Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AE0308

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
19-03-2002
Zaaknummer
16/205956-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreden van de Wet Arbeid Vreemdelingen en de Arbeidstijdenwet, gepleegd door een rechtspersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 16/205956-01

Datum uitspraak: 19 maart 2002

Tegenspraak Verkort vonnis

Raadsman: mr. M.F.H.S. Haan, advocaat te Amsterdam

G/T: Nee

V O N N I S

van de economische politierechter in de rechtbank te Utrecht, in de zaak tegen:

[verdachte]

gevestigd te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 06 maart 2002.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Volgens de raadsman van verdachte dient de officier van justitie met betrekking tot de feiten 2 en 3 niet-ontvankelijk te worden verklaard in diens vervolging. De raadsman merkt in dit verband op dat de officier van justitie, gelet op de gepubliceerde regels in de Aanwijzing Arbeidstijdenwet, op de eerste plaats geen proces-verbaal had mogen doen opmaken en op de tweede plaats niet tot dagvaarden had mogen overgaan.

Dit verweer wordt door de economische politierechter verworpen. Gelet op de pluraliteit en de duur van de geconstateerde overtredingen in combinatie met de ernst van de geconstateerde overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen had het openbaar ministerie naar het oordeel van de economische politierechter het volste recht om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen en vervolgens tot vervolging over te gaan. De officier van justitie heeft ter zitting voorts uitdrukkelijk gemotiveerd waarom hij in het onderhavige geval van de richtlijn is afgeweken.

3. De bewijsbeslissing

3.1 De bewezenverklaring

De raadsman van de verdachte voert aan dat de verdachte niet als medepleger van de ten laste gelegde feiten kan worden aangemerkt, nu niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het samen met een ander (in casu medeverdachte) plegen van strafbare feiten. Gelet hierop dient de verdachte, naar de mening van de raadsman, te worden vrijgesproken.

De economische politierechter overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn medeverdachte bij het uitvoeren van de werkzaamheden gebruik zou maken van buitenlandse arbeidskrachten. Ondanks deze wetenschap heeft de verdachte geen navraag dan wel onderzoek gedaan naar de van toepassing zijnde voorschriften in een geval als deze. Ook heeft de verdachte randvoorwaarden vervuld door werkruimte ter beschikking te stellen, kantinefaciliteiten te verzorgen en vijf personeelsleden ter beschikking te stellen. Voorts was de heer X, in dienst bij verdachte in de functie van manager Geschenkenservice, nadrukkelijk aanwezig in genoemde werkruimte. Door aldus te handelen bestond tussen de verdachte en diens medeverdachte een zodanige bewuste en nauwe samenwerking dat zij de feiten tezamen en in vereniging hebben gepleegd. De economische politierechter verwerpt het verweer.

De economische politierechter acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Hetgeen onder 1, 2 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De economische politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, 53 maal gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5:9, derde lid, van de Arbeidstijdenwet, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, 37 maal gepleegd.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte stelt dat de verdachte geen strafrechtelijke verwijt kan worden gemaakt, reden waarom de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

De economische politierechter vat dit verweer op als een beroep op afwezigheid van alle schuld en overweegt dienaangaande als volgt.

Het verweer dat verdachte in juridische zin heeft gedwaald, verkerende in de veronderstelling dat de verantwoordelijkheid voor de gehele productie bij de medeverdachte zou liggen, kan niet slagen nu juist in het achterwege laten van het inwinnen van ter zake dienende informatie in belangrijke mate de verwijtbaarheid ligt opgesloten. De economische politierechter verwerpt het verweer.

Er is voorts geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de economische politierechter rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de

economische politierechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- de Wet arbeid vreemdelingen is er blijkens de wetsgeschiedenis op gericht schijnconstructies met betrekking tot het in Nederland te werk stellen van buitenlandse werknemers tegen te gaan. Voorts dient deze wet het belang van de bescherming van de buitenlandse werknemers. Het gebruik maken van buitenlandse werknemers zonder een wettelijke status kan gemakkelijk leiden tot uitbuiting van deze buitenlