Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE2462

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
16/039055-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 16/039055-97

Datum uitspraak : 8 mei 2002

Tegenspraak Verkort vonnis

Raadsman: mr. J.B. Boone

G/T: Ja

V O N N I S

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 oktober 2001, 14 november 2001, 13 en 14 december 2001, 20 en 21 december 2001, 10, 11, 17, 21, 24, 25, 29 en 31 januari 2002, 1 februari 2002 en 24 april 2002.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

In het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde stelt de officier van justitie, dat één of meer valse of vervalste verkrijgingsprijzen van onroerende zaken waren "opgenomen" in door de officier van justitie genoemde aangiftebiljetten.

De rechtbank verstaat, dat de officier van justitie heeft bedoeld te stellen dat die verkrijgingsprijzen in die aangiftebiljetten waren "verwerkt".

Ten aanzien van het onder 6 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie de rechtbank ter terechtzitting van 24 april 2002 verzocht telkens "1997" te lezen waar "1996" staat geschreven.

De rechtbank zal, gelet op de expliciete verwijzing in de dagvaarding naar bijlage D/611, uit welke bijlage blijkt dat de verdenking het jaar 1997 betreft, het feit dat de raadsman ter zake geen verweer heeft gevoerd, en de raadsman blijkens zijn pleitnota weet dat de verdenking het jaar 1997 betreft, in het onder 6 primair en subsidiair ten laste gelegde telkens "1996" beschouwen als een kennelijke schrijffout en in plaats daarvan telkens lezen "1997".

Verdachte is door beide verbeteringen niet in zijn verdediging geschaad. Dit geldt ook voor de overige door de rechtbank herstelde misslagen in de tenlastelegging.

2. De geldigheid van de dagvaarding

In het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde zijn cumulatief opgenomen -kort weergegeven- het misdrijf opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften en het misdrijf opzettelijk onjuiste en/of onvolledige gegevens verstrekken.

Voor wat betreft het eerste misdrijf heeft de officier van justitie in zijn tenlastelegging tijd en plaats opgenomen. Voor wat betreft het tweede misdrijf niet. Dit levert een schending op van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (verder "Sv").

Ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat in de tenlastelegging onvoldoende specifiek is omschreven welke onjuiste en/of onvolledige gegevens zijn verstrekt nu de belastingdienst meer brieven, ieder inhoudende tientallen vragen, aan [medeverdachte B.V. 1]. heeft gezonden. Gegeven deze context acht de rechtbank een nadere specificatie vereist en mogelijk.

De rechtbank zal derhalve ten aanzien van de onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten de dagvaarding nietig verklaren voor wat betreft de navolgende gedeelten:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:

"en/of onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt en/of laten verstrekken terwijl hij,

verdachte, ingevolge de belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens

en/of aanwijzingen", alsmede

" naar aanleiding van vragen(brieven) van de belastingdienst onjuiste en/of onvolledige inlichtingen

en gegevens heeft verstrekt betreffende zijn woongelegenheid in Nederland en/of zijn inkomsten

en/of zijn vermogen in de jaren 1992 en/of 1993 en/of 1994 en/of 1995 en/of 1996"

Ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit:

"en/of onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt en/of laten verstrekken, terwijl [medeverdachte B.V. 1] ingevolge de belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens en/of aanwijzingen", alsmede

"en/of naar aanleiding van vragen(brieven) van de belastingdienst onjuiste en/of onvolledige

inlichtingen en gegevens verstrekt betreffende de jaren 1995 en/of 1996 en/of 1997";

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter terechtzitting verweren gevoerd, die inhoudelijk ieder apart dan wel in onderlinge samenhang bezien volgens hem leiden tot de conclusie dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging wegens -kort gezegd- ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde.

De raadsman heeft dat beargumenteerd met de feiten en omstandigheden zoals vermeld in zijn pleitnota.

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze verweren het volgende, waarbij de rechtbank -voor zover mogelijk- de door de raadsman in zijn pleitnota gehanteerde indeling volgt:

I Machtigingsperikelen

De raadsman heeft -zakelijk weergegeven- gesteld, dat

1. de behandeling van de strafzaak van zijn cliënt door de rechtbank Utrecht nietig is, omdat de rechtbank, die de persoonlijke verschijning van verdachte had bevolen op 13 december 2001, op 10 januari 2002, op welke terechtzitting de verdachte niet was verschenen, heeft verzuimd de medebrenging van verdachte te gelasten en de behandeling van de zaak aan te houden, en

2. in elk geval sprake was van "uitzonderlijke gevallen" als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2001, NJ 2002,77 en daaraan de conclusie verbonden, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Uit de door de raadsman in zijn pleitnota geciteerde passage uit het proces-verbaal van de terechtzitting van deze rechtbank van 13 december 2001 ("Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte aanwezig behoort te zijn bij het horen van de getuigen ter terechtzitting") kan niet (zoals de raadsman doet) de conclusie worden getrokken, dat de rechtbank toen een bevel heeft gegeven als bedoeld in artikel 278 lid 2 Sv. Verdachte was immers ter terechtzitting aanwezig.

