Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE7390

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-09-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
150287/KG ZA 02-887
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknr: 150287/KG ZA 02-887 cb september 2002

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

VONNIS van de voorzieningenrechter

in het kort geding van:

de Staat der Nederlanden

(Minister van Verkeer en Waterstaat),

zetelende te Den Haag,

eiser,

procureur: mr. M. Nuyten,

advocaat: mr. F.A. Mulder

te Den Haag,

- tegen -

1. [gedaagde],

verblijvende te Utrecht op het

hierna sub 2 vermelde perceel,

gedaagde,

procureur: mr. E.Th. Hummels,

2. de personen die zich bevinden,

verblijven en/of wonen op (een

gedeelte van) het perceel kadastraal bekend gemeente Utrecht,

sectie O, nummer 462,

gelegen aan de Koningsweg te

Utrecht nabij de Rijksweg A27,

zoals gearceerd aangegeven op de

aan de dagvaarding gehechte

kaart,

gedaagden,

niet verschenen.

1. Het verloop van het geding

1.1. Eiser (hierna: de Staat) heeft de krakers van het voornoemde terrein, die haar ten tij-de van dagvaarding allen onbekend waren, in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende dag heeft mr. Hummels zich gesteld als procureur voor gedaagde sub 1 (hierna: [gedaagde]). De Staat heeft verstek gevraagd tegen de overige gedaagden (hierna: de overige krakers), van wie niemand in rechte was verschenen, welk verstek is verleend. De Staat heeft van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waar-van een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2. De Staat heeft zijn vordering bij monde van zijn advocaat toegelicht, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities en producties.

1.3. [gedaagde] heeft de vordering bij monde van zijn procureur gemotiveerd weersproken, mede onder overlegging van pleitnotities en producties.

1.4. Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. De Staat is eigenaar van het (gedeelte van het) perceel kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie O, nummer 462, gelegen parallel aan de A27 ter hoogte van de Konings-weg te Utrecht, welk perceelsgedeelte gearceerd is aangegeven op de aan de in deze zaak uitgebrachte dagvaarding gehechte kaart (hierna ook: het terrein). Op dit terrein is een kunstwerk, te weten een geluidsscherm, aanwezig. Daarnaast is in de bodem van het terrein een vlies aangebracht ten behoeve van de grondwaterhuishouding ter plaatse. Op het terrein worden periodiek onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van het geluidsscherm, het vlies, de aanwezige sloot en de groenvoorziening (maai- en snoeiwerkzaamheden).

Het terrein heeft in het ter plaatse vigerende bestemmingsplan Maarschalkerweerd de bestemming "weggebonden groen".

2.2. Op 1 augustus 2002 is geconstateerd dat het terrein zonder toestemming van de Staat in gebruik is genomen door [gedaagde] (waarvan de personalia toen nog niet be-kend waren) en de overige krakers. Zij hebben onder meer caravans, woonwagens (keetwagens) en enkele personenauto's op het terrein geplaatst.

2.3. [gedaagde] en de overige krakers hebben niet voldaan aan de sommaties van de Staat om het terrein te verlaten.

2.4. Mr. M. Schuckink Kool heeft bij brief van 12 augustus 2002 namens de krakers on-der meer aan de Staat medegedeeld:

"Zij zijn zich bewust dat zij het terrein zonder recht of titel naar burgerlijk recht in ge-bruik hebben genomen, overigens zonder dat hierbij enige verbreking van sluitwerk heeft plaatsgevonden.

Voor zover zij hierdoor moeilijkheden voor u veroorzaken, zijn zij bereid tot redelijk overleg hierover. Zo kunnen zij zich voorstellen dat zij de groenvoorziening zelf onderhouden dan wel u op vooraf afgesproken tijdstippen toegang verschaffen om onderhoud te plegen aan het kunstwerk of de groenvoorziening. Ook over andere zaken is het misschien moge-lijk overeenstemming te bereiken, mits hierbij het gebruik door hen van het terrein, voor zo lang hiermee geen definitieve plannen zijn, als uitgangspunt wordt genomen".

