Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE7949

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
24-09-2002
Zaaknummer
149930-02-862
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaak/rolnr. 149930-02-862/MR 24 september 2002

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht in het kort geding van:

[eiser],

wonende te Rotterdam,

eiser,

procureur: mr. L.A.M. van Kippersluis,

advocaat: mr. A.H. Wijnberg te Groningen,

-tegen-

de stichting STICHTING SAMENWERKENDE PUBLIEKE OMROEPEN MIDDEN NEDERLAND,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. R.S. de Vries te Amsterdam.

1. Het verloop van het geding

Eiser heeft de gedaagde, verder te noemen: de SSPOMN, in kort geding doen dagvaarden. Nadat partijen voor de dienende dag, 6 september 2002, om aanhouding hadden verzocht, is de zaak op hun gezamenlijk verzoek uitgeroepen ter zitting van 17 september 2002. Op laatstgenoemde datum heeft [eiser] van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

[eiser] heeft zijn vordering bij monde van zijn advocaat mr. A.H. Wijnberg toegelicht mede aan de hand van een overgelegde pleitnotitie en bij akte in het geding gebrachte producties.

De SSPOMN heeft daarop bij monde van haar advocaat mr. R.S. de Vries verweer gevoerd mede aan de hand van overgelegde pleitnotities en producties.

Tijdens het voortgezette debat zijn aan de zijde van [eiser] ook enige inlichtingen verschaft door [eiser] zelf. Aan de zijde van de SSPOMN zijn enige inlichtingen verschaft door de voorzitter van haar bestuur [betrokkene].

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. [eiser] is op 1 juni 1995 in dienst getreden van de Stichting Omroep Utrecht.

Sedert 1 januari 1998 vervult hij de functie van directeur van deze Stichting.

2.2. De stichting Regionale Omroep Stichting Utrecht en de Stichting Omroep Utrecht hebben

op 4 april 2000 een samenwerkingsovereenkomst van publieke omroepen Midden Nederland gesloten. Zij hebben daartoe, blijkens artikel 2 van de op schrift gestelde (samenwerkings)overeenkomst, de SSPOMN opgericht. De Regionale Omroep Stichting Utrecht heeft aan de SSPOMN de operationele verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor het verzorgen van een regionaal televisieprogramma, gericht op de regio Utrecht, tot en met 31 december 2001 gedelegeerd. De stichting Omroep Utrecht heeft de operationele verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor het verzorgen van een lokaal televisieprogramma, gericht op de stad Utrecht aan de SSPOMN gedelegeerd.

2.3. Bij notariële akte van 4 april 2000 heeft de SSPOMN de Stichting Omroepbedrijf TV, verder te noemen: het Omroepbedrijf, opgericht. Het Omroepbedrijf heeft, blijkens artikel 2 van de hiervoor genoemde akte onder meer ten doel:

" het in dienst hebben van personeel en het verwerven en gebruiken van faciliteiten ten

behoeve van de productie - door de stichting zelf en de aan haar gelieerde instellingen -

van regionale en lokale televisieprogramma's, die zijn gericht op de regio Utrecht,

respectievelijk de stad Utrecht en die zodanig gericht zijn op de bevrediging van de in het

geografisch werkgebied levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke

behoeften, dat de stichting geacht kan worden van algemeen nut te zijn".

2.4. Uit de statuten van de SSPOMN blijkt dat een bestuur is benoemd, bestaande uit zes leden: 2 leden afkomstig van het bestuur van de Stichting Omroep Utrecht en 2 leden afkomstig van het bestuur van de Regionale Omroep Stichting Utrecht en 2 onafhankelijke leden, waaronder de voorzitter de heer B. Geersing. Uit artikel 9 van de statuten volgt dat het bestuur bij de uitoefening van haar werkzaamheden wordt bijgestaan door een directeur, die belast is met de dagelijkse gang van zaken. Als zodanig is [eiser] in april 2000 benoemd. [eiser] werd daarnaast benoemd tot directeur van het Omroepbedrijf. Hij bleef ook directeur van Stichting Omroep Utrecht.

2.5. In artikel 9 van de onder 2.2 genoemde samenwerkingsovereenkomst is de indiensttreding bij dan wel de detachering van de betreffende medewerkers bij de SSPOMN dan wel het Omroepbedrijf geregeld. Voor [eiser] is in afwijking daarvan in lid 3 een individuele regeling opgenomen luidende:

" De directeur als bedoeld in artikel 12 respectievelijk 10 van de statuten van de Stichting samenwerkende publieke omroepen Midden Nederland respectievelijk van de Stichting Omroep Bedrijf TV wordt bij laatstgenoemde stichtingen gedetacheerd door de Stichting Omroep Utrecht tegen kostprijs (salaris plus sociale lasten werkgever) en tot ultimo 31 december 2001.