Bovendien kan die passage niet los worden gezien van hetgeen daaraan vooraf gaat, te weten de vraag van de toenmalige raadsman aan de rechtbank of zijn cliënt -tegen wie een bevel voorlopige hechtenis was verleend, welk bevel was geschorst op 5 november 1998 onder meer onder de voorwaarde, dat verdachte op iedere oproep hem gedaan door of namens de rechter-commissaris en/of de officier van justitie of enige andere justitiële instantie zou verschijnen- bij het verhoor van alle ter terechtzitting op verzoek van de verdediging te horen getuigen aanwezig diende te zijn ("Mijn cliënt vraagt zich evenwel af of hij bij alle verhoren aanwezig moet zijn").

In strijd met genoemde schorsingsvoorwaarde was verdachte op 10 januari 2002 niet ter terechtzitting aanwezig. Zijn toenmalige raadsman, die toen wel was verschenen, verklaarde, dat hij zijn cliënt op 9 januari 2002 telefonisch had gesproken en dat zijn cliënt hem niet uitdrukkelijk had gemachtigd. De raadsman verklaarde voorts, dat wat hem betrof het verhoor van een getuige volgens plan gewoon doorgang kon vinden.

De stelling van de raadsman, dat de rechtbank toen op de voet van artikel 278 Sv was gehouden de medebrenging van verdachte te bevelen en de zaak aan te houden vindt geen steun in het recht.

Ten overvloede overweegt de rechtbank, dat het niet of niet eenvoudig is een dergelijke last te effectueren bij een verdachte, die, zoals verdachte, geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, zulks nog daargelaten de beantwoording van de vraag of effectuering binnen aanvaardbare termijn kan plaatsvinden.

Op de terechtzitting van 11 januari 2002, toen aannemelijk was dat verdachte vanwege ziekte niet kon verschijnen ter terechtzitting, maar wel bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wilde zijn, heeft de rechtbank de behandeling ter terechtzitting onderbroken.

Op de terechtzitting van 17 januari 2002, waar verdachte ook niet verscheen, heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek tot aanhouding van de toenmalige raadsman van verdachte aangehouden, teneinde die raadsman in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank in het proces-verbaal van die zitting genoemde stukken te overleggen en de behandeling onderbroken tot de terechtzitting van 21 januari 2002.

Op de terechtzitting van 21 januari 2002 verscheen de verdachte wederom niet. De toenmalige raadsman van verdachte deelde ter terechtzitting mee, dat hij niet uitdrukkelijk was gemachtigd. Blijkens het proces-verbaal van die zitting had de toenmalige raadsman niet voldaan aan het verzoek van de rechtbank van 17 januari 2002. Nadat de rechtbank het verzoek tot aanhouding had afgewezen (en tevens de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis had bevolen) deelde de toenmalige raadsman mede: "Ik vertrek".

De toenmalige raadsman is nadien op de terechtzittingen van 24 en 25 januari 2002 niet meer verschenen en heeft ook steeds (mondeling en/of schriftelijk) meegedeeld niet te zullen verschijnen. Dat is ook gebeurd op 29 januari 2002.

Eerst bij brief van 30 januari 2002 heeft die raadsman schriftelijk te kennen gegeven niet langer als zodanig te zullen optreden.

Uit het bovenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank, dat sprake is geweest van een bewuste proceshouding van de verdachte en diens toenmalige raadsman. Van een uitzonderlijk geval als bedoeld in meergenoemd arrest was dus geen sprake.

De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

II Artikelen 41-45 Strafvordering

De raadsman heeft gesteld dat de behandeling van de zaak nietig is geweest nu de belangen van verdachte niet langer werden verdedigd vanaf het moment dat de toenmalige raadsman op de terechtzitting van 21 januari 2002 vertrok en de rechtbank derhalve onder die omstandigheden de behandeling van de zaak ambtshalve had moeten aanhouden, teneinde te onderzoeken of de verdachte nog prijs stelde op de bijstand van zijn vertrokken raadsman dan wel teneinde ambtshalve een nieuwe raadsman aan verdachte toe te laten voegen. Nu de rechtbank zulks niet heeft gedaan, dient volgens de raadsman vorenstaande te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Wat het ambtshalve toevoegen van een raadsman betreft, staat voorop dat dit slechts hoeft te geschieden indien een verdachte geen gekozen raadsman heeft.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte steeds bijstand heeft gehad van een gekozen raadsman.

Immers, naar het oordeel van de rechtbank heeft de toenmalige raadsman met zijn op de terechtzitting van 21 januari 2002 gedane mededeling "Ik vertrek" en het daarna verlaten van de zittingszaal slechts kenbaar gemaakt dat hij vanaf dat moment niet langer bij de behandeling ter terechtzitting aanwezig wenste te zijn.

De raadsman heeft voorts in zijn -telefonische dan wel schriftelijke- berichten, voorafgaand aan de daaropvolgende terechtzittingen van 24 januari 2002, 25 januari 2002 en 29 januari 2002, telkens aan de rechtbank medegedeeld dat hij om hem moverende redenen niet ter terechtzitting zou verschijnen. Hij heeft daarbij niet medegedeeld dat hij niet langer als raadsman zou optreden.

Eerst op 30 januari 2002 heeft de toenmalige raadsman de rechtbank schriftelijk medegedeeld dat hij niet langer als raadsman zou optreden. Op diezelfde datum heeft de huidige raadsman per fax de rechtbank bericht dat hij, ter opvolging van de vorige raadsman, als gekozen raadsman de verdediging van verdachte op zich had genomen.

