Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE5171

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
140343-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 140343-01

Datum uitspraak: 10 juli 2002

Tegenspraak Verkort vonnis

Raadsman: mr. O.E. de Jong te Nieuwegein

G/T: Ja

V O N N I S

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2002.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

2. De bewijsbeslissing

2.1 De bewezenverklaring

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte van het in de eerste plaats tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Er is geen sprake van voorbedachte rade doch van een onderbroken voornemen dat niet verder werd uitgevoerd, nu verdachte eerst heeft getracht haar zoon van het leven te beroven door hem een grote hoeveelheid Claritine tabletten toe te dienen in de verwachting dat haar zoon daardoor zou overlijden. Toen daarop bleek dat haar zoon niet was overleden, heeft zij eerst nadat daarna bijna een dag was verstreken, in een opwelling haar zoon van het leven beroofd door hem met een kussen te verstikken, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar haar oordeel moet het verstikken van het slachtoffer door verdachte, ook al vond dit plaats vele uren nadat door verdachte een eerdere poging tot vergiftiging was gedaan, worden gezien als een voortzetting van het - dagen daarvoor opgevatte - plan van verdachte om eerst haar zoon - en vervolgens zichzelf - van het leven te beroven.

Verder is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voorbedachte rade nu er juist vele uren zijn verstreken tussen de eerste niet geslaagde poging en het verstikken en verdachte derhalve geruime tijd tot haar beschikking heeft gehad om zich op haar voornemen (nader) te beraden.

De rechtbank acht ook overigens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de eerste plaats ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

3. De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de eerste plaats bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

M O O R D.

4. De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu zij zich ten tijde van het tenlastegelegde bevond in een situatie waarin zij handelde ten gevolge van een psychische dwang waaraan zij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden, nu zij er van overtuigd was dat zij van haar zoon zou worden gescheiden en deze gedachte voor haar onverdragelijk was en haar dwong te handelen zoals zij heeft gehandeld.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Niet is gebleken, ook niet uit de in deze zaak uitgebrachte multidisciplinaire rapportage, dat verdachte - ondanks de bij haar bij onderzoek aangetroffen stoornis - ten tijde van het tenlastegelegde handelde in enige toestand van absolute wilsonvrijheid. Voorts geldt naar het oordeel van de rechtbank ook hier dat verdachte gedurende haar handelen geruime tijd tot haar beschikking heeft gehad om zich daarop meermalen (nader) te beraden.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

5. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- de zeer ernstige aard van het bewezenverklaarde. Verdachte heeft haar zoon R, 15 jaar oud, opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven beroofd door hem een kussen op het gezicht te drukken en gedrukt te houden en hem dusdoende te verstikken.

Door diens dood is groot verdriet teweeg gebracht bij de familie van het slachtoffer en is grote schrik en ernstige onrust bij de directe omgeving, met name bij de mede-leerlingen van de door het slachtoffer bezochte school, ontstaan.

Het bewezenverklaarde betreft een feit waardoor de rechtsorde in hoge mate is geschokt.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d.

26 november 2001, waaruit blijkt dat de verdachte in dit register onbekend is;

- een rapport betreffende de geestestoestand van verdachte d.d. 21 juni 2002 van het Pieter Baan

Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, opgemaakt door J.K. Kruijt, psycholoog en T.A. Wouters, psychiater. Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - onder meer in:

"Betrokkene is een thans 36-jarige vrouw. De kernproblematiek wordt gevormd door stoornissen in de autonomie-ontwikkeling. Enerzijds bestaat er een stringente behoefte om haar leven autonoom vorm te geven en verdraagt zij geen enkele vorm van bemoeienis. Haar denken blijkt anderzijds desalniettemin nog sterk te worden gedomineerd door de afhankelijkheidsrelaties zoals die bestonden in het gezin van herkomst en gekenmerkt te worden door de neiging vooral gewenst gedrag te vertonen uit angst voor afwijzing. Het gevolg is dat betrokkene zich weliswaar gekwetst en hulpbehoevend presenteert, maar tegelijkertijd een krampachtig pantser van afwijzing ophoudt waarmee zij inhoudelijk contact (met personen van wie zij zich afhankelijk zou kunnen voelen) vermijdt en de controle aan zich tracht te houden. De keerzijde van deze problematiek speelde in het contact met R. In de gegeven omstandigheid dat hij immers van haar afhankelijk was en haar als verzorger niet zou afwijzen (getuige ook de louter positieve referenties die daarover werden vernomen), kon zij een vertrouwensband met hem aangaan die symbiotische kenmerken vertoonde. Tegelijkertijd lijkt R (c.q. zijn gezondheidstoestand) ingezet te zijn geweest bij het handhaven van de controle over het bepalen van haar eigen afstand-nabijheid-problematiek in de relatie met anderen, zoals haar familie. Het conflictfocus met betrekking tot de familiesituatie wordt thans vooral bepaald door het gemis aan erkenning, voornamelijk door moeder. Het is mogelijk dat (seksuele) traumatisering in de voorgeschiedenis hieraan bijgedragen heeft. Het gewenst gedrag verschilt per levensgebied en kan door betrokkene niet worden geïntegreerd. Zij onderscheidt verschillende leefwerelden, die door betrokkene angstvallig van elkaar gescheiden worden gehouden. De chronisch ervaren insufficiëntiegevoelens hebben geleid tot een laag zelfgevoel en de neiging tot zelfdepreciatie. Wanneer betrokkene bang is om de controle te verliezen, ontstaan randverschijnselen als paniekerigheid, dwangmatigheid of depressieve stemmingen gepaard gaande met hypochondere preoccupaties en suïcidaliteit. Hoewel het onderzoek zeker niet uitputtend is geweest door de afwerende houding van betrokkene, zijn er in elk geval een aantal stressverhogende en impassie-faciliterende momenten naar voren gekomen die bijgedragen kunnen hebben aan het ziek-zijn en de (depressieve) decompensatie voorafgaand aan het tenlastegelegde. Het betreft enkele recente verliezen (aldus betrokkene), een openleggend therapeutisch contact, het psychologisch ouder (en onafhankelijk) worden van R, de mogelijkheid dat R het contact met zijn vader wilde aanhalen en daarmee een dreigende scheiding tussen moeder en zoon, en het door ziekte wegvallen van de mogelijkheid de spanningen via het skeeleren te ontladen.

Het is deze meer algemene kwetsbaarheid van de persoonlijkheidsopbouw door de afhankelijkheid van externe kaders, die verondersteld wordt te moeten worden gewogen ten aanzien van de toerekenbaarheid van het tenlastegelegde. Verschillende specifieke hypothesen met betrekking tot het tenlastegelegde konden door betrokkene's attitude niet worden getoetst. Het is daarom dat het

onderzoekend team betrokkene - niettegenstaande de ernst van de stoornis - ten hoogste verminderd toerekeningsvatbaar acht te zijn geweest."

als conclusie:

"Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het haar ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest haar wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden dat onderzochte was ten tijde van het plegen van het haar ten laste gelegde feit lijdende aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis harer geestvermogens dat dit feit - indien bewezen - haar in verminderde mate kan worden toegerekend;

De rechtbank kan zich met de vorenvermelde conclusie verenigen en maakt die tot de hare.

De deskundige Wouters voornoemd heeft ter terechtzitting het voormelde rapport toegelicht en verklaard dat de stoornis, waaraan verdachte lijdende is als behandelbaar kan worden aangeduid. Voorts heeft hij verklaard dat zijn onderzoekend team niet tot de conclusie was gekomen dat met betrekking tot verdachte in deze terbeschikkingstelling met dwangverpleging geïndiceerd was nu verdachte eerder zou neigen tot zelfdestructie dan uitageren en gevaar voor herhaling van feiten als tenlastegelegd slechts zou bestaan bij het opnieuw ontstaan van een relatie met een symbiotisch karakter en dan met name met betrekking tot een kind.

De rechtbank acht in deze echter in het kader van de bescherming van de algemene veiligheid van personen een behandeling in een gedwongen kader aangewezen. Voorts moet niet uitgesloten worden geacht dat verdachte in de toekomst een nieuwe relatie zal aangaan waarbinnen ook kinderen aanwezig zullen kunnen zijn.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake het in de eerste plaats ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De rechtbank acht echter - met name op grond van de hoogst ernstige aard van het bewezenverklaarde - en ondanks het belang van een zo spoedig mogelijke aanvang van een behandeling van verdachte - de oplegging van een aanzienlijk hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie gevorderd, en wel een gevangnisstraf van na te melden duur, passend en geboden.

Nu bij verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en voorts het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks eist, zal de rechtbank tevens de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling gelasten met bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

6. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

7. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het in de eerste plaats ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ACHT JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld.

Beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs. H.W. Koksma, C.J.H.G. Bronzwaer en E. Akkermans, bijgestaan door F.P.L. van der Lee, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2002.