Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE6296

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-08-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
148246/KG ZA 02-714/YT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

VONNIS van de voorzieningenrechter in kort geding in de zaak van:

de besloten vennootschap met

beperkte aansprakelijkheid

SCHOONMAAKBEDRIJF VAN BERKEL B.V.,

gevestigd te Bussum,

kantoorhoudende te Naarden,

e i s e r e s in conventie,

g e d a a g d e in reconventie,

procureur: mr. D. van de Lockant-Geschiere,

advocaat: mr. A.V. Paardekooper te Amsterdam,

- t e g e n -

de besloten vennootschap met

beperkte aansprakelijkheid

GEBR. DE JONG SCHOONMAAK- EN GLAZENWASSERSBEDRIJF B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Maarssen,

g e d a a g d e in conventie,

e i s e r e s in reconventie,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. C.G.M. Fruytier te Rotterdam.

1. Het verloop van de gedingen

Eiseres in conventie, hierna te noemen: Van Berkel, heeft gedaagde in conventie, verder te noemen: De Jong, in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende dag, 25 juli 2002, heeft Van Berkel van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

Van Berkel heeft vervolgens bij monde van mr. E.V. Jongepier, kantoorgenoot van mr. Paardekooper voornoemd, haar vordering doen toelichten mede aan de hand van overgelegde pleitnotities en van op voorhand toegezonden producties. Bij die gelegenheid heeft zij haar vordering verminderd op de wijze zoals hierna onder 3.1 zal worden vermeld.

De Jong heeft hierop bij monde van mr. Fruytier voornoemd in de eerste plaats verweer doen voeren tegen de vordering van Van Berkel mede aan de hand van een overgelegde conclusie van antwoord en van op voorhand toegezonden producties. Vervolgens heeft zij een eis in reconventie ingesteld zoals hierna onder 3.31 zal worden weergegeven.

Van Berkel heeft daarop verweer doen voeren tegen de reconventionele vordering van De Jong.

Na voortgezet debat hebben partijen zowel in het geding in conventie als in het geding in reconventie vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

In de beide gedingen

2.1. Zowel Van Berkel als De Jong houden zich bezig met de projectmatige uitvoering van schoonmaakwerkzaamheden in opdracht van derden. Op de arbeidsovereenkomsten die zij met hun werknemers hebben gesloten, is de Collectieve Arbeidsovereenkomst in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf, hierna te noemen: (de) CAO, van toepassing.

2.2. Van Berkel verzorgde onder meer in opdracht van de Gemeente Vleuten de schoonmaakwerkzaamheden betreffende het schoonmaakobject "gemeentehuis Vleuten", hierna te noemen: het object Vleuten.

2.3. In mei 1998 is [werkneemster], hierna te noemen: [werkneemster], voor 21,25 uur per week bij Van Berkel in dienst getreden. Met ingang van 10 september 1998 is de overeengekomen arbeidstijd uitgebreid tot 38,75 uur per week. Een deel van deze arbeidstijd werkte [werkneemster] op het object Vleuten. Begin 2001 heeft [werkneemster] problemen gekregen met haar gezondheid en sinds 17 februari 2001 heeft zij haar werk wegens ziekte niet kunnen verrichten.

2.4. Op 1 juni 2001 is het object Vleuten door De Jong overgenomen van Van Berkel.

2.5. Bij schrijven van 28 mei 2001 aan De Jong deelt Van Berkel onder meer het volgende mee:

"Wij hebben van de gemeente Vleuten door gekregen dat u de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden van ons over gaat nemen. Onderstaand doen wij u dan ook de benodigde gegevens m.b.t. het over te nemen personeel toekomen.

* [werkneemster]

...

* totaal bruto uurloon : 17,40

* contact-uren : 16.25 uur per week, maandag t/m vrijdag.

..."

2.6. Bij schrijven van 28 mei 2001 aan [werkneemster] heeft Van Berkel onder meer medegedeeld dat het object Vleuten per 1 juni 2001 door De Jong werd overgenomen en dat De Jong volgens de CAO aan haar, [werkneemster], een arbeidsovereenkomst moet aanbieden. Voorts heeft Van Berkel [werkneemster] daarbij medegedeeld dat per 1 juni 2001 haar uren voor het object Vleuten bij Van Berkel kwamen te vervallen.

