Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE6582

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
19-08-2002
Zaaknummer
SBR 01/1312, 01/1635 en 01/1729
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet tarieven gezondheidszorg 12, geldigheid: 2002-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2002, 217

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nrs.: SBR 01/1312, 01/1635 en 01/1729

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in de gedingen tussen:

Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde,

gevestigd te Utrecht,

[eiser a], wonende te [adres]

[eiser b], wonende te [adres]

e i s e r s 1

De Vereniging Orde van Medisch Specialisten,

gevestigd te Utrecht,

[eiser c],

wonende te [adres]

e i s e r s 2

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS),

v e r w e e r d e r.

____________________________________________________________________

1.INLEIDING

Eisers 1 hebben beroep ingesteld tegen een brief van 1 juni 2001 waarin verweerder het College Tarieven Gezondheidszorg (verder: CTG) heeft verzocht per 1 juli 2001 beleidsregels vast te stellen waarbij het niveau van het inkomensbestanddeel per vrije beroepsgroep gewijzigd wordt vastgesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SBR 01/1312.

Eisers 1 en 2 hebben voorts beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 juli 2001 waarbij verweerder heeft meegedeeld dat aan de op 18 juni 2001 door het CTG vastgestelde beleidsregels waarbij het niveau van het inkomensbestanddeel per vrije beroepsgroep gewijzigd is vastgesteld goedkeuring wordt onthouden voor zover het de kaakchirurgen en medisch specialisten betreft. Het beroep van eisers 1 is geregistreerd onder nummer SBR 01/1635 en het beroep van eisers 2 onder nummer SBR 01/1729.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 18 juni 2002, waar de Nederlandse maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde is verschenen bij gemachtigde M.M. Kraaijenveld, bijgestaan door mr. P.G. Gilhuis, advocaat te Dordrecht, mede optredend namens [eiser a] en [eiser b] en de Vereniging Orde van Medisch Specialisten is verschenen bij gemachtigde M.J.T. Vermeulen, bijgestaan door mr. M.E. Gelpke, advocaat te 's Gravenhage, mede optredend namens [eiser c].

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. P.G.O.Y. Zeewuster werkzaam bij verweerders ministerie.

2. OVERWEGINGEN

Feiten

Op 15 januari 2001 heeft het CTG, in verband met de herijking van de werkgeverslasten invaliditeitsvoorziening en interim-uitkering ziektekosten, met ingang van 1 januari 2001 per beroepsgroep gewijzigde beleidsregels vastgesteld met betrekking tot het niveau van het inkomensbestanddeel. De herijking van het inkomensbestanddeel in de tarieven geldt voor alle beroepsgroepen: (apotheekhoudende) huisartsen, apothekers, tandartsen, orthodontisten, kaakchirurgen, medisch specialisten, verloskundigen, fysiotherapeuten, oefentherapeuten Cesar en Mensendieck en logopedisten.

Bij brief van 22 januari 2001 heeft het CTG de beleidsregels van 15 januari 2001 ter goedkeuring aan verweerder gezonden.

Bij brief van 27 februari 2001 heeft verweerder met toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg (Wtg) de termijn voor goedkeuring met vier weken verlengd.

Bij brief van 13 april 2001 heeft verweerder, in antwoord op het verzoek van 22 januari 2001, aan het CTG meegedeeld dat de financiële gevolgen die gemoeid zijn met het besluit van het CTG van 15 januari 2001 tot beleidsregelwijziging zijn betrokken bij de besluitvorming van het kabinet in het voorjaar van dat jaar, doch dat vanwege de vertraging die de kabinetsbesluitvorming heeft opgelopen en in samenhang met het verstrijken van de goedkeuringstermijn, (thans) geen goedkeuring wordt verleend aan de desbetreffende beleidsregels. Het door eisers 1 tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 25 september 2001 ongegrond verklaard.

Bij brief van 1 juni 2001 heeft verweerder aan het CTG meegedeeld er mee in te kunnen stemmen dat de op 15 januari 2001 vastgestelde beleidsregels - voor zover deze betrekking hebben op die categorieën van vrije beroepsbeoefenaren waarvoor een adequate tariefonderbouwing aanwezig is - structureel, zonder inhaal, worden geconcretiseerd per 1 juli 2001. In dat verband heeft verweerder het CTG verzocht voor deze categorieën van vrije beroepsbeoefenaren nieuwe beleidsregels vast te stellen met als ingangsdatum 1 juli 2001.