Nu de rechtbank op voornoemde terechtzittingen niet is gebleken, middels mededelingen van de toenmalige raadsman, noch anderszins -bijvoorbeeld middels bericht zijdens verdachte-, dat verdachte niet meer werd bijgestaan of niet meer wenste te worden bijgestaan door zijn toenmalige raadsman, was er geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.

De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

III Onrechtmatig verkregen bewijs

De raadsman heeft aangevoerd dat de huiszoekingen ter inbeslagneming bij [medeverdachte 2] in diens woning en kantoor op 6 februari 1999 onrechtmatig waren en dat de uit deze huiszoekingen verkregen bewijsstukken als onrechtmatig bewijs dienen te worden aangemerkt en dat zulks dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.

Daartoe heeft hij de volgende argumenten aangevoerd:

1. de huiszoekingen zijn (onder verwijzing naar NJ 2000, 341) uitgevoerd in strijd met artikel 98 Sv; er was geen sprake van een uitzonderlijke situatie die een huiszoeking bij een notaris rechtvaardigde;

2. de behoefte bij OM en FIOD tot huiszoeking bij [medeverdachte 2] werd slechts ingegeven door het belang van onderzoek tegen verdachte; bij de zoeking werd uitsluitend gezocht naar bewijs tegen verdachte;

3. de huiszoekingen zijn onzorgvuldig uitgevoerd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

ad 1.

Een notaris dient ingevolge artikel 3 van de Wet op het notarisambt geheimhouding te betrachten ten aanzien van alles waarvan hij door zijn ambt kennis neemt. Hij kan zich daarom op grond van artikel 218 Sv beroepen op zijn verschoningsrecht ten aanzien van hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als notaris is toevertrouwd. Ingevolge artikel 98 jo. artikel 218 Sv kunnen in beginsel geen geschriften inbeslaggenomen worden die onder de geheimhoudingsplicht van de notaris vallen. De tijdens bovengenoemde huiszoekingen inbeslaggenomen bescheiden beschouwt de rechtbank als geschriften die vallen onder de geheimhoudingsplicht.

Bij beschikkingen van 20 januari 1999 heeft de rechtbank in het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 2] verlof verleend tot het doen van bovengenoemde huiszoekingen. Deze verloven bevatten de bepaling "Bepaalt dat de huiszoeking alleen plaatsvindt, tenzij met toestemming van voornoemde verdachte, voor zover zij zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en bepaalt dat de huiszoeking zich niet uitstrekt tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben". Deze bepaling is rechtstreeks ontleend aan artikel 98 lid 2 Sv en moet naar het oordeel van de rechtbank worden verstaan als verlof aan de rechter-commissaris om de huiszoekingen met inachtneming van het recht te verrichten.

Op het verbod van artikel 98 Sv bestaan uitzonderingen.

Nu [medeverdachte 2] geen toestemming tot de inbeslagneming heeft gegeven en slechts een aantal inbeslaggenomen bescheiden voorwerp van het strafbare feit uitmaakte of tot het begaan daarvan heeft gediend, moet de vraag worden beantwoord of in casu het belang van de waarheidsvinding prevaleerde boven het belang, dat art 98 Sv beoogt te beschermen.

Daarvoor is het volgende van belang:

a) [medeverdachte 2] is notaris;

b) een notaris dient zich te gedragen naar de wetten, de reglementen en de verordeningen die op het notarisambt van toepassing zijn en zijn taak eerlijk, nauwgezet en onpartijdig uit te voeren;

c) ten tijde van de huiszoekingen bestond de verdenking dat [medeverdachte 2] juist die aan zijn ambt verbonden integriteit had geschonden door handelingen te verrichten, die strafbaar zijn gesteld in de artikelen 225 en 226 Wetboek van Strafrecht (verder "Sr");

d) deze strafbare handelingen zouden onder meer zijn gepleegd in notariële akten; akten die

-behoudens het bewezen tegendeel- ingevolge de wet dwingend bewijs leveren van hetgeen daarin is opgenomen en daarmee een essentiële rol spelen in het maatschappelijk en economisch verkeer;

e) in artikel 225 Sr is als strafmaximum opgenomen gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie; in artikel 226 Sr is als strafmaximum opgenomen gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren of geldboete van de vijfde categorie;

f) cliënten van geheimhouders hebben in beginsel een rechtens te respecteren belang bij de bescherming die de geheimhoudingsplicht biedt tegen openbaring van vertrouwelijke informatie; de tijdens de huiszoekingen inbeslaggenomen stukken komen echter alle uit dossiers die betrekking hebben op rechtspersonen en natuurlijke personen die (onder meer) verdacht werden van het in vereniging met [medeverdachte 2] plegen van bovengenoemde misdrijven.

Onder deze (uitzonderlijke) omstandigheden moet het belang dat de waarheid aan het licht komt

-ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan [medeverdachte 2] als notaris is toevertrouwd- prevaleren boven het verschoningsrecht. De rechtbank is daarom van oordeel dat tijdens genoemde huiszoekingen het verschoningrecht van [medeverdachte 2] als notaris niet onrechtmatig is doorbroken.