2.7. De Jong heeft bij de overname van het object Vleuten op 1 juni 2001 [werkneemster] geen arbeidsovereenkomst aangeboden.

2.8. Van Berkel heeft vanaf 1 juni 2001 aan [werkneemster] geen uren meer betaald voor het object Vleuten.

2.9. Per 18 februari 2002 is aan [werkneemster] een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het WAO-dagloon is door de uitkeringsinstantie gebaseerd op een arbeidstijd van 21,25 uur per week.

2.10. [werkneemster] heeft in een kort-gedingprocedure voor de kantonrechter te Utrecht, bekend onder nummer 260326 VV EXPL 02-168, onder meer gevorderd dat primair Van Berkel, subsidiair De Jong, vanaf 1 juni 2001 haar loon voor 16,25 uur per week zal betalen en vanaf 18 februari 2002 de aanvulling op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. De kantonrechter heeft bij vonnis van 14 juni 2002, hierna te noemen: het vonnis van de kantonrechter, Van Berkel veroordeeld tot betaling van, kort gezegd, het gevorderde loon, de gevorderde aanvulling en enige toelagen en verhogingen.

3. De geschillen en hun beoordeling

In conventie

3.1. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vordering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Ter zitting heeft Van Berkel deze vordering aldus verminderd, dat zij het subsidiaire deel ervan heeft ingetrokken. Na deze vermindering van de eis houdt de vordering van Van Berkel kort weergegeven in, ten eerste, dat De Jong zal worden veroordeeld aan [werkneemster] een arbeidsovereenkomst aan te bieden die op 1 juni 2001 ingaat en die overeenkomt met de arbeidsovereenkomst die vóór 1 mei 2001 tussen Van Berkel en [werkneemster] gold. Ten tweede vordert Van Berkel dat De Jong datgene zal betalen waartoe Van Berkel zelf bij vonnis van de kantonrechter jegens [werkneemster] is veroordeeld. Ten slotte vordert Van Berkel nog dat De Jong een bedrag van €6.000,-- zal betalen als vergoeding van de (overige) schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van De Jong waardoor [werkneemster] haar, Van Berkel, in rechte heeft betrokken.

3.2. De stellingen van Van Berkel en het verweer van De Jong komen in het volgende voor zoveel nodig aan de orde.

3.3. De Jong heeft allereerst als verweer aangevoerd dat de vordering zich niet leent voor behandeling in kort geding, omdat het onderhavige geschil juridisch te ingewikkeld zou zijn.

3.4. Dit verweer faalt. Anders dan De Jong stelt, gaat het hier om de vraag of zij, De Jong, op grond van artikel 43 CAO aan [werkneemster] een arbeidsovereenkomst moest aanbieden. Juridisch gezien kan deze vraag niet te ingewikkeld worden geacht voor een behandeling in kort geding.

3.5. De Jong heeft voorts aangevoerd dat Van Berkel bij haar vordering onvoldoende belang heeft, althans een onvoldoende spoedeisend belang.

3.6. Ook dit verweer faalt. Aan de orde is de vraag of De Jong bij de overname van het object Vleuten, dus per 1 juni 2001, aan [werkneemster] een arbeidsovereenkomst had moeten aanbieden. Aldus omvat het belang van Van Berkel niet alleen, zoals De Jong meent, de bedragen die Van Berkel in de komende maanden nog als aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [werkneemster] zal moeten betalen, maar ook hetgeen zij over het tijdvak van 1 juni 2001 tot heden reeds ten behoeve van [werkneemster] heeft betaald.

3.7. Inhoudelijk gaat het in deze zaak, zoals gezegd, om de vraag of De Jong bij het overnemen van het object Vleuten gehouden was aan [werkneemster] een arbeidsovereenkomst aan te bieden zoals is bepaald in artikel 43 CAO. Voor het antwoord op deze vraag is het volgende van belang.