Op 18 juni 2001 heeft het CTG naar aanleiding van het verzoek van verweerder gewijzigde beleidsregels voor het inkomensbestanddeel voor alle vrije beroepsbeoefenaren vastgesteld. Bij brief van 19 juni 2001 heeft verweerder aan het CTG meegedeeld dat zij deze beleidsregels goedkeurt met uitzondering van die voor medisch specialisten en kaakchirurgen. Bij brief van 5 juli 2001 heeft het CTG een reactie gegeven op dit standpunt van verweerder. Vervolgens heeft verweerder in overeenstemming met haar voornemen bij besluit van 18 juli 2001 goedkeuring onthouden aan de beleidsregels die betrekking hebben op de medisch specialisten en kaakchirurgen.

Toepasselijk recht

In artikel 1, lid 1, aanhef en onder h, van de Wtg is bepaald dat onder tarief verstaan wordt: prijs voor een prestatie of geheel van prestaties, door een orgaan voor gezondheidszorg geleverd.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wtg - voor zover hier van belang - stelt het CTG beleidsregels vast omtrent de hoogte, de opbouw en de wijze van berekening van een tarief of onderdelen van een tarief.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wtg behoeft een beleidsregel als bedoeld in artikel 11, eerste lid, de goedkeuring van Onze Minister. Een zodanige beleidsregel wordt daartoe gezonden aan Onze Minister.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Wtg kan goedkeuring slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de volksgezondheid.

In artikel 35 van de Wtg is bepaald:

Tegen een besluit van het College

a. op een verzoek tot goedkeuring of tot vaststelling van een tarief of maximumtarief;

b. ...

c. ...

kan het orgaan voor gezondheidszorg of de representatieve organisatie van organen voor gezondheidszorg dan wel de ziektekostenverzekeraar of de representatieve organisatie van ziektekostenverzekeraars, die daardoor rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep instellen bij het college van beroep.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

In artikel 8:1, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb is bepaald - voor zover hier van belang - dat met een besluit wordt gelijkgesteld de schriftelijke beslissing inhoudende de weigering van de goedkeuring van een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.

Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat artikel 35 van de Wtg niet aan haar bevoegdheid tot kennisneming van deze beroepen in de weg staat. Het besluit waartegen het beroep zich richt, is geen besluit als bedoeld in dit artikel en evenmin een besluit dat naar wettelijke grondslag, onderwerp en strekking zodanige overeenkomst vertoont met de wel onder de letter van deze bepaling vallende besluiten, dat sprake is van een onbedoeld hiaat in de beroepsbepaling. De rechtbank is daarom, nu de wet geen andere rechter de bevoegdheid heeft opgedragen kennis te nemen van een beroep tegen een besluit als het onderhavige, van oordeel dat zij bevoegd is op de beroepen van eisers te beslissen.

Ontvankelijkheid van eisers

Eisers 2 hebben de vraag opgeworpen of zij ontvankelijk zijn in hun beroep. Zij vragen zich af of zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Awb kunnen worden aangemerkt.

Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

In dit geval houdt het besluit een weigering in om de door het CTG vastgestelde beleidsregel, strekkende tot, kort gezegd, indexering van de tarieven in verband met gestegen kosten, goed te keuren. Dit besluit heeft direct gevolgen voor de inkomsten van de desbetreffende medische beroepsbeoefenaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze beroepsbeoefenaren, alsmede de verenigingen die de behartiging van de belangen van deze beroepsbeoefenaren tot hun doelstelling rekenen, als belanghebbende in de zin van de Awb kunnen worden aangemerkt.

Hieraan doet niet af dat artikel 35 van de Wtg de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de daar genoemde besluiten beperkt tot de daarin met name genoemde (rechts)personen. Op het onderhavige beroep zijn de regels van de Awb onverkort van toepassing, nu de bestreden besluiten geen besluiten zijn die in voornoemd artikel zijn opgesomd.

Beoordeling van het geschil met zaaknummer 01/1312

De brief van 1 juni 2001 van verweerder, gericht aan het CTG, houdt het verzoek in om voor die categorieën van beroepsbeoefenaren waarvoor een adequate tariefsonderbouwing aanwezig is nieuwe beleidsregels vast te stellen met als ingangsdatum 1 juli 2001 en de mededeling dat medisch specialisten en kaakchirurgen voor vergoeding van de toegenomen kosten in aanmerking komen zodra een adequate tariefonderbouwing aanwezig is.

