Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE5262

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-01-2002
Datum publicatie
26-05-2005
Zaaknummer
112617/HA ZA 00-588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij comparitie van partijen in het kader van de afwikkeling van een boedelscheiding na echtscheiding hebben partijen hun bereidheid uitgesproken om onder begeleiding van een mediator naar een oplossing te zoeken, in verband waarmee de procedure is aangehouden. Aan het slot van de daarop gevolgde mediationbijeenkomst hebben partijen wegens het gevorderde uur een stuk ondertekend, op basis waarvan de mediator een "echtscheidingsconvenant" heeft opgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een vaststellingsovereenkomst. Indien B zich tijdens de mediationbijeenkomst overrompeld, overhaast en onder druk gezet voelde, had het op zijn weg gelegen dit toen aan de aanwezigen te melden. Nu hij dit heeft nagelaten, komt dat niet voor rekening van K en R. Het beroep op vernietigbare verdeling, misbruik van omstandigheden en strijd met redelijkheid en billijkheid strandt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 310

Uitspraak

112617/HAZA 00-588

Vonnis in de zaak van:

1. K.

2. R., eisers in convenant, gedaagden in reconventie, proc. mr. J. van Ravenhorst,

tegen

B., gedaagde in reconventie, eiser in reconventie, proc. mr. F. van Brug.

1. Het verdere verloop van de procedure

(...)

2. De vaststaande feiten

2.1 B. is op 7 november 1959 gehuwd met K., en wel op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een gemeenschap van winst en verlies, alsmede een gemeenschap van inboedel.

2.2 Bij beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 6 augustus 1998 is tussen K. en B. de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 28 augustus 1998 werd ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3 Bij beschikking van de kantonrechter te Alkmaar van 21 mei 1999 is het bewind ingesteld over de goederen van K. met benoeming van haar schoonzoon, R. tot bewindvoerder.

2.4 Nadat partijen en hun advocaten jarenlang, zonder resultaat, hadden gestreefd om tot financiële afwikkeling van de onderhavige boedel te geraken, hebben K. en R. bij dagvaarding van 10 maart 2000 gevorderd dat - kort samengevat - B. meewerkt aan de afwikkeling van deze boedel, waarna B. in reconventie een vordering van dezelfde strekking heeft ingesteld.

2.5 Bij een comparitie van partijen van 6 oktober 2000 hebben B. en R. hun bereidheid uitgesproken om onder begeleiding van een mediator naar een oplossing te zoeken in wederzijds belang, in verband waarmee de onderhavige procedure is aangehouden en verwezen naar de rol van 24 januari 2001 voor akte uitlating royement, dan wel voor conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie aan de zijde van R. in het geval mediation niet tot volledige overeenstemming heeft geleid.

2.6 Partijen en hun advocaten hebben met de mediator een schriftelijke overeenkomst gesloten, gedateerd 24 oktober 2000. Artikel 8.1 van deze overeenkomst luidt voor zover van belang als volgt:

Een ingevolge de mediation in der minne bereikte oplossing van het geschil, zal tussen partijen worden vastgelegd in een daartoe strekkende, schriftelijke vaststellingsovereenkomst.

In art. 8.2 van die overeenkomst staat:

Tijdens de loop van de mediation tussen partijen gemaakte afspraken binden hen alleen voor zover deze schriftelijk door hen zijn overeengekomen...

2.7 In het kader van de mediation hebben twee langdurige besprekingen plaatsgevonden en wel op 24 oktober 2000 en op 7 november 2000, waarbij aanwezig waren B., R., de beide advocaten en de mediator.

2.8 Aan het slot van de 5 uur geduurd hebbende bespreking op 7 november 2000 hebben te omstreeks 19:00 uur R. en B., alsmede hun advocaten een stuk ondertekend dat is overgelegd als "bijlage 1" bij de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie; gemeld stuk zal verder "bijlage 1" worden genoemd.

2.9 De mediator heeft bij brief van 14 november 2000 aan de advocaten van partijen een stuk gezonden met als kopje "echtscheidingsconvenant". Partijen zijn niet tot ondertekening van dit stuk overgegaan.

2.10 Partijen zijn het erover eens, dat het mediationtraject als beëindigd kan worden beschouwd, zij het dat R. de beëindigingsdatum stelt op 7 november 2000 en B. op 26 april 2001 (datum comparitie).

3. De verdere beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

3.1 Op de stellingen en weren van partijen zal in het navolgende, voor zover van belang, worden ingegaan.

3.2 Bij repliek in conventie heeft R. zijn eis gewijzigd, in die zin, dat hij thans uitsluitend nakoming van de overeenkomst vordert, die volgens hem tot stand gekomen is door de ondertekening van bijlage 1 door partijen op 7 november 2000.

3.3 B., die onder meer betwist dat de door R. gestelde overeenkomst tot stand gekomen is, handhaaft zijn reconventionele vordering.

3.4 Gezien de betwisting door B. dat er sprake is van het totstandgekomen zijn van de door R. gestelde overeenkomst, moet worden nagegaan of er sprake is van tot stand koming van een voldoende concrete overeenkomst, belichaamd in bijlage 1, waarvan de nakoming kan worden gevorderd.