3.8. Vooropgesteld moet worden dat De Jong heeft erkend dat artikel 43 CAO bij het overnemen van het object Vleuten van toepassing is en dat zij op grond van die bepaling verplicht is een arbeidsovereenkomst aan te bieden aan werknemers van Van Berkel die langer dan een jaar op dat object werkzaam zijn. Voorts heeft zij uitdrukkelijk erkend dat daaronder ook werknemers vallen die arbeidsongeschikt zijn.

3.9. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het genoemde CAO-artikel ook op [werkneemster] van toepassing was, nu zij volgens Van Berkel langer dan een jaar op het bedoelde object werkte, terwijl dit volgens De Jong niet uit de overgelegde stukken kan worden opgemaakt.

3.10. Op dit punt blijkt uit de overgelegde arbeidsovereenkomsten van [werkneemster], gedateerd 29 april 1998 respectievelijk 15 oktober 1998, dat de met [werkneemster] overeengekomen uren met ingang van 10 september 1998 zijn uitgebreid. Van Berkel heeft onvoldoende weersproken gesteld dat de uitbreiding van die uren ten behoeve van het object Vleuten heeft plaatsgevonden en dat het aldus uitgebreide contract, dat tot 10 maart 1999 geldig was, stilzwijgend is voortgezet. Aldus moet het voldoende aannemelijk worden geacht dat [werkneemster] bij de overname van het object Vleuten langer dan een jaar daar werkzaam was en dat bijgevolg artikel 43 CAO op haar van toepassing was.

3.11. Dit brengt mee dat voor De Jong de verplichting bestond [werkneemster] een arbeidsovereenkomst aan te bieden zoals bedoeld in het genoemde CAO-artikel.

3.12. Dit is alleen anders indien er voor De Jong voldoende zwaarwegende redenen zijn op grond waarvan zij niet aan die verplichting gehouden zou kunnen worden. Aldus moet de vraag worden beantwoord of er voor De Jong zodanige redenen bestonden. Naar voorlopig oordeel moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.13. De Jong heeft op dit punt aangevoerd dat Van Berkel onvoldoende betrouwbare informatie over [werkneemster] heeft verstrekt. Dit is volgens De Jong van zwaarwegend belang, nu op grond van de vérstrekkende verplichting die, naar zij stelt, voor de overnemende werkgever uit artikel 43 CAO voortvloeit, van de werkgever die het schoonmaakobject verliest, gevergd mag worden dat deze betrouwbare gegevens verstrekt over de werknemers die op grond van de genoemde bepaling voor een nieuw contract in aanmerking komen. De overnemende werkgever is immers aan de inhoud van het bestaande arbeidscontract gebonden, aldus De Jong.

3.14. Dit verweer kan De Jong niet baten. Wel kan als uitgangspunt worden aanvaard dat Van Berkel gehouden was betrouwbare informatie over [werkneemster] te verstrekken, doch onvoldoende aannemelijk is dat Van Berkel aan die verplichting niet heeft voldaan. Dit oordeel is op de volgende overwegingen gebaseerd.

3.15. Voor zover De Jong op dit punt van belang acht dat Van Berkel heeft verzuimd in haar faxbrief van 28 mei 2001 aan De Jong de arbeidsongeschiktheid van [werkneemster] te vermelden, geldt dat Van Berkel dat verzuim tijdig heeft hersteld in haar faxbrief van 1 juni 2001, nu De Jong zelf stelt dat zij de schriftelijke zekerheid over de gunning, zoals bedoeld in artikel 43, lid 2, CAO, eerst op 1 juni 2001 heeft ontvangen.

3.16. De Jong meent voorts dat Van Berkel haar onjuist heeft geïnformeerd over het aantal uren dat [werkneemster] op het object Vleuten werkzaam was. Volgens de opgave van Van Berkel was dat 16,25 uur per week, doch dit wordt door De Jong betwist op grond van de informatie die zij stelt te hebben ontvangen.