In stede van een detacheringsovereenkomst als hierboven bedoeld kan ook een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot ultimo 31 december 2001 gesloten worden tegen dezelfde voorwaarden als bij de hierboven genoemde detacheringsovereenkomst, aangevuld met een terugkeergarantie van de zijde van de Stichting Omroep Utrecht jegens de betrokken persoon en een garantieregeling van de Stichting Omroep Utrecht jegens de Stichting samenwerkende publieke omroepen Midden Nederland en de Stichting Omroepbedrijf TV tot terugbetaling van eventuele ontslagkosten."

2.6. De SSPOMN streefde naar volledige samenwerking op het gebied van regionale en lokale televisie gericht op de regio Utrecht respectievelijk de stad Utrecht per 1 januari 2002. Eén van de taken die ter wille van een spoedige integratie ter hand werd genomen was de personele invulling voor het nieuwe bedrijf dat de volledige samenwerking tussen de bedrijven zou

behelzen. Er zijn onder meer een Plan van Aanpak en een Projectplan Integratie tot stand gekomen. Daarin werd het bestuur van de SSPOMN geadviseerd tot de benoeming van een algemeen directeur van de nieuw te vormen organisatie om het integratieproces van Radio M, Kanaal 9 Utrecht en Omroep Utrecht RTV tot één organisatie direct te kunnen aansturen. Het bestuur van de SSPOMN heeft dat advies overgenomen en heeft een procedure ontwikkeld welke zou kunnen leiden tot de benoeming van algemeen directeur.

2.7. Het bestuur van de SSPOMN heeft een onafhankelijk search bureau opdracht gegeven om te onderzoeken of de beide kandidaten, te wetende de zittende directeuren waaronder [eiser], geschikt zouden zijn en zo ja: wie van hen beiden het meest geschikt is. Uit dat onderzoek is gekomen dat [eiser] de voorkeur verdiende boven de andere kandidaat. Het bestuur van de SSPOMN heeft deze conclusie overgenomen en het bestuur heeft over dit voorgenomen bestuursbesluit advies gevraagd aan de Ondernemingsraad van Radio M, de personeelsvertegenwoordiging van Omroep Utrecht en de Voorlopige Ondernemingsraad van Kanaal 9 Utrecht en Radio M, hierna gezamenlijk de VOR te noemen. Bij brief van 24 augustus 2001 heeft de VOR negatief advies uitgebracht. In zijn brief geeft de VOR aan dat de VOR [eiser] niet als geschikte kandidaat voor deze functie ziet omdat:

- er volstrekt onvoldoende draagvlak is in beide organisaties;

- [eiser] te weinig intern betrokken is en niet genoeg gericht is op het motiveren van

medewerkers.

Verder stelt de VOR van mening te zijn dat de algemeen directeur een bindende en onafhankelijke rol moet spelen en die rol ziet de VOR, ondanks de capaciteiten van [eiser], niet voor hem weggelegd.

2.8. Het bestuur van de SSPOMN heeft, na overleg met de managementteams van Radio M en Kanaal 9/Omroep Utrecht, besloten dat voor de functie van algemeen directeur van de nieuwe geïntegreerde publieke omroeporganisatie voor Utrecht en de regio Utrecht naar een externe kandidaat zal worden gezocht en op 3 september 2001 heeft (het bestuur van) de SSPOMN [eiser] over dit besluit geïnformeerd.

2.9. [eiser] heeft zich op 31 januari 2002, na de mededeling dat "zijn detachering bij de SSPOMN per 1 februari 2002" beëindigd werd, ziek gemeld. Hij is thans nog arbeidsongeschikt.

2.10. Bij verzoekschrift ex artikel 7:685 BW van 20 augustus 2002 heeft de SSPOMN aan de kantonrechter verzocht, voor zover rechtens vereist en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst met [eiser] per direct, althans zo spoedig mogelijk, te ontbinden, met toekenning aan [eiser] van een vergoeding van € 50.000,--. Dit verzoekschrift zal op 26 september 2002 door deze rechtbank, sector kanton, worden behandeld.

2.11. De SSPOMN heeft inmiddels een derde, die op 1 november 2002 met zijn werkzaamheden zal beginnen, tot haar algemeen directeur benoemd.