De rechtbank is van oordeel dat deze brief niet gericht is op enig rechtsgevolg. Het rechtsgevolg van de door het CTG opgestelde beleidsregels treedt pas in nadat verweerder daaraan zijn goedkeuring heeft gegeven of, gelet op het bij artikel 8:1 Abw bepaalde, nadat verweerder aan deze beleidsregels zijn goedkeuring heeft onthouden. De enkele mededeling dat deze goedkeuring op voorhand onthouden zal worden leidt echter niet tot enig rechtsgevolg.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat eisers 1 in hun beroep tegen deze brief niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Beoordeling van het geschil met zaaknummers 01/1535 en 01/1729

De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 18 juni 2001 van het CTG beleidsregels zijn vastgesteld met betrekking tot het niveau van het inkomensbestanddeel per vrije beroepsgroep en dat verweerder bij besluit van 18 juli l 2001 heeft geweigerd goedkeuring te verlenen aan deze beleidsregels. Derhalve staat vast dat op grond van artikel 8:1, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb beroep openstaat tegen het besluit van 18 juli 2001.

Eisers stellen zich, onder verwijzing naar de brief van het CTG van 5 juli 2001 op het standpunt dat verweerder aan zijn weigering tot goedkeuring ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat de huidige tarieven van de medisch specialisten en de kaakchirurgen nog niet of nog niet voldoende zijn onderbouwd. Deze situatie bestaat helaas reeds lang maar zal in het licht van de komende diagnose behandel combinatie-structuur (dbc-structuur) niet meer veranderen, hetgeen conform het door verweerder gevoerde beleid inzake de invoering van de dbc-structuur is. Eisers wijzen erop dat bij de besluitvorming over de jaarlijkse trendmatige aanpassingen het CTG reeds te kennen heeft gegeven dat uitzondering op grond van een historie van ononderbouwde tarieven onvoldoende is als het gaat om generieke aanpassingen.

Onder verwijzing naar de correspondentie tussen verweerder en het CTG aangaande de tarieven van de kaakchirurgen en de medisch specialisten stellen eisers dat verweerder het CTG nimmer een aanwijzing heeft gegeven dat de tarieven van deze beroepsgroepen onderbouwd dienen te worden, zodat het onbegrijpelijk is dat verweerder haar eigen tijdsplanning van de bekostigingssystematiek van medische specialisten die voorziet in invoering op uiterlijk 1 januari 2003 thans negeert en met een beroep op het ontbreken van systematiek goedkeuring onthoudt op een op zichzelf gerechtvaardigde en derhalve gegronde compensatieregeling. Eisers zijn van mening dat verweerder de bevoegdheid tot onthouding van de goedkeuring daarmee gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend.

Eisers voeren voorts aan dat er geen verband bestaat tussen de forse premiestijgingen en het al dan niet onderbouwd zijn van de tarieven. Sedert de overheid is gestopt met het geven van aanwijzingen voor de inkomens heeft het CTG de inkomens trendmatig aangepast. Naar haar aard is de niet goedgekeurde beleidsregel niets anders dan zo'n trendmatige aanpassing, die verweerder voorheen steeds heeft goedgekeurd. Door aldus een uitzondering te maken voor de medisch specialisten en de kaakchirurgen ten opzichte van de overige vrije beroepsbeoefenaren heeft verweerder volgens eisers in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Daarnaast wijzen eisers erop dat de motivering van verweerder innerlijk tegenstrijdig is nu enerzijds wordt gesteld dat de tarieven niet zijn onderbouwd, terwijl verweerder anderzijds meent te kunnen weten dat de tarieven voldoende ruimte bieden om de gestegen kosten op te vangen.

Volgens eisers zijn de door verweerder gehanteerde weigeringsgronden in strijd met de wet, nu ingevolge artikel 12, tweede lid van de Wtg slechts goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de volksgezondheid.

Ten aanzien van de grief van eisers 1 dat verweerder in strijd met haar eigen planning om per 1 januari 2001 de dbc-structuur in te voeren thans het ontbreken van een onderbouwing van de tarieven aan de weigering tot goedkeuring ten grondslag heeft gelegd stelt verweerder dat het enkele feit dat verweerder destijds meende dat het - toen nog COTG - er goed aan zou doen prioriteit te geven aan de aansluiting van de kaakchirurgie bij de ontwikkelingen rondom de modernisering van de bekostigingssystematiek, de beroepsgroep niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheden met betrekking tot de inzichtelijkheid van de kosten die zij noodzakelijkerwijs maken en de relatie daarvan tot de vigerende tarieven. Verweerder wijst op de brieven van 14 oktober 1998 en 8 december 1998, waaruit kan worden afgeleid dat de opbouw van de tarieven inzichtelijk dient te zijn.