De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad heeft betrekking op een onvergelijkbare casuspositie en leidt niet tot een andere conclusie.

ad 2.

In het door P. Van Leusden, ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD/Centrale Vestiging Opsporing te Haarlem, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal nummer HA 9849, code LC/AH/01, d.d. 13 januari 1999, is gerelateerd dat en waarom sprake was van een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sv tegen [medeverdachte 2]. Op basis van dat proces-verbaal is, na daartoe strekkende vordering van de officier van justitie, op 20 januari 1999 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank een gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 2] geopend en door deze rechtbank verlof tot huiszoeking bij [medeverdachte 2] verleend. Niet is gebleken van omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 2] is "gecreëerd" met als uitsluitend doel bewijsvergaring tegen verdachte.

ad 3.

Uit de processen-verbaal van de huiszoekingen d.d. 6 februari 1999 blijkt het volgende:

bijlagen II en III

(De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd).

De rechtbank stelt, gelet op de inhoud van voornoemde processen-verbaal vast, dat tijdens de huiszoekingen aan alle in verband daarmee te stellen eisen van zorgvuldigheid is voldaan.

Conclusie:

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslagneming rechtmatig was en dat het gebruik van de inbeslaggenomen stukken derhalve ook rechtmatig heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

IV a Heksenjacht

De raadsman heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie voorts niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging nu de zogenaamde sfeerovergang volgens de verdediging op een eerder tijdstip heeft plaatsgevonden dan door het Openbaar Ministerie is gesteld, namelijk reeds omstreeks 14 september 1992. Dit laatste zou blijken uit de brief van J.A.M. van Blijswijk van die datum aan het Zuid-Afrikaanse Departement van Finansies in samenhang met diverse publicaties in de pers en de wetenschap bij de FIOD dat de naam van de cliënt in een ander strafrechtelijk onderzoek was opgedoken.

Door aan de verdachte vervolgens zogenaamde vragenbrieven toe te zenden en daarbij de indruk te wekken dat hij verplicht was die te beantwoorden, zijn de artikelen 6 EVRM en 29 Sv geschonden, alsmede de beginselen van een behoorlijke procesorde. Immers administratiefrechtelijke bevoegdheden werden misbruikt ten behoeve van een strafrechtelijk doel. Volgens de raadsman is er sprake van een doelbewuste, grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte en is de rechter misleid.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De door de raadsman gestelde feiten en omstandigheden leveren op zich, noch in onderlinge samenhang beschouwd, op een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 27 Sv met betrekking tot de feiten waarvan verdachte in deze zaak wordt verdacht. Het overige door de raadsman gestelde kan derhalve reeds daarom geen doel treffen.

IV b Clickfonds-verweer

De raadsman heeft gesteld dat er sprake is van een patroon van onzorgvuldig handelen door de officier van justitie en onder diens verantwoordelijkheid opererende opsporingsambtenaren. De geconstateerde onrechtmatigheden in onderling verband en samenhang gezien moeten volgens hem leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.

De raadsman voert daartoe de volgende omstandigheden aan:

1. artikel 27 van het belastingverdrag met Zuid-Afrika is geschonden;

2. de FIOD heeft rechtstreeks contact opgenomen met de Zuid-Afrikaanse ambassade met een verzoek om informatie met betrekking tot visa-verlening;

3. de huiszoeking bij [medeverdachte 2] was in strijd met wet en jurisprudentie;

4. een medewerker van [medeverdachte 2] is ten onrechte niet gewezen op haar verschoningsrecht;

5. het "rapport van Kranenburg" (D/1) is niet tijdig overgelegd;

6. de brief van Van Dorresteijn d.d. 20 augustus 1992 is achtergehouden;

7. de huiszoeking op 3 december 1997 in België heeft onrechtmatig plaatsgevonden;

8. verdachte was reeds in juli 1991 verdacht in het Kolibri-onderzoek, dit is niet gemeld;

9. de notariële akte betreffende de levering van het pand [adres] aan de [medeverdachte B.V.3], waaruit blijkt dat de aankoopprijs van het pand lager is dan in het proces-verbaal staat vermeld, is niet in het dossier gevoegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

ad 1.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 november 2001 vastgesteld dat in strijd met artikel 27 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek van Zuid-Afrika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, bepaalde informatie, zoals omschreven in genoemde uitspraak, in 1997 deel is gaan uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek, terwijl daartoe op dat moment door de Zuid-Afrikaanse autoriteiten voor dat gebruik geen toestemming was verleend en ook nadien niet is verleend.

ad 2.

In het proces-verbaal van bevindingen 1/AH/118 is gerelateerd dat op 22 februari 2000 op grond van een rechtshulpverzoek en met toestemming van de Zuid-Afrikaanse autoriteiten onderzoek is gedaan in een dossier betreffende verdachte, dat zich bevond in de Zuid-Afrikaanse ambassade. Tevens is in dat kader een medewerkster van de ambassade gehoord. Tijdens dat bezoek zijn op een verzoek daartoe van de FIOD ook inlichtingen verstrekt betreffende de procedure rond de verkrijging van de permanent residence visa in de jaren 1990 tot en met 1995. Aan dit mondelinge verzoek om uitleg over deze procedure lag geen afzonderlijk rechtshulpverzoek ten grondslag.