3.17. Op dit punt moet worden aangenomen, zoals hiervoor onder 3.10 is overwogen, dat de uitbreiding van het aantal met [werkneemster] overeengekomen uren (van 21,25 uur tot 38,75 uur per week) uitsluitend het object Vleuten betrof. Zij heeft daar aanvankelijk dus 17,5 uur per week ofwel 3,5 uur per dag gewerkt, hetgeen overeenkomt met het aantal uren per maand (168,56 uur) dat is vermeld op de door Van Berkel ter zitting getoonde loonstroken van mei 1999, juni 1999 en juli 1999 (4 1/3 week per maand). Later is het aantal uren voor het object Vleuten voor [werkneemster] blijkbaar verminderd tot 3,25 uur per dag ofwel 16,25 uur per week, hetgeen tezamen met de 21,25 uur voor de overige objecten leidt tot 37,5 uur per week, welk aantal overeenkomt met het totaal van 163,13 uur per maand zoals vermeld op de overgelegde loonstroken van maart 2001, april 2001 en mei 2001. Voorts vermeldt de overgelegde werknemerskaart van [werkneemster] dat zij op andere, nader genoemde objecten in totaal 21,25 uur per week werkzaam is en dat zij 3,25 uur per dag - derhalve 16,25 uur per week - op het object Vleuten ("gemeentehuis Vleuten") werkte voordat dit object op 1 juni 2001 werd overgenomen. Daarmee komt overeen dat het totaal aantal uren per maand op de loonstrook van juni 2001 met 70,69 uur - dit is 16,25 uur per week - is verminderd tot 92,44 uur. Ten slotte heeft ook de kantonrechter naar aanleiding van de behandeling ter zitting in haar vonnis als vaststaand aangenomen dat [werkneemster] 16,25 uur per week werkte op het object Vleuten.

3.18. Een en ander maakt voldoende aannemelijk dat Van Berkel met [werkneemster] 16,25 uur per week als werktijd voor het object Vleuten was overeengekomen.

3.19. Daaraan kan de door De Jong gestelde informatie niet afdoen. Dat De Jong - zoals zij stelt - bij navraag op het bedoelde object zou hebben vernomen dat men [werkneemster] daar al enige maanden niet had gezien, kan geen reden zijn voor twijfel aan het contract van [werkneemster] voor dat object, nu immers vast staat dat zij sinds 17 februari 2001 geheel arbeidsongeschikt was. Voorts ligt in de overgelegde toegangsregistratie, anders dan De Jong meent, onvoldoende reden voor twijfel aan het aantal uren dat Van Berkel en [werkneemster] voor het object in kwestie zijn overeengekomen. Het aantal feitelijk gewerkte uren kan immers niet bepalend zijn voor het aantal uren dat volgens de arbeidsovereenkomst is overeengekomen en waarvoor [werkneemster] ook is betaald, zoals uit de hiervoor onder 3.17 genoemde stukken is gebleken. Bovendien is ter zitting uit verklaringen van de zijde van Van Berkel gebleken dat [werkneemster] ten tijde van de toegangsregistratie al gezondheidsklachten had en om die reden door familie onverplicht werd geassisteerd bij haar werk op het object Vleuten, zodat uit die registratie het door [werkneemster] gewerkte aantal uren niet kan worden afgeleid.

3.20. De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de onder 3.12 bedoelde vraag aldus moet worden beantwoord dat er voor De Jong geen sprake was van zwaarwegende redenen op grond waarvan zij niet gehouden kon worden aan haar uit artikel 43 CAO voortvloeiende verplichting [werkneemster] een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Gelet op de datum van overgang van het object in kwestie zal de aan te bieden arbeidsovereenkomst op 1 juni 2001 moeten ingaan. In zoverre is het eerste deel van de vordering voor toewijzing vatbaar.

3.21. Van Berkel heeft daarbij tevens gevorderd dat in de aan te bieden arbeidsovereenkomst alle arbeidsvoorwaarden worden geëerbiedigd die in de arbeidsovereenkomst tussen haar, Van Berkel, en [werkneemster] van toepassing waren. Op dit punt volgt uit artikel 43, lid 3, CAO evenwel dat De Jong niet gehouden is meer arbeidsvoorwaarden te eerbiedigen dan uit dat artikellid voortvloeit. De vordering is op dit punt derhalve slechts dienovereenkomstig voor toewijzing vatbaar.

3.22. Nu hieruit volgt dat het eerste deel van de vordering, te weten het aanbieden van een arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de voorgaande overweging voor toewijzing vatbaar is, komt het tweede deel van de vordering aan de orde. Dit deel houdt in dat De Jong aan Van Berkel datgene zal betalen waartoe Van Berkel in het vonnis van de kantonrechter jegens [werkneemster] is veroordeeld.

