesennegentig euro en vijftig eurocent) voor griffierecht en euro € 65,18 (vijfenzestig euro en achttien eurocent) exclusief BTW voor explootkosten;

4.5 bepaalt dat De Staat voormelde kosten dient uit te betalen aan de griffier van de rechtbank, zulks op de voet van het bepaal-de in artikel 243 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

4.6 verklaart dit vonnis uit-voer-baar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2002.

wg griffier wg rechter