Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE1206

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
09-04-2002
Zaaknummer
248236 vv 01-165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

SECTOR KANTON, LOCATIE AMERSFOORT

Vonnis ex artikel 116 RV (oud) in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats] (gemeente Amersfoort),

verder ook te noemen [eiser]

eisende partij,

advocaat-gemachtigde: mr P.D. Labee te Amersfoort,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KAMERBEEK GROEP B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

hierna ook te noemen: Kamerbeek,

advocaat-gemachtigde: mr A.E. Bos te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VVE DIENSTEN NEDERLAND ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

hierna ook te noemen: VVE-Rotterdam,

advocaat-gemachtigde: mr F.M. Schmitz te Arnhem,

gedaagde partijen.

I. Verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening ingesteld.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2002. Daarvan is aantekening gehouden. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn advocaat-gemachtigde. Namens Kamerbeek is haar personeelsadviseur mevrouw J. Nijhoff verschenen, alsmede haar advocaat-gemachtigde. Namens VVE Diensten is haar directeur [werkgever] verschenen, alsmede haar advocaat-gemachtigde. Alle gemachtigden hebben pleitnotities overgelegd.

Na afloop van de behandeling is de zaak aangehouden, in afwachting van berichtgeving van de gemachtigden omtrent een eventuele schikking van de zaak. Bij faxbericht van 8 februari 2002 heeft de advocaat-gemachtigde van VVE-Rotterdam de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen.

Hierna is uitspraak abusievelijk bepaald op een termijn van zes weken; zij is vervolgens nader bepaald op heden.

II. Het geschil en de beoordeling

1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend, althans niet of onvoldoende [gemotiveerd] weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de producties -voor zover niet betwist- het navolgende vast:

1. Per september 1981 is [eiser] , geboren op [geboortedatum], in dienst getreden bij Kamerbeek, alwaar hij laatstelijk in de functie van medewerker VVE Diensten een bruto maandsalaris van ƒ 6.159,87 genoot. Zijn functie hield sinds 1990 in: het beheer van diverse verenigingen van eigenaren. Per 20 december 2000 is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt.

2. Bij overeenkomst van 11 december 2000 heeft Kamerbeek, althans haar werkmaatschappij waar [eiser] zijn werkzaamheden uitoefende, haar activa en passiva, alsmede haar handelsnaam "VVE-Diensten", overgedragen aan VVE-Rotterdam. In de overeenkomst (onder 6.1.a.) heeft VVE-Rotterdam zich verplicht het personeel van Kamerbeek, dat is vermeld op de aan die overeenkomst gehechte lijst, te zullen overnemen. Op bedoelde lijst is onder meer [eiser] vermeld.

3. Bij brief van 1 maart 2001 heeft Kamerbeek aan [eiser] onder meer bericht dat zijn arbeidsovereenkomst met Kamerbeek per 31 december 2000 is beëindigd, en dat die overeenkomst is overgenomen door VVE-Rotterdam.

4. Kamerbeek heeft aan [eiser] diens salaris over de maanden januari en februari 2001 uitbetaald. [eiser] heeft tot juni 2001 mogen beschikken over een aan hem door Kamerbeek ter beschikking gestelde lease-auto.

5. Bij brief van 13 december 2000 heeft de advocaat-gemachtigde van [eiser] aan Kamerbeek kenbaar gemaakt dat er voor [eiser] problemen waren om in Rotterdam te gaan werken (onder meer toename van reistijd en werkdruk, structureel overwerk, medische bezwaren), en heeft deze een voorstel gedaan om te komen tot een ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Dit voorstel heeft geen gevolg gehad.

2. Zich primair op het standpunt stellende dat het dienstverband met Kamerbeek nog in stand is vordert [eiser] de veroordeling van Kamerbeek tot -kort gezegd- doorbetaling van salaris vanaf maart 2001, met wettelijke verhoging, rente en kosten. Voor het geval mocht blijken dat VVE Diensten als zijn werkgeefster moet worden beschouwd vordert [eiser] dezelfde veroordeling van VVE Diensten.

3. Kamerbeek stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden is aan [eiser] zijn salaris door te betalen omdat er sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (B.W.). Abusievelijk heeft Kamerbeek het salaris over de maanden januari en februari 2001 doorbetaald, maar zij heeft die administratieve omissie inmiddels hersteld. [eiser] dient op grond van artikel 7:663 B.W. VVE Diensten aan te spreken voor betaling van zijn loon. Dat [eiser] bezwaar had tegen de overgang van zijn dienstverband betekent nog niet dat de arbeidsovereenkomst met Kamerbeek voortduurt.

4. VVE Diensten voert in de eerste plaats aan dat de dagvaarding niet correct is uitgebracht, namelijk aan de directeur van VVE Diensten Nederland B.V., hetgeen een andere vennootschap is dan VVE Diensten. Daarom is de dagvaarding nietig. Mocht dit verweer niet opgaan, dan betwist VVE Diensten dat [eiser] bij haar in dienst is gekomen. Op 30 november 2000 heeft [eiser] namelijk aan de heer [werkgever], directeur van VVE Diensten, te kennen gegeven zijn werkzaamheden niet voor VVE Diensten te willen voortzetten. VVE Diensten is toen aan de bezwaren van [eiser] tegemoetgekomen, maar hij heeft dit aanbod nooit aanvaard. Uit de feitelijke gang van zaken (doorbetaling loon, behoud lease-auto) leidt VVE Diensten af dat ook Kamerbeek er van uit is gegaan dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiser] in stand is gebleven.