2.5. Burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht hebben de Staat bij aan-schrijving van 15 augustus 2002 onder meer medegedeeld:

"Op of omstreeks 31 juli 2002 is een perceel grond gelegen nabij de A27 in gebruik genomen door een groep stadsnomaden. (…)

Aanschrijving

Gelet op het voorgaande leggen wij u de last op:

1. tot het doen beëindigen en het beëindigd houden van het illegale gebruik als woon- c.q. verblijfsfunctie door de stadsnomaden op het perceel aan de Koningsweg nabij de A27;

2. tot het verwijderen of doen verwijderen van alle aanwezige opstallen, onder- komens (waaronder tenten) en voertuigen die voor het onder 1 genoemde gebruik worden gebruikt.

De termijn stellen wij op 1 september 2002.

(…)

Dwangsom

Als bestuurlijk handhavingsmiddel van deze aanschrijving leggen wij u krachtens het bepaalde in artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht, een dwangsom op. De hoogte van deze dwangsom hebben wij vastgesteld op € EURO 10.000,00 (…). Dit betekent dat, indien u niet uiterlijk op 1 september 2002 overgaat tot het ongedaan maken van de hiervoor omschreven strijdige situatie, u een dwangsom verbeurt (dient te betalen) van €EURO 10.000,00 aan de gemeente Utrecht."

2.6. Op 27 augustus 2002 heeft [gedaagde] bij Burgemeester en wethouders van de ge-meente Utrecht een bezwaarschrift ingediend tegen voormelde beslissing van 15 augustus 2002. Op diezelfde datum heeft hij de voorzitter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, bij wege van voorlopige voorziening verzocht om voormelde beslissing van Burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht te schorsen.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. De Staat vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] en de overige krakers (hoofdelijk) te veroordelen het gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie O, nummer 462, gelegen parallel aan de A27 ter hoogte van de Koningsweg te Utrecht (welk perceels-gedeelte gearceerd is aangegeven op de aan de in deze zaak uitgebrachte dag-vaarding gehechte kaart), binnen 24 uur, althans binnen een door de voorzienin-genrechter in goede justitie te bepalen termijn, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, zulks met al het hunne en al degene(n) die zich hun-nentwege daarop mochten bevinden daaronder begrepen, met machtiging aan de Staat om het in deze zaak te wijzen vonnis zonodig op kosten van [gedaagde] en de overige krakers zelf ten uitvoer te (doen) leggen, met behulp van de sterke arm indien [gedaagde] en de overige krakers aan deze veroordeling niet vrijwillig voldoen;

b. te bepalen dat het in deze zaak te wijzen vonnis tot één jaar na de dag van de uitspraak of indien tenuitvoerlegging van het vonnis na verloop van een bepaalde termijn wordt toegestaan, tot één jaar na de dag, waarop die termijn verstrijkt, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuit-voerlegging zonder recht of titel op het onder a genoemde perceelsgedeelte bevindt of daarbinnen treedt en telkens wanneer zich dat voordoet;

c. [gedaagde] en de overige krakers (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. Voor hetgeen de Staat aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding.

3.3. [gedaagde] heeft de vordering van de Staat gemotiveerd weersproken. Op zijn verweer zal, voorzover van belang, hierna worden ingegaan.

Het verlenen van verstek

3.4. Ambtshalve dient beoordeeld te worden of de dagvaarding op een zodanige wijze is betekend dat verstek kan worden verleend.

Onder verwijzing naar het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 25 juli 2002 (zaaknummer 147668/KG ZA 02-668 inzake Kondor Wessels Projecten B.V./[gedaagde] en de overige krakers), door de Staat overgelegd als productie 5, moet worden geoordeeld dat zulks het geval is. Gelet op de ratio van de betekeningseisen en de wetsgeschiedenis omtrent het anoniem dagvaarden, moet artikel 61 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is in geval van ontruiming van een ongebouwde onroerende zaak. Uit het proces-verbaal van de deurwaarder van 26 augustus 2002 blijkt voorts dat is voldaan aan het voorschrift van artikel 47 Rv.

3.5. Een en ander leidt tot de conclusie dat de dagvaarding niet lijdt aan een gebrek dat nietigheid meebrengt en dat - nu ook overigens aan de wettelijke formaliteiten is voldaan en een redelijke termijn in acht is genomen - terecht verstek is verleend.

