Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE6085

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-08-2002
Datum publicatie
02-08-2002
Zaaknummer
147625/KG ZA 02-663/mo
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Handels- en Familierecht

VONNIS van de voorzieningenrechter

in kort geding in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE LOPIK,

zetelende te Lopik,

e i s e r e s,

procureur: mr. A.A. ter Braak-Verhoeks,

- t e g e n -

[de asielzoeker],

wonende te Lopik,

g e d a a g d e,

procureur: mr. R. Hijma.

1. Het verloop van het geding

1.1. Eiseres, hierna te noemen: de gemeente, heeft gedaagde, verder te noemen: [de asielzoeker], in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende dag, 18 juli 2002, heeft zij van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2. De gemeente heeft haar vordering doen toelichten mede aan de hand van overgelegde pleitnotities en op voorhand toegezonden producties.

1.3. [de asielzoeker] heeft hierop - met bijstand van de [tolk] - verweer doen voeren mede aan de hand van op voorhand toegezonden producties.

1.4. Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. [de asielzoeker] is afkomstig uit Noord-Irak.

2.2. [de asielzoeker] heeft verzocht om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf. Deze verzoeken zijn afgewezen. Aan [de asielzoeker] is wel een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend.

2.3. In het kader van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Wet VVTV) heeft de gemeente aan [de asielzoeker] een woning in gebruik gegeven aan de [adres] Lopik, verder te noemen: de woning.

2.4. Bij besluit d.d. 15 juni 1999 is de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf niet ingewilligd.

2.5. Bij uitspraak d.d. 16 juli 2001 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage, zitting houdende te Groningen, het door [de asielzoeker] ingestelde beroep tegen het besluit van 15 juni 1999 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 augustus 2001 van voormelde rechtbank is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

2.6. Tijdens een gesprek d.d. 30 januari 2002 en bij brief d.d. 08 februari 2002 heeft de gemeente aan [de asielzoeker] medegedeeld dat zijn recht op opvang was geëindigd en hem gesommeerd de woning te ontruimen.

2.7. [de asielzoeker] heeft de woning tot op heden niet verlaten.

3. Het geschil en de beoordeling ervan

3.1. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vordering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Kort weergegeven houdt de vordering in dat [de asielzoeker] veroordeeld wordt de woning te ontruimen.

3.2. Het verweer van [de asielzoeker] komt in het volgende voor zoveel nodig aan de orde.

3.3. [de asielzoeker] heeft zich vooreerst verweerd met het betoog dat de gemeente onvoldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming heeft, nu de woning alwaar hij met twee andere personen verblijft na de eventuele ontruiming - van hem en een andere huisgenoot - nog maar zal worden bewoond door één persoon. De woning komt hierdoor gedeeltelijk leeg te staan.

3.4. De gemeente heeft naar het voorlopig oordeel van de rechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de door [de asielzoeker] gebruikte woning nodig heeft voor de opvang van andere vreemdelingen. Door de gemeente is voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de derde overgebleven persoon op korte termijn zal herhuisvesten, waarna de woning wederom aan meerdere personen kan worden verhuurd.

Daarbij komt dat elke dag dat [de asielzoeker] zonder recht of titel in de woning verblijft, de kosten van dit verblijf voor rekening komen van de gemeente. In een dergelijk geval kan van de gemeente niet gevergd worden dat zij - terwijl vaststaat dat de vreemdeling geen recht meer heeft op opvang - een bodemprocedure aanhangig maakt en gedurende deze langdurige bodemprocedure de kosten voor het verblijf blijft betalen.

3.5. Vaststaat dat de geldigheidsduur van de VVTV van [de asielzoeker] is geëindigd en dat er geen procedures meer aanhangig zijn op grond waarvan de werking van de afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de VVTV is opgeschort. Dit betekent dat de verstrekkingen in het kader van de Wet VVTV, waaronder het recht op gebruik van de woning, op grond van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 van rechtswege zijn geëindigd en dat [de asielzoeker] aldus zonder recht of titel in de woning verblijft. De vordering tot ontruiming is dan ook in beginsel toewijsbaar.

3.6. Dit is slechts anders, indien er klemmende redenen van humanitaire aard zouden bestaan die ertoe moeten leiden dat het belang van [de asielzoeker] bij het continueren van de opvang zwaarder moet wegen dan het belang van de gemeente bij het ter beschikking komen van de opvangplaats.

3.7. [de asielzoeker] heeft in dit kader aangevoerd dat van hem niet gevergd kan worden om terug te keren naar Noord-Irak, omdat hij aldaar niet veilig is.