3.23. Op dit punt moet worden vooropgesteld dat een door De Jong aan te bieden arbeidsovereenkomst voor [werkneemster] niet de verplichting meebrengt die overeenkomst te aanvaarden.

3.24. Dit brengt mee dat De Jong slechts tot enige betaling verplicht zal zijn, indien [werkneemster] de aangeboden arbeidsovereenkomst aanvaardt en zij aldus vanaf 1 juni 2001 bij De Jong in dienst is. Indien daarvan wordt uitgegaan en indien voorts wordt aangenomen dat de verplichtingen in de arbeidsovereenkomst tussen Van Berkel en [werkneemster] niet meer omvatten dan de verplichtingen als bedoeld in artikel 43, lid 3, CAO, zullen op De Jong dezelfde verplichtingen jegens [werkneemster] rusten als die waaraan Van Berkel op grond van het vonnis van de kantonrechter heeft voldaan. Daaronder valt ook hetgeen niet rechtstreeks uit de aangeboden overeenkomst voortvloeit, te weten de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten van [werkneemster], nu in dat geval immers voor De Jong geldt dat zij niet tijdig aan [werkneemster] heeft voldaan wat zij aan haar uit hoofde van de arbeidsovereenkomst verschuldigd was. Wel moet daarbij dan gelden, zoals De Jong ter zitting heeft opgemerkt, dat de aanvulling van het WAO-dagloon slechts over 16,25 uur per week verschuldigd zal zijn.

3.25. Hieruit volgt dat de gevorderde betaling op dit punt overeenkomstig de voorgaande overweging voor toewijzing vatbaar is indien [werkneemster] de door De Jong aan te bieden arbeidsovereenkomst aanvaardt. Bij de behandeling van dit kort geding ter zitting van 25 juli 2002 was echter nog niet bekend of [werkneemster] die overeenkomst zal aanvaarden. De vordering kan daarom op dit punt slechts voorwaardelijk, te weten voor het geval dat [werkneemster] de bedoelde overeenkomst aanvaardt, worden toegewezen.

3.26. De gevorderde schadevergoeding ad € 6.000,-- heeft Van Berkel niet anders onderbouwd dan met twee rekeningen van haar advocaat. Zij stelt op dit punt dat zij door het onrechtmatig handelen van De Jong betrokken is geraakt in de procedure voor de kantonrechter en in de onderhavige procedure, als gevolg waarvan zij advocaatkosten heeft moeten maken. Voor zover zij hiermede bedoeld heeft buitengerechtelijke kosten te vorderen, geldt dat deze kosten in het onderhavige geding, mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II, niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu niet is gesteld of gebleken dat de desbetreffende werkzaamheden meer inhouden dan verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken of ter instructie van de zaak, voor welke verrichtingen de kosten bedoeld in de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te sluiten.

3.27. Ten aanzien van het geding voor de kantonrechter moet echter geoordeeld worden dat [werkneemster] dat geding heeft moeten voeren en daarin Van Berkel heeft moeten betrekken als gevolg van het feit dat De Jong, zoals in het voorgaande is geoordeeld, ten onrechte heeft nagelaten haar verplichting uit artikel 43 CAO na te komen door [werkneemster] geen arbeidsovereenkomst aan te bieden. Of [werkneemster] de aan te bieden overeenkomst ook zal aanvaarden, doet op dit punt niet ter zake. Nu dit nalaten van De Jong jegens Van Berkel als onrechtmatig moet worden aangemerkt en door dat nalaten schade voor Van Berkel is ontstaan in de vorm van de voor haar rekening gebleven proceskosten in de bedoelde procedure, zal De Jong deze proceskosten moeten vergoeden. Deze kosten bedragen € 554,-- voor salaris van haar gemachtigde. Ook hier geldt dat de verdere kosten van rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen op de grond die in de voorgaande overweging reeds is vermeld.