De rechtbank is van oordeel, dat, nu in het kader van eerdergenoemd rechtshulpverzoek onderzoek werd verricht in een dossier inhoudende onder meer visa-gegevens, aan een vraag omtrent uitleg over de procedure rond de verkrijging van die visa niet een apart rechtshulpverzoek ten grondslag hoeft te liggen en er derhalve niet kan worden gesproken van onzorgvuldig, laat staan onrechtmatig, handelen.

ad 3.

De rechtbank heeft hiervoor onder III vastgesteld dat de betreffende huiszoekingen niet in strijd met de wet of jurisprudentie zijn uitgevoerd.

ad 4.

Een notaris dient ingevolge artikel 3 van de Wet op het notarisambt geheimhouding te betrachten ten aanzien van alles waarvan hij door zijn ambt kennis neemt. Hij kan zich daarom op grond van artikel 218 Sv beroepen op zijn verschoningsrecht ten aanzien van hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als notaris is toevertrouwd. Algemeen aanvaard is dat medewerkers van een notaris zich kunnen beroepen op wat wordt genoemd een afgeleid verschoningsrecht. De officier van justitie heeft tijdens het opsporingsonderzoek gesteld dat nu de notaris zelf verdachte is van strafbare feiten, zijn verschoningsrecht is komen te vervallen. Medewerkers van verdachte konden dus daarom volgens hem ook geen beroep meer doen op hun verschoningsrecht. Deze visie van de officier van justitie miskent echter dat het beroepsgeheim niet is gekoppeld aan de persoon van de notaris, maar aan diens ambt. Ook als het verschoningsrecht aan de notaris als persoon zou komen te ontvallen, blijft de geheimhoudingsplicht van diens medewerkers overeind en kunnen zij zich met vrucht blijven beroepen op hun verschoningsrecht, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in casu niet is gebleken. De visie van de officier van justitie te dezen aanzien is derhalve onjuist.

ad 5.

In haar uitspraak van 14 november 2001 heeft de rechtbank geoordeeld, dat de officier van justitie het rapport van rijksaccountant M. van Kranenburg d.d. 1 oktober 1997 pas in juni 1999 als bijlage D/1 aan het dossier heeft toegevoegd en daardoor in elk geval het voorschrift ex artikel 30 Sv bewust heeft geschonden.

De rechtbank heeft toen voorts geoordeeld, dat door dit stuk nadien -zij het in een latere fase dan wenselijk geweest ware- te overleggen, alsnog zowel door de rechter als door de verdediging en de verdachte dit stuk betrokken kon worden bij de toetsing van de rechtmatigheid van het onderzoek en bij de oordeelsvorming over de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek.

ad 6.

In zijn rapport van 1 oktober 1997 (bijlage D/1) merkt M. van Kranenburg (blz. 47) onder meer het volgende op:

" Inlichtingen-uitwisseling met Zuid Afrika

Op verzoek van inspecteur Dorresteijn (O-Hilversum) is informatie opgevraagd in Zuid Afrika.

Het verzoek van de heer Dorresteijn dateert van 20 augustus 1992. Ik ben niet in het bezit van

deze brief".

Op 11 april 2002 is namens de raadsman van verdachte aan de officier van justitie verzocht die brief te overleggen. Aan dat verzoek heeft de officier van justitie bij brief van 17 april 2002 voldaan. De raadsman verbindt daaraan in zijn pleitnota de gevolgtrekking, dat deze brief bewust is achtergehouden en dat, nu de inhoud van die brief van belang was, daardoor de verdediging ernstig is geschaad. Ter terechtzitting van 24 april 2002 heeft de raadsman zich op standpunt gesteld dat hij aan de rechtbank overlaat of de inhoud van de brief voor de rechtbank aanleiding is nader onderzoek te bevelen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 24 april 2002 gemotiveerd weersproken dat sprake is geweest van een bewust achterhouden van die brief.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat bedoelde brief bewust is achtergehouden.

ad 7.

De rechtbank stelt vast dat het Hof van Beroep te Antwerpen bij beschikking van 1 december 1998 de huiszoeking d.d. 17 december 1997 in de woning van verdachte en de toen gedane inbeslagname nietig heeft verklaard. De officier van justitie heeft gemotiveerd aangegeven waarom hij er van was uitgegaan dat voor deze feiten de betreffende huiszoeking wel was toegestaan en dat de rechtbank daartoe ook verlof had verleend. De raadsman heeft de lezing van de officier van justitie niet gemotiveerd weersproken.

Ook is niet gebleken dat de officier van justitie door zijn handelen in deze doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft tekortgedaan, dan wel dat de officier van justitie in deze onzorgvuldig optreden kan worden verweten.

ad 8.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte in genoemd

"Kolibri-onderzoek" daadwerkelijk als verdachte is aangemerkt.

ad 9.

In 2/OPV/1 wordt door verbalisanten J.H. Burger en P. Plukkel als volgt gerelateerd: "[medeverdachte B.V. 5], dochter vennootschap van [medeverdachte B.V. 1]. is eigenaar van het onroerend goed [adres]. Het onroerend goed is aangekocht van de curator in het faillissement van de tot de R&R Group of Companies behorend rechtpersonen voor een bedrag van ongeveer ƒ. 420.000,=."