In de verweerschriften in beide zaken geeft verweerder aan dat de reden om goedkeuring te onthouden niet is dat het niet om reële en aanvaardbare kosten zou gaan, maar omdat de tarieven van de medisch specialisten en kaakchirurgen niet adequaat zijn onderbouwd. Daardoor is het niet helder of de huidige tarieven voor deze beroepsgroepen al dan niet voldoende zijn om de premies voor arbeidsongeschiktheid en interim ziektekosten te kunnen betalen.

Verweerder wijst erop dat de tarieven jaarlijks trendmatig worden aangepast op basis van een all-in trend die gelijk is aan het laagste percentage dat geldt voor de onderscheiden elementen inkomen, personeelskosten en overige kosten. Deze trend wordt altijd verwerkt ongeacht of er sprake is van een adequate onderbouwing van de tarieven. Indien er wel sprake zou zijn van een adequate tariefonderbouwing, zou de jaarlijkse aanpassing hoger zijn. Het verwerken van de onderhavige premiestijging gaat veel verder dan een trendmatige aanpassing. Het gaat hier om een voorschot op de inkomensherijking, aldus verweerder.

Volgens verweerder is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu de situatie van medisch specialisten en kaakchirurgen niet dezelfde is als die van de overige zorgaanbieders. Verweerder stelt zich daartoe op het standpunt dat aan de tarieven van de overige vrije beroepsbeoefenaren een adequate onderbouwing ten grondslag ligt op grond waarvan verweerder heeft kunnen beoordelen dat de tarieven voor de onderdelen voor de werkgeverslasten invaliditeitsvoorziening en interim-uitkering ziektekosten te kort schoten. Die onderbouwing ontbreekt in het geval van de kaakchirurgen en medisch specialisten.

Verweerder heeft zijn onthouding van de goedkeuring gebaseerd op de in artikel 12, tweede lid van Wtg, genoemde grond: strijd met het belang van de volksgezondheid. Verweerder wijst er op dat het doel van de Wtg het bevorderen van een evenwichtig stelsel van tarieven op het gebied van de gezondheidszorg is, mede met het oog op de beheersing van de kostenontwikkeling daarvan. Daarvoor is het noodzakelijk dat er inzicht bestaat in de onderbouwing van de tarieven die op grond van de Wtg in rekening mogen worden gebracht. Goedkeuring van beleidsregels waaraan geen adequate onderbouwing ten grondslag ligt zou volgens verweerder dan ook in strijd zijn met het belang van de volksgezondheid.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van artikel 12, lid 2, Wtg kan verweerder zijn goedkeuring aan een beleidsregel van het CTG onthouden wegens strijd met het recht of het belang van de volksgezondheid. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikellid blijkt dat strijd met het belang van de volksgezondheid mede omvat strijd met het beleid of het ontbreken van financiële dekking. Deze gronden zijn opgenomen in verband met de beheersing van de kosten van gezondheidszorg.

De door verweerder genoemde adequate onderbouwing van de tarieven is die, waarbij een inkomensbestanddeel, een personeelskostenbestanddeel en een overige kostenbestanddeel bij de vaststelling van de tarieven wordt onderscheiden. Deze methodiek is in gebruik bij alle betrokken medische beroepsbeoefenaren, met uitzondering van de medisch specialisten en de kaakchirurgen. Voor laatstgenoemde geldt dat hun tarieven worden vastgesteld volgens een "lumpsum" methodiek.

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat het CTG met enige regelmaat voor alle medische beroepsbeoefenaren beleidsregels opstelt om kostenstijgingen, die van invloed zijn op de inkomenspositie van deze beroepsbeoefenaren in het tarief te compenseren. Tevens staat vast dat verweerder bij het goedkeuren van deze beleidsregels in het verleden geen onderscheid heeft gemaakt naar groepen van beroepsbeoefenaren en in elk geval een dergelijk onderscheid niet afhankelijk heeft doen zijn van het al dan niet adequaat onderbouwd zijn van de tarieven. De rechtbank leidt hieruit af dat in het verleden, ondanks het ontbreken van de door verweerder gewenste adequate onderbouwing, het CTG in staat is geweest ook voor de medisch specialisten en de kaakchirurgen een wijze te vinden om deze kostenstijgingen in een percentage van hun tarieven uit te drukken.