3. Het geschil

3.1. Voor de volledige inhoud van de vordering van [eiser] en de grondslagen daarvan wordt verwezen naar (de fotokopie van) het aan dit vonnis gehechte exploot van dagvaarding.

Primair strekt de vordering van [eiser] ertoe hem vanaf de eerste dag van hersteldverklaring toe te laten tot de laatstelijk door hem verrichte arbeid in de functie van directeur van de SSPOMN en van het Omroepbedrijf. Subsidiair vordert hij de SSPOMN te veroordelen tot het aanbieden van passend werk vanaf de eerste dag na hersteldverklaring en hem toe te laten tot dit aangeboden passende werk onder doorbetaling van het laatstelijk verdiende salaris van directeur. Dit een en ander zowel primair als subsidiair op verbeurte van een dwangsom en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de SSPOMN in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij een arbeidsovereenkomst met de SSPOMN heeft en dat zij ten onrechte weigert hem, ondanks sommaties, tot zijn gebruikelijke werk als directeur van de SSPOMN en van het Omroepbedrijf of tot ander passend werk toe te laten.

3.3. De SSPOMN bepleit afwijzing van de vordering. Op de door haar gevoerde verweren zal in het navolgende, voor zover nodig, worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De kern van het onderhavige geschil tussen partijen wordt met name gevormd door de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. [eiser] beantwoordt die vraag bevestigend. Hij voert daartoe aan dat hij vanaf 2000 75% van zijn werktijd heeft besteed aan werkzaamheden voor de SSPOMN en het Omroepbedrijf en dat hij voor 25% van zijn tijd nog werkzaamheden heeft verricht voor Stichting Omroep Utrecht. [eiser] stelt dat zijn salaris ook door de SSPOMN is betaald en dat de SSPOMN de Stichting Omroep Utrecht vervolgens voor 25% van zijn salaris heeft belast. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat het bestuur van de SSPOMN, en met name haar voorzitter, het orgaan/de man is die hem in hoofdzaak aanstuurt, beslist over taken, opname vakantie etc.

Uit dit alles volgt, aldus [eiser], dat de uit zijn arbeidsovereenkomst met de Stichting Omroep Utrecht voortvloeiende rechten en verplichtingen, op grond van het bepaalde in artikel 7: 663 BW, van rechtswege zijn overgegaan op SSPOMN als werkgever. [eiser] stelt dat er sprake is van de overgang van een onderneming, nu de Stichting Omroep Utrecht is opgegaan in de SSPOMN. [eiser] is derhalve van oordeel dat de SSPOMN invulling dient te geven aan zijn arbeidsovereenkomst, zoals ook is aangegeven in de statuten van de SSPOMN en de samenwerkingsovereenkomst van 4 april 2000.

4.2. De SSPOMN daarentegen is van oordeel dat [eiser] zijn werkzaamheden als directeur steeds heeft vervuld op basis van detachering. Zij stelt dat die samenwerking, die volgens de samenwerkingsovereenkomst op 31 december 2001 zou eindigen, vanaf genoemde datum eenmaal is verlengd met 1 maand tot 1 februari 2002 en dat de detachering van [eiser] bij de SSPOMN vervolgens per laatstgenoemde datum is beëindigd. De SSPOMN stelt voorts dat [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bleef als directeur van de Stichting Omroep Utrecht en dat hij zijn functies als haar directeur en directeur van het Omroepbedrijf daarnaast heeft vervuld op basis van een detachering zoals in artikel 9 lid 3 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald. Dat een detachering ook de bedoeling van partijen was valt, aldus de SSPOMN in de eerste plaats af te leiden uit genoemd artikel 9 lid 3 van de samenwerkingsovereenkomst, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de directeur van de SSPOMN en het Omroepbedrijf wordt gedetacheerd. Verder heeft de SSPOMN aangevoerd dat begin oktober 2001 een arbeidsovereenkomst tussen de Stichting Omroep Utrecht en [eiser] is gesloten, waarin de rechtsverhouding tussen [eiser] en de Stichting Omroep Utrecht vanaf 1 juni 1995 werd bevestigd. De SSPOMN stelt dat de arbeidsovereenkomst met [eiser] van de zijde van de Stichting Omroep Utrecht ondertekend is door de voorzitter van haar bestuur, te weten: [betrokkene], die tot 3 september 2001 ook bestuurslid van de SSPOMN was. {Betrokkene] was in die hoedanigheid, aldus de SSPOMN, op de hoogte van de detachering van [eiser] bij de SSPOMN. Indien [eiser] bij de oprichting van de