De rechtbank stelt vast dat de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde notariële akte betreffende de levering van het pand [adres] aan de [medeverdachte B.V.3] niet eerder deel uitmaakte van het procesdossier. Uit de akte blijkt dat het betreffende pand door [medeverdachte B.V. 5] (welke naam later is gewijzigd in [medeverdachte B.V. 5]) is aangekocht voor een bedrag van ƒ 356.438,16 en dat het in het proces-verbaal vermelde bedrag van ƒ 420.000,= derhalve onjuist is.

Conclusie

De rechtbank stelt vast dat aan de officier van justitie op onderdelen onzorgvuldig handelen

(punt 9.) en handelen in strijd met de wet (punt 4. en 5.) of verdrag (punt 1.) kan worden verweten.

De rechtbank is echter van oordeel dat hier sprake is van incidenten tijdens een omvangrijk en ingewikkeld opsporingsonderzoek en niet van een zodanig patroon van onzorgvuldigheden dat moet worden gesproken van ernstige inbreuken op de beginselen van behoorlijk procesrecht, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Een en ander kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Wél bepaalt de rechtbank op de voet van artikel 359a Sv dat in verband met hetgeen hiervoor onder ad 4. is overwogen de verklaringen van medewerkers van [medeverdachte 2], die zijn afgelegd zonder dat die medewerkers op hun verschoningsrecht zijn gewezen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde feiten. Voorts zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met hetgeen hiervoor onder ad 1. en ad 5. is overwogen.

V Onrechtmatige aanvang onderzoek

De raadsman heeft aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen op informatie die onrechtmatig is verkregen en dat de overige opsporingsresultaten de onrechtmatige vruchten daarvan zijn. Bovendien bestond tegen verdachte reeds in 1992 een verdenking, gezien de brief van van Blijswijk d.d. 14 september 1992 en werd hij reeds in 1991 verdacht van strafbare feiten in het "Kolibri-onderzoek", aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende:

De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 november 2001 vastgesteld dat in strijd met artikel 27 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek van Zuid-Afrika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, bepaalde informatie, zoals omschreven in genoemde uitspraak, in 1997 deel is gaan uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek, terwijl daartoe op dat moment door de Zuid-Afrikaanse autoriteiten voor dat gebruik geen toestemming was verleend en ook nadien niet is verleend.

Naar het oordeel van de rechtbank is - gelet op hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van ambtshandelingen 0/AH/01 - de start van het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte niet in overwegende mate gebaseerd op de bedoelde informatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat de overige opsporingsresultaten niet op onrechtmatige wijze zijn verkregen en verwerpt het verweer.

Voorzover de raadsman heeft willen betogen dat een en ander moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

De rechtbank acht de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging, maar zal, zoals hiervoor onder IV b "Clickfonds-verweer is vermeld, op de voet van artikel 359a Sv bij de strafoplegging rekening houden met de schending van voornoemd verdrag met Zuid-Afrika.

Wat betreft de beweerdelijke verdenkingen tegen verdachte in het "Kolibri-onderzoek" heeft de rechtbank hiervoor onder IV b ad 8. vastgesteld dat niet aannemelijk isgeworden dat verdachte in genoemd "Kolibri-onderzoek" daadwerkelijk als verdachte is aangemerkt.

Slotoverweging ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman gevoerde verweren ook in onderlinge samenhang bezien niet leiden tot de conclusie dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is

in zijn vervolging wegens - kort gezegd - ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde.

Ook overigens zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken die al dan niet in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie leiden dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging.

4. Verzoek tot heropening

De raadsman heeft ter terechtzitting gesteld dat de brief van Van Dorresteijn d.d. 20 augustus 1992 bewust is achtergehouden en heeft tevens de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen indien zij zulks naar aanleiding van de beraadslaging noodzakelijk acht.

De rechtbank acht dit niet noodzakelijk.

5. De bewijsbeslissing

5.1 Vrijspraak

Voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt:

Het standpunt van de belastingdienst als vervat in het proces-verbaal nummer 1/OPV/1-a, dat bijlage D662 niet als aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/vermogensbelasting over de jaren 1992/1993 kan worden beschouwd, omdat het geen origineel is, is gelet op NJ2002, 221 onjuist.

De tenlastelegging is echter geheel toegesneden op de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/vermogensbelasting over de jaren 1992/1993, welke in het dossier is opgenomen als bijlage D661, en nu deze aangifte oningevuld en ongetekend retour is ontvangen bij de belastingdienst, kan niet bewezen worden dat verdachte die aangifte mede opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft gedaan.

De verdachte moet derhalve van onderdeel A van dit feit worden vrijgesproken.

Voor wat betreft het onder 8 primair en subsidiair ten laste gelegde feit (de zogenaamde schuldbekentenis) overweegt de rechtbank als volgt:

Uit de op 24 februari 1999 ten overstaan van de FIOD door [getuige 3] afgelegde verklaring blijkt dat het door hem van verdachte geleende geld gebruikt werd om aandelen te kopen. Die verklaring wordt niet (overtuigend genoeg) weersproken door andere verklaringen.

De verdachte moet derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

Voor wat betreft het onder 10 ten laste gelegde feit (de zogenaamde valse declaratie) overweegt de rechtbank als volgt:

Het is begrijpelijk, dat de declaratie, en met name de manier waarop deze is geformuleerd, vragen en twijfels oproept.