3.5 B. voert aan dat er geen vaststellingsovereenkomst is als bedoeld in art. 8 van bovengenoemde mediationovereenkomst, zodat hij er op mocht vertrouwen dat hij nog geen juridisch bindende afspraken met c.q. verplichtingen jegens R. aanging en dat bijlage 1 niet meer was dan een (vertrouwelijk) werkdocument.

3.6 Gemeld betoog moet voor onjuist worden gehouden. B. heeft niet weersproken, dat na ondertekening van bijlage 1 (waarbij geen voorbehoud is gemaakt) uitsluitend tussen de betrokkenen werd afgesproken, dat naar aanleiding van bijlage 1 de mediator bijlage 1 zou weerleggen in een schriftelijke overeenkomst, waarbij zou worden afgeweken van de gebruikelijke gang van zaken, te weten het onmiddellijk opstellen en ondertekenen van een dergelijke overeenkomst. Reden van deze afwijking was het feit, dat gezien het tijdstip het de betrokkenen aan tijd ontbrak om die schriftelijke overeenkomst te vervaardigen/te ondertekenen. Nu het echtscheidingsconvenant behelst hetgeen de inhoud van bijlage 1 omvat, moet het er dan ook voor worden gehouden, dat er op 7 november 2000 een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, die voldoende concreet is dat daaraan uitvoering kan (en moet) worden gegeven.

3.7 Indien B. zich zoals hij stelt tijdens de bespreking op 7 november 2000 overrompeld, overhaast en onder druk gezet voelde, waardoor hij zijn inzicht in de materie en in een door hem gemaakt cijfermatig overzicht uiteindelijk volledig kwijt was, dan had het op zijn weg gelegen dit toen aan de aanwezigen te melden. Nu hij dit heeft nagelaten, komt dat niet voor rekening van K. en R.

3.8 Het beroep op dwaling door B. moet stranden. B. stelt weliswaar door de overeenkomst benadeeld te zijn, maar hij stelt niet dat hij, op de voet van het bepaalde in art. 3:196 BW, benadeeld is voor meer dan een kwart.

3.9 Ook het beroep op misbruik van omstandigheden door B. is ongegrond, nu niets is gebleken dat het voor R. kenbaar was dat B. onder (zeer grote) druk is bewogen tot het plaatsen van zijn handtekening op bijlage 1. R. heeft immers betwist dat een en ander voor hem kenbaar is geweest.

3.10 Het vorenstaande wordt niet anders door de algemene stellingen van B. dat hij een wat oudere, slechthorende man met een Jappenkampverleden is, die bovendien destijds nog herstellende was van een knieblessure.

3.11 Anders dan B. stelt, kan ook niet worden gezegd dat R. in strijd met de redelijkheid en billijkheid, waartoe partijen als deelgenoten gehouden zijn, handelt door in bovengenoemde omstandigheden B. te houden aan (nakoming van) bijlage 1. Immers, gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen omtrent de door B. aangevoerde omstandigheden, oordeelt de rechtbank deze omstandigheden niet valide.

3.12 Met betrekking tot de door B. aangevoerde stelling dat R. de in het kader van de mediation overeengekomen geheimhoudingsplicht schendt, geldt dat R. nakoming vordert van hetgeen is neergelegd in bijlage 1. Nu geoordeeld is, dat de inhoud daarvan voldoende concreet is om als overeenkomst tussen partijen te gelden en gelet op de na ondertekening gemaakte afspraak, hierboven weergegeven onder punt 3.6, moet worden geoordeeld dat bijlage 1 heeft te gelden als overeenkomst in de zin van art. 8.2 van de mediationovereenkomst.

3.13 De bij repliek in conventie gewijzigde vordering van R. zal dan ook als overigens onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 113,45 (f 250) per dag.

3.14 Gelet op het vorenstaande moet de reconventionele vordering van B. worden afgewezen en behoeven de overige stellingen geen bespreking meer.

3.15 Gezien de familierelatie tussen partijen zullen de kosten van dit geding worden gecompenseerd, zoals hierna zal worden vermeld.

4. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

4.1 veroordeelt B. om vier weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan de uitvoering van de op 7 november 2000 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst, vervat in bijlage 1 en het hierboven in 2.9 genoemde stuk en daartoe alle handelingen te verrichten, die noodzakelijk zijn om tot uitvoering van de verdeling/toedeling te komen van de vermogensbestanddelen, zoals deze in gemelde stukken aan partijen zijn toegedeeld, meer in het bijzonder aangaande de notariële toedeling van de voormalige echtelijke woning te B. (artikel 1), de effectenportefeuille (artikel 3) en de polissen van de levensverzekering (artikel 5) en voorts aan R. binnen vier weken na betekening van dit vonnis schriftelijk en onherroepelijk volmacht te verlenen om B. te vertegenwoordigen bij de verdere uitvoering van onderhavige verdeling en toedeling van de woning, staande en gelegen te K., partijen genoegzaam bekend en onder afgifte van de sleutels en bescheiden betreffende de verhuur van deze woning, onder verbeurte door B. van een dwangsom van € 113, 45 (f 250) per dag voor elke dag dat B. met het vorenstaande of een onderdeel daarvan in gebreke zal zijn;

4.2 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3 wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

4.4 wijst de vordering van B. af;

(...)