SSPOMN in dienst van de SSPOMN was gekomen, dan zou het sluiten van een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en de Stichting Omroep Utrecht, aldus de SSPOMN, geen enkel logisch doel dienen. De SSPOMN stelt dat het in plaats daarvan meer voor de hand zou hebben gelegen dat een arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiser] tot stand zou zijn gebracht. Ook uit het feit dat [eiser] solliciteerde naar de functie van algemeen directeur bij de SSPOMN blijkt, aldus de SSPOMN, dat er geen sprake is van een reeds bestaande arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiser]. Zij stelt dat het voor de hand zou hebben gelegen dat [eiser], wanneer daarvan wel sprake was geweest, zich tegen de selectieprocedure zou hebben verzet met een beroep op zijn reeds bestaande arbeidsovereenkomst met de SSPOMN. De SSPOMN is derhalve van oordeel dat [eiser] uitsluitend op basis van een detachering werkzaamheden voor haar heeft verricht en dat die samenwerking op 1 februari 2002 is geëindigd. Verder is de SSPOMN van oordeel dat er geen sprake is van een overgang van een onderneming, die ertoe zou hebben geleid dat [eiser] bij haar in dienst is getreden. Verder heeft de SSPOMN aangevoerd dat, indien al sprake zou zijn geweest van een overgang van een onderneming van de lokale televisieactiviteiten, [eiser] de verkeerde partij gedagvaard heeft, nu deze activiteiten hoofdzakelijk op het Omroepbedrijf zijn overgegaan en niet op de SSPOMN.

4.3. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat er sprake van detachering van hem bij de SSPOMN is geweest. Hij stelt dat hij van detachering niet op de hoogte was en dat de SSPOMN eerst op 31 januari 2002 stelde dat hiervan sprake zou zijn.

4.4. Als niet, althans onvoldoende, weersproken staat vast dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst (voor bepaalde tijd) als bedoeld in artikel 9 lid 3 en daarvan het tweede onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst is gesloten.

4.5. Vast staat dat [eiser] directeur was van de Stichting Omroep Utrecht en dat hij nog steeds werkzaamheden voor haar verricht en een arbeidsovereenkomst met haar heeft. Voorts staat vast dat hij daarnaast de functies van directeur van de SSPOMN en het Omroepbedrijf heeft vervuld. Over de vragen of er sprake is van een overgang van een onderneming, die ertoe zou hebben geleid dat [eiser] bij de SSPOMN in dienst is getreden (standpunt [eiser]) dan wel dat [eiser] bij de SSPOMN en het Omroepbedrijf gedurende de periode van april 2000 tot 1 februari 2002 gedetacheerd is geweest (standpunt SSPOMN), is geen duidelijkheid verkregen. Teneinde hieromtrent voldoende opheldering te verkrijgen, zou een nader onderzoek naar de hiervoor relevante feiten en omstandigheden (mogelijk met bewijsvoering) ingesteld moeten worden. Een dergelijk onderzoek gaat echter het kader van dit kort geding te buiten.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat er thans een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en de SSPOMN bestaat en dat de SSPOMN dientengevolge gehouden is [eiser] tot zijn werkzaamheden als haar directeur en van het Omroepbedrijf werk toe te laten. Evenmin is voldoende aannemelijk geworden dat op de SSPOMN thans de verplichting rust aan [eiser] thans ander passend werk aan te bieden. Wellicht komt dit alles anders te liggen wanneer de op handen zijnde fusie tussen de Stichting Regionale Omroep Utrecht, de Stichting Omroep Utrecht en de SSPOMN zijn beslag krijgt.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de door [eiser] zowel primair als

subsidiair gevraagde voorzieningen moeten worden geweigerd.

4.8. Dit brengt tevens mee dat het beroep van de SSPOMN op niet ontvankelijkheid van [eiser], wat betreft de toelating van hem tot de beweerde arbeid als directeur van het Omroepbedrijf, geen behandeling behoeft. Verder zal in het midden worden gelaten of

[eiser] in voldoende mate aan zijn substantiëringsplicht als bedoeld in artikel 111 lid 3 Rv heeft voldaan. Al aangenomen dat [eiser] hieraan niet in voldoende mate heeft gedaan, dan is niet gebleken dat de SSPOMN hierdoor in haar verdediging is geschaad.

4.9. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de SSPOMN begroot op € 703,-- voor salaris van haar procureur en op € 193,-- voor verschotten.

5.3. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2002.