De lezing die verdachte heeft gegeven wordt echter niet overtuigend genoeg weersproken door andere verklaringen.

De verdachte moet derhalve ook van dit feit worden vrijgesproken.

5.2 De bewezenverklaring

De raadsman heeft aangevoerd dat voor zover bewijsmiddelen afkomstig zijn uit de huiszoeking bij de medeverdachte [medeverdachte 2] van 6 februari 1999 deze onrechtmatig verkregen zijn en dat deze bewijsmiddelen derhalve moeten worden uitgesloten van het bewijs. Tevens dient de verklaring van mevrouw [getuige 1] bij de FIOD afgelegd wegens schending van haar afgeleid verschoningsrecht als onrechtmatig verkregen bewijs uitgesloten te worden van het bewijs.

Uit het hiervoor onder "Onrechtmatig verkregen bewijs" en onder "Clickfonds-verweer" overwogene volgt dat naar het oordeel van de rechtbank de huiszoeking rechtmatig was. De daarbij in beslag genomen voorwerpen kunnen derhalve voor het bewijs worden gebezigd.

De verklaring van getuige [getuige 1] mag niet bijdragen aan het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage IV van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank overweegt daarbij ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde het volgende:

De raadsman verwijst in zijn pleidooi naar de pleitnota van mr. Raymakers in de zaak tegen

[medeverdachte 2]. Aan verdachte is echter voor wat betreft het feitencomplex Rotterdam/Roosendaal een geheel ander delict ten laste gelegd. Nu het betreffende gedeelte van de pleitnota van mr. Raymakers inhoudelijk geen betrekking heeft op het aan verdachte verweten feit, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 7 primair bewezenverklaarde het volgende:

De rechtbank merkt op, dat zij uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en verband beschouwd de overtuiging heeft bekomen, dat sprake is geweest van een schijntransactie. Westlake Overseas Co. Inc., gevestigd te Panama heeft immers niet werkelijk de bedoeling gehad de in de tenlastelegging genoemde panden te leveren aan [betrokken B.V.]. Deze constructie is slechts bedacht om de heer [medewerker] van laatstgenoemde vennootschap een vergoeding voor bewezen diensten te geven. De bewuste akte is dus vals.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 9 bewezenverklaarde nog het volgende:

In het tussen [medeverdachte B.V. 5] en [huurder] op papier overeengekomen huurbedrag van ƒ 32.500 ziet de rechtbank - in het licht van de feitelijk betaalde huurprijzen - een bevestiging dat [huurder] nooit werkelijk van plan is geweest de betreffende ruimte te huren.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en 9 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, een en ander, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 3 en 9 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 4 primair en 7 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van het in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 5 primair en 6 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

7. De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op de afwezigheid van alle schuld.

De rechtbank zal dit verweer verwerpen nu ten aanzien van de feiten opzettelijk handelen bewezen is verklaard.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan,

heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachte heeft aan de fiscus gemeld dat hij in 1989 naar Zuid-Afrika is geëmigreerd en daarvandaan eind 1995 naar België is verhuisd. Feitelijk woonde hij echter tot aan zijn verhuizing naar België in een kapitale villa in [woonplaats], voorzover hij tenminste niet op zakenreis was. Verdachte heeft op vele manieren getracht de belastingdienst te misleiden omtrent zijn werkelijke woonplaats. Zo heeft hij zijn villa in [woonplaats] ondergebracht in een maatschappij in Monaco, waarvan hijzelf de beneficial owner was, terwijl aan de belastingdienst werd gemeld dat hij geen enkele economische band meer had met het pand. Ook het aangeven van een onbewoonbaar krot in [woonplaats] als feitelijke verblijfplaats kan in dit licht worden genoemd. Verdachte heeft voorts anderen onjuist of onvolledig laten verklaren over zijn werkelijke verblijfplaats.

- Verdachte heeft niet geschroomd getuigen die in Zuid-Afrika gehoord gingen worden door de rechter-commissaris vóóraf te benaderen. Het bezoek aan deze getuigen door verdachtes vrouw en zijn toenmalige raadsman, acht de rechtbank verwerpelijk. De wijze waarop is getracht getuige [getuige 2] te beïnvloeden, door haar een geldbedrag aan te bieden in ruil voor een aangepaste verklaring, acht de rechtbank ronduit stuitend.

- Ook zijn plezierjacht in Monaco, [naam plezierjacht], heeft verdachte aan het oog van de fiscus willen onttrekken. Daartoe is een maatschappij in Guernsey opgericht, waarvan verdachte de benificial owner was. Doel van de constructie was dat verdachte als eigenaar anoniem zou blijven.

- In elk geval over de jaren 1993, 1994 en 1995 heeft verdachte geen cent belasting betaald over zijn inkomsten en vermogen. Volgens verdachtes eigen opgaven moet zijn wereldwijde vermogen in die jaren op tientallen miljoenen euro worden geschat. De fiscus is derhalve vermoedelijk voor miljoenen benadeeld.

- Verdachte heeft na het faillissement van de R & R group of companies in de jaren '90 de [medeverdachte B.V.3] opgezet. Van dit conglomeraat van rechtspersonen was hij middellijk aandeelhouder en belanghebbende. Verdachte was binnen [medeverdachte B.V. 3] de spil waarom het bedrijf draaide. Niets gebeurde zonder dat hij het wist, geen brief ging zonder zijn toestemming de deur uit.