5. De kantonrechter verwerpt het verweer van VVE Diensten dat de dagvaarding nietig zou dienen te worden verklaard. Indien al juist is dat de heer W.D. Fons, aan wie op het adres van VVE Diensten de dagvaarding is uitgereikt, geen functie bij VVE Diensten zou vervullen, dan nog is niet gebleken dat VVE Diensten in haar belangen is geschaad aangezien haar bestuurder en haar advocaat-gemachtigde ter zitting zijn verschenen en zij op een behoorlijke wijze verweer heeft kunnen voeren.

6. VVE Diensten heeft erkend dat er sprake is geweest van een overgang van onderneming als bedoeld in de artikelen 662 en volgende B.W. Daarmee staat voorshands vast dat de tussen [eiser] en Kamerbeek bestaande arbeidsovereenkomst, die bovendien uitdrukkelijk wordt vermeld als onder 1.2 in dit vonnis aangeduid, vanaf 1 januari 2001 tussen [eiser] en VVE Diensten is voortgezet. Kern van het onderhavige geschil is dan ook of [eiser] tegenover VVE Diensten afstand heeft gedaan van de voor hem uit artikel 7:663 B.W. voortvloeiende bescherming, dat wil zeggen of hij door verklaringen of gedragingen uitdrukkelijk blijk heeft gegeven van zijn wil daartoe. Het moge zo zijn dat [eiser] zoals VVE Diensten aanvoert, zich tegenover haar directeur de heer [werkgever] heeft uitgelaten dat hij bezwaren had tegen een dienstverband bij VVE Diensten in verband met de lange reistijden, maar dat brengt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter nog niet zonder meer mee dat [eiser] afstand van zijn bovenbedoelde rechten heeft gedaan. Dat de advocaat-gemachtigde van [eiser] zich schriftelijk in ietwat krachtiger termen tegenover Kamerbeek heeft uitgelaten over een ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan verklaard worden door de pogingen van die gemachtigde om tot een voor zijn cliënt gunstige ontbindingsregeling te komen, maar de inhoud van bedoelde brief (van 13 december 2000) kan voorshands bezwaarlijk als een tegenover VVE Diensten gedane afstand van bovengenoemde bescherming worden uitgelegd. Naar het zich derhalve in het kader van deze voorlopige voorzieningen-procedure laat aanzien duurt het van rechtswege voortgezette dienstverband tussen [eiser] en VVE Diensten nog immer voort. Dat er, kennelijk mede in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser] tussen hem en VVE Diensten weinig of geen overleg is geweest over de wijze, waarop [eiser] na zijn hersteldverklaring invulling zou moeten gaan geven aan zijn dienstverband bij VVE Diensten, is een omstandigheid die voorshands niet in het nadeel van [eiser] mag werken. De vordering, gericht [tegen] VVE Diensten, zal gezien het hierboven overwogene worden toegewezen. Daarbij zal VVE Diensten, als zijnde de in het ongelijk gestelde partij, moeten opkomen voor de proceskosten.

7. Kamerbeek heeft, door vanaf 1 januari 2001 het loon van [eiser] te blijven doorbetalen, door hem een lease-auto ter beschikking te blijven stellen en door de collectieve ziektekostenverzekeringspremie ten behoeve van [eiser] te blijven betalen, tegenover [eiser] op zijn minst de indruk gewekt dat zij in zou staan voor verdere salarisbetalingen aan [eiser]. Pas in maart 2001 heeft Kamerbeek aan [eiser] een brief geschreven over de overgang van het dienstverband als onder 1.3 in dit vonnis overwogen. Nu Kamerbeek [eiser] op deze wijze in het onzekere heeft gelaten is er aanleiding om, hoewel de vordering tegen Kamerbeek zal worden afgewezen, de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

III. De beslissing.

De kantonrechter geeft de volgende voorziening:

· veroordeelt VVE Diensten om aan [eiser] te betalen:

· a) diens overeengekomen salaris, te rekenen vanaf 1 maart 2001 tot de datum dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

· b) de in artikel 7:625 B.W. bedoelde verhoging over de sub a) bedoelde bedragen, gesteld op 20%;

· c) de wettelijke rente over de sub a) en b) bedoelde bedragen, te rekenen vanaf de data van opeisbaarheid van die bedragen tot de dag van voldoening;

· veroordeelt VVE Diensten in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 743,45 waarvan € 450,- aan salaris van de gemachtigde;

· verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

· wijst de vordering, gericht tegen Kamerbeek, af;

· compenseert de proceskosten in de zaak tegen Kamerbeek aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr J.H. Geertsema en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 6 maart 2002.