3.28. Tegen de gevorderde dwangsom heeft De Jong geen verweer gevoerd, zodat deze in beginsel voor toewijzing vatbaar is. Onduidelijk is echter wanneer de dwangsom wordt verbeurd, zodat de kans bestaat dat daarover executieproblemen ontstaan. Om deze problemen te voorkomen, zal het aanbieden van een arbeidsovereenkomst aan een termijn worden gebonden, welke termijn redelijkerwijze als hierna te vermelden zal worden bepaald. Voorts zijn er termen om de dwangsom te matigen en aan een maximum te binden, terwijl deze tevens vatbaar zal worden verklaard voor eventuele verdere matiging door de rechter.

3.29. Al het voorgaande brengt mee dat de vordering op de hierna te vermelden wijze zal worden toegewezen.

3.30. De Jong zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding in conventie worden veroordeeld.

In reconventie

3.31. De Jong vordert dat Van Berkel € 9.500,-- zal betalen als vergoeding van de schade die zij, De Jong, door toedoen van Van Berkel stelt te hebben geleden. Zij legt aan deze vordering ten grondslag, kort gezegd, dat zij niet gehouden is [werkneemster] een arbeidsovereenkomst aan te bieden, omdat Van Berkel zelf immers, naar De Jong stelt, is tekortgeschoten in het verschaffen van de relevante informatie. De Jong stelt daarom ten onrechte in het onderhavige geding te zijn betrokken.

3.32. Nu uit de overwegingen en het oordeel in conventie volgt dat dit standpunt van De Jong niet kan worden aanvaard, dient de vordering in reconventie te worden afgewezen.

3.33. De Jong zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding in reconventie worden veroordeeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

4.1. veroordeelt De Jong binnen veertien dagen na de dag van betekening van dit vonnis de verplichtingen na te komen die voor haar voortvloeien uit artikel 43 van de onder 2.1 bedoelde CAO door aan [werkneemster] een arbeidsovereenkomst aan te bieden die op 1 juni 2001 ingaat en waarin overeenkomstig artikel 43, lid 3, CAO de arbeidsvoorwaarden worden geëerbiedigd die waren begrepen in de desbetreffende arbeidsovereenkomst die vóór 1 mei 2001 tussen Van Berkel en [werkneemster] geldig was;

4.2. veroordeelt De Jong voorts aan Van Berkel tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag te betalen van € 554,-- (vijfhonderdvierenvijftig euro) als vergoeding van de proceskosten van Van Berkel in de kantonprocedure;

4.3. veroordeelt De Jong voorwaardelijk, te weten voor het geval dat [werkneemster] de onder 4.1 bedoelde arbeidsovereenkomst aanvaardt, aan Van Berkel tegen behoorlijk bewijs van kwijting al datgene te betalen waartoe Van Berkel in het onder 2.10 bedoelde vonnis van de kantonrechter jegens [werkneemster] is veroordeeld, met dien verstande dat de daarin vermelde aanvulling van het WAO-dagloon zal gelden voor 16,25 uur per week;

4.4. bepaalt dat De Jong een dwangsom verbeurt van € 250,-- (tweehonderdvijftig euro) voor iedere dag dat zij na afloop van de onder 4.1 bedoelde termijn in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen overigens onder 4.1 is bepaald, met dien verstande dat boven een bedrag van € 12.500,-- (twaalfduizend vijfhonderd euro) geen dwangsommen meer worden verbeurd;

4.5. bepaalt voorts dat de onder 4.4 genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving van die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van die overtreding;

4.6. veroordeelt De Jong in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van Berkel begroot op € 703,-- (zevenhonderddrie euro) voor salaris van haar procureur en op € 295,18 (tweehonderdvijfennegentig euro en achttien eurocent) voor verschotten, daaron-der niet begrepen een opslag voor de B.T.W. over de dagvaardingskosten;

in reconventie:

4.7. wijst de vordering af;

4.8. veroordeelt De Jong in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van Berkel begroot op € 351,50 (driehonderdeenenvijftig euro en vijftig eurocent) voor salaris van haar procureur en op nihil voor verschotten;

in conventie en in reconventie:

4.9. verklaart de onderdelen 4.1 tot en met 4.6 alsmede 4.8 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.10. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.N. Brouwer en is in het openbaar uitgesproken op

8 augustus 2002.