Verder is niet gebleken dat de kostenstijging waar het in dit geval om gaat, te weten de stijging van de kosten van invaliditeitsvoorziening en interim-uitkering ziektekosten, voor de kaakchirurgen en de medisch specialisten minder hoog uitvallen dan voor de overige medische beroepsbeoefenaren. Evenmin is aangevoerd dat deze kostenstijging dusdanig verschilt van de kostenstijgingen, waarvoor in het verleden compensatie in de vorm van tariefaanpassingen is toegestaan, dat om die reden een andere benadering van de verrekening van de kosten noodzakelijk zou zijn.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, nu verweerder de beleidsregels ten aanzien van de overige medisch beroepsbeoefenaren heeft goedgekeurd, en gelet op het tot op heden gevolgde beleid van verweerder, het gelijkheidsbeginsel in principe met zich meebrengt dat er geen grond is om aan de aanpassing van de tarieven in verband met een algemene kostenstijging, zoals neergelegd in de beleidsregels van het CTG, goedkeuring te onthouden.

De rechtbank is van oordeel dat deze grond in elk geval niet gelegen kan zijn in het niet adequaat onderbouwd zijn van de tarieven van de medisch specialisten en kaakchirurgen. Dit was immers in het verleden geen argument om een indexering van de tarieven te weigeren. Daar komt nog bij dat verweerder in overleg met alle belanghebbenden op dit gebied er naar streeft de nu gehanteerde wijze van tariefberekening te verlaten om op korte termijn te komen tot vaststelling van het tarief op basis van DBC (Diagnose-Behandeling-Combinaties). Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank onredelijk van eisers te verlangen dat zij hun tarieven alsnog onderbouwen op een wijze, die in de nabije toekomst achterhaald zal zijn, zulks terwijl in het verleden de door hen gebezigde wijze van tariefsonderbouwing door verweerder werd geaccepteerd.

Verweerder heeft nog aangevoerd dat het in het onderhavige geval niet gaat om een met de andere periodieke tariefaanpassingen gelijk te stellen indexering, maar dat het hier vooruitlopen op de herijking van de tarieven betreft. Nu het inkomensbestanddeel in de tarieven van de kaakchirurgen en medische specialisten niet vaststaat, aldus verstaat de rechtbank verweerder, kan niet worden vastgesteld in hoeverre deze beroepsbeoefenaren door de kostenstijging worden getroffen dan wel in hoeverre zij in staat zijn deze kostenverhoging zelf te dragen.

De rechtbank is van oordeel dat dit argument niet opgaat. De kostenstijging die aanleiding heeft gegeven tot het vaststellen van de beleidsregels betreft een algemene kostenstijging van de premies arbeidsongeschiktheidsverzekering en interim-ziektekosten. Dit zijn geen kosten die per groep van beroepsbeoefenaren, bijvoorbeeld gelet op de aard van de praktijkuitoefening, verschillen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze kosten bij alle beroepsbeoefenaren leiden tot een vermindering van inkomsten indien deze niet worden gecompenseerd. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank verweerder compensatie van deze gestegen kosten vooruitlopend op de herijking van de tarieven alleen achterwege laten, indien hij aannemelijk kan maken dat de medisch specialisten en kaakchirurgen door deze kostenstijging niet of minder getroffen worden dan de andere zorgverleners. Dit nu heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. Daar doet niet aan af dat verweerder hierin wordt bemoeilijkt, omdat tot op heden de tariefvaststelling voor deze beroepsbeoefenaren volgens de "lumpsum" methode heeft plaatsgevonden. Nu verweerder in het verleden daarin geen aanleiding heeft gezien zijn goedkeuring aan de beleidsregels die algemene tariefaanpassingen in verband met kostenstijgingen inhielden, te weigeren, is de rechtbank van oordeel dat hij dit in dit geval, waarin het onweersproken is dat het een algemene kostenstijging betreft, evenmin mag doen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders weigering tot goedkeuring van de beleidsregels, zoals ten aanzien van de kaakchirurgen en de medisch specialisten opgesteld, strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat dit besluit daarom niet in stand kan blijven en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van eisers zal gegrond worden verklaard.

Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank reden om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met het instellen van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als kosten van door een derde verleende rechtshulp begroot op € 644,= voor eisers 1 en € 644,= voor eisers 2.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart eisers 1 niet-ontvankelijk in hun beroep tegen het besluit van 1 juni 2001 van verweerder,

verklaart het beroep van eisers 1 en eisers 2 tegen het besluit van 18 juli 2001 van verweerder gegrond;

vernietigt dit besluit;

bepaalt dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het door eisers 1 betaalde griffierecht ad € 204,20 (( 450,=) en het door eisers 2 betaalde griffierecht ad € 204,20 (( 450,=) aan hen vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van eisers 1 ten bedrage van € 644,= te betalen door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

veroordeelt verweerder in de kosten van eisers 2 ten bedrage van € 644,= te betalen door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Aldus vastgesteld door mr. C. van Linschoten lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002.

De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer :

mr. S. Meurs mr. C. van Linschoten

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA `s Gravenhage.