- Het enige doel van verdachte was zich middels [medeverdachte B.V. 3] persoonlijk te verrijken. Stelselmatig zijn op initiatief van verdachte gedurende meerdere jaren binnen [medeverdachte B.V. 3] listiglijk en bedrieglijk geschriften zoals huuroverzichten, een huurovereenkomst, een ontvangstbevestiging en ook notariële akten vervalst en vervolgens gebruikt om hogere financieringen los te krijgen, schijntransacties te bemantelen en de belasting te ontduiken. Verdachte heeft met minachting voor de waarden en normen die in de maatschappij in het algemeen en in het economisch verkeer in het bijzonder gelden, deze constructies gebruikt met als oogmerk derden zand in de ogen te strooien.

- Aan geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en in het bijzonder aan notariële akten wordt in het maatschappelijk verkeer grote waarde toegekend. Een notariële akte betreft immers een akte die - behoudens het bewezen tegendeel - ingevolge de wet dwingend bewijs levert van hetgeen daarin is opgenomen en speelt daarmee een essentiële rol in het maatschappelijk en economisch verkeer. Verdachte heeft het vertrouwen dat in voornoemde stukken moet kunnen worden gesteld, ernstig geschaad. De rechtbank rekent dit verdachte in hoge mate aan.

- Door [medeverdachte B.V. 3] behaalde winsten werden via bedrijven in Gibraltar en Panama weggesluisd naar verdachte of werden door middel van een schijntransactie aan het zicht onttrokken. De fiscus had op deze wijze het nakijken.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 4 januari 2002, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Gelet op het oogmerk van persoonlijke verrijking van verdachte en de vermoedelijke omvang van de benadeling van de fiscus, acht de rechtbank het op zijn plaats aan verdachte de maximale geldboete op te leggen. Gelet op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is het wettelijke maximum een geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting. Nu echter alle belastingaanslagen nog onderwerp zijn van procedures bij de belastingrechter zal de rechtbank uitgaan van het maximum op grond van artikel 23 jo. artikel 57 Sr.

Met name gelet op het stelselmatige en listiglijke karakter van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf volstrekt onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de bewezenverklaarde feiten op zich een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

De rechtbank zal evenwel in verband met de hiervoor onder 3. "de ontvankelijkheid van de officier van justitie" geconstateerde en aan de officier van justitie toe te rekenen schendingen van wet en verdrag, op de voet van artikel 359a Sv de duur van de op te leggen gevangenisstraf matigen.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geldboete van na te melden bedrag passend en geboden.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 57, 225 en 227 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 68 van de Algemene Wet inzake Rijksbelasting.

10. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft het navolgende gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde:

"en/of onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt en/of laten verstrekken terwijl hij,

verdachte, ingevolge de belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens

en/of aanwijzingen", alsmede

" naar aanleiding van vragen(brieven) van de belastingdienst onjuiste en/of onvolledige inlichtingen

en gegevens heeft verstrekt betreffende zijn woongelegenheid in Nederland en/of zijn inkomsten

en/of zijn vermogen in de jaren 1992 en/of 1993 en/of 1994 en/of 1995 en/of 1996"

Verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft het navolgende gedeelte van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde:

"en/of onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt en/of laten verstrekken terwijl [medeverdachte B.V. 1] ingevolge de belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen,

gegevens en/of aanwijzingen", alsmede

"en/of naar aanleiding van vragen(brieven) van de belastingdienst onjuiste en/of onvolledige

inlichtingen en gegevens verstrekt betreffende de jaren 1995 en/of 1996 en/of 1997";

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 8 primair en subsidiair en 10 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair,

7 primair en 9 primair ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair,

7 primair en 9 primair telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de tijd van 6 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot betaling van een GELDBOETE van € 363.025,- (driehonderddrieënzestigduizendenvijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 360 dagen.

Wijst aan dat de valsheid in de akte van levering, op 5 december 1995 te Hilversum verleden voor

Mr. B.P. de Haas, notaris ter standplaats Hilversum, betreffende -zakelijk weergegeven- de levering van het winkel-woonhuis met erf, grond en verder aanbehoren, staande en gelegen te [woonplaats] (Noord-Holland) aan de [adres], [omschrijving perceel] door verkoper [medeverdachte B.V. 4] vertegenwoordigd door [medeverdachte 6], handelend als zelfstandig bevoegd directeur van deze besloten vennootschap, aan koper [koper], vertegenwoordigd door [medewerker], bestaat in:

"C. KOOPPRIJS De koopprijs bedraagt VIERHONDERDDUIZEND GULDEN (ƒ 400.000,--)".

Verklaart de authentieke akte op 21 augustus 1997, verleden voor [medeverdachte 2], volgens welke Westlake Overseas Co. Inc., gevestigd te Panama, de door haar aan [betrokken B.V.] verkochte panden [adres] en [adres], levert, vals.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.F. Bueno, voorzitter, en mrs. J.F. Dekking en J.A. van Steen, rechters, bijgestaan door

mr. M. Grube als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van

8 mei 2002.

Mr. Dekking is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.