3.8. Hetgeen [de asielzoeker] stelt ten aanzien van zijn veiligheid bij zijn terugkeer naar Noord-Irak heeft hij aangevoerd dan wel kunnen aanvoeren in de asielprocedure. Aangezien zijn aanvraag om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf definitief is afgewezen, wordt voldoende aannemelijk dat de rechter in die procedure er niet van overtuigd was dat de door [de asielzoeker] gestelde gevolgen zich bij diens terugkeer in Noord-Irak zouden realiseren. Van de juistheid van die beslissing moet in dit kort geding worden uitgegaan.

3.9. [de asielzoeker] heeft in dat kader voorts aangevoerd dat het voor hem feitelijk onmogelijk is om naar Noord-Irak terug te keren.

3.10. De onveilige situatie in Irak heeft er destijds toe geleid dat aan de asielzoekende Irakezen in ons land een vvtv is verstrekt. Deze vvtv's zijn echter ingetrokken nadat uit ambtsberichten was gebleken dat de situatie in ieder geval in het noorden van Irak zodanig was verbeterd dat voor Irakezen gedwongen terugkeer naar hun land niet langer van bijzondere hardheid werd geacht. Er is toen voor Noord-Irak een terugkeerprogramma opgezet onder leiding van de Internationale Organisatie voor Migratie (verder: IOM).

Uit andere vergelijkbare zaken betreffende uitgeprocedeerde Noord-Irakezen is het de rechter ambtshalve bekend dat er problemen waren gerezen ten aanzien van de feitelijke terugkeermogelijkheden voor mensen naar Noord-Irak.

3.11. Indien [de asielzoeker] thans feitelijk niet naar zijn land kan terugkeren zou ontruiming ertoe leiden dat [de asielzoeker] zonder middelen van bestaan en zonder onderdak op straat zou komen te staan zonder dat hem het alternatief van terugkeer naar zijn land ter beschikking zou staan. Een dergelijke situatie zal gelden als een klemmende reden van humanitaire aard in de onder 3.6. bedoelde zin en zal aldus aan ontruiming in de weg staan.

3.12. In de voornoemde vergelijkbare zaken zijn de diverse gemeentes die de ontruiming hebben gevorderd in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. In enkele gevallen zijn deze gegevens inmiddels verstrekt. Ook zijn er in de Tweede Kamer vragen gesteld over "vrijwillig terugkerende Irakezen en de nieuwe eisen die Turkije aan het laissez-passer stelt" (nr. 2010210650), welke vragen op 28 mei 2002 door de Voorzitter van de Tweede Kamer aan de Staatssecretaris van Justitie zijn doorgezonden. Deze vragen zijn inmiddels door de Staatssecretaris beantwoord op 17 juli 2002 en op 23 juli 2002.

Uit de antwoorden van de Staatssecretaris kan naar het voorlopig oordeel van de rechter worden afgeleid, dat Noord-Irakezen, zoals [de asielzoeker], die vrijwillig willen terugkeren en inmiddels beschikken over de benodigde documenten, maar wiens vertrek om technische redenen is opgeschort, in aanmerking komen voor een door de IOM aangeboden opvang, totdat hun vertrek daadwerkelijk geëffectueerd kan worden.

3.13. [de asielzoeker] heeft aangegeven niet te willen terugkeren naar Noord-Irak en aannemelijk is dat hij ook niet over de daartoe benodigde documenten beschikt. [de asielzoeker] heeft voorts aangevoerd zich aanvankelijk wel bij de IOM te hebben aangemeld, maar naderhand geweigerd te hebben mee te werken aan een terugkeer.

Gelet op de antwoorden van de Staatssecretaris lijkt [de asielzoeker] dan ook thans niet in aanmerking te komen voor de door de IOM geboden opvang, omdat hij op dit moment niet aan de daarvoor gestelde eisen voldoet. Aannemelijk is echter dat [de asielzoeker] binnen een termijn van 4 weken aan deze eisen zal kunnen voldoen, in welk geval de IOM hem opvang zal verschaffen. Na ommekomst van deze termijn kan er jegens hem dus geen sprake meer zijn van klemmende redenen van humanitaire aard. Dientengevolge zal de vordering van de gemeente op een termijn van 4 weken worden toegewezen.

3.14. [de asielzoeker] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1. veroordeelt [de asielzoeker] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woonruimte aan de [adres] Lopik met alle personen en zaken die zich daarin of daarop vanwege hem bevinden, met afgifte van de sleutels te ontruimen en ontruimd te houden;

4.2. machtigt de gemeente om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [de asielzoeker] in gebreke blijft aan het onder 4.1 bepaalde van dit vonnis te voldoen;

4.3. veroordeelt [de asielzoeker] in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 703,00 (zevenhonderddrie euro) voor salaris van haar procureur, op € 193,00 aan griffierecht en op € 65,18 aan explootkosten;

4.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg - van Geest en is in het openbaar uitgesproken op 01 augustus 2002.