De vordering ten aanzien van [gedaagde]

3.6. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij zonder recht of titel gebruik maakt van het aan de Staat in eigendom toebehorende terrein. Daarmee staat vast dat hij op zichzelf onrechtmatig op het terrein verblijft.

3.7. Tussen partijen is in discussie of de Staat een spoedeisend belang bij haar vorde-ring tot ontruiming van het terrein heeft. Vooropgesteld moet worden dat de Staat de onrechtmatige inbreuk op haar eigendomsrecht door [gedaagde] en de overige krakers niet hoeft te dulden en derhalve uit de aard der zaak een spoedeisend belang heeft. Daar komt bij dat de Staat genoegzaam heeft aangetoond dat zij een waterstaatkundig belang bij ontruiming heeft (het terrein moet niet alleen periodiek worden onderhouden, doch moet ook op ieder moment met groot materieel kunnen worden betreden, zo de (verkeers)veiligheid van de naastgelegen snelweg A27 dat zou vereisen). Voorts heeft de Staat er belang bij om ongewenste precedentwerking te voorkomen.

Met het vorenstaande is het spoedeisend belang van de Staat voldoende gegeven, zodat hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd omtrent de door Burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan de Staat opgelegde last onder een dwangsom, wat daar verder ook van zij, geen nadere bespreking behoeft.

3.8. Uit het hiervoor overwogene volgt ook meteen het belang dat de Staat bij ont-ruiming van het terrein heeft. Het terrein maakt onderdeel uit van de infrastructuur ter plaatse en is als zodanig in gebruik bij de Staat. Uit hoofde van zijn bestemming en functie is het terrein onbebouwd en moet het dat ook zijn. Van een niet in gebruik zijnd braakliggend terrein is geen sprake (daargelaten of in laatstgenoemd geval anders zou moeten worden geoordeeld: een eigenaar van een perceel grond hoeft in beginsel immers niet eenzelfde inbreuk op zijn eigendomsrecht te dulden als de eigenaar van een niet in gebruik zijnde gebouwde onroerende zaak, nu voor percelen grond - anders dan voor bewoonbare ruimten - niet geldt dat zij direct verband houden met een mogelijk tekort aan woonruimte).

[gedaagde] zal zijn belang om ergens te wonen op andere wijze dienen te realiseren dan door middel van het zonder toestemming van de eigenaar in bezit nemen van grond.

3.9. Gelet op het vorenstaande zal de vordering jegens [gedaagde] op na te melden wijze worden toegewezen.

De vordering ten aanzien van de overige krakers

3.10. Nu de vordering ten aanzien van de overige krakers niet onrechtmatig of onge-grond moet worden geacht en er, mede gelet op hetgeen door [gedaagde] is aangevoerd, geen grond bestaat om jegens hen anders te oordelen, zal deze vordering op na te mel-den wijze worden toegewezen.

De veroordeling in de kosten

3.11. [gedaagde] en de overige krakers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, wor-den verwezen in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1. Verleent verstek tegen de overige krakers, die niet zijn verschenen.

4.2. Veroordeelt [gedaagde] en de overige krakers het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie O, nummer 462, gelegen parallel aan de A27 ter hoogte van de Koningsweg te Utrecht (welk perceelsgedeelte gearceerd is aangegeven op de aan de dagvaarding gehechte kaart) binnen 48 uur te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, zulks met al het hunne al en degene(n) die zich hunnentwege daarop moch-ten bevinden daaronder begrepen, met machtiging van de Staat om dit vonnis zonodig op kosten van [gedaagde] en de overige krakers zelf ten uitvoer te (doen) leggen, met behulp van de sterke arm indien [gedaagde] en de overige krakers aan deze veroordeling niet vrijwillig voldoen.

4.3. Bepaalt dat dit vonnis tot één jaar na de datum van de uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel op het onder 4.2 genoemde perceelsgedeelte bevindt of zich daarop begeeft en telkens wanneer zich dat voordoet.

4.4. Veroordeelt [gedaagde] en de overige krakers in de kosten van dit geding, welke kosten tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van de Staat worden begroot op € EURO 703,-- aan salaris procureur en op €EURO 370,56 aan verschotten.

4.5. Verklaart de onderdelen 4.2 tot en met 4.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4.6. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 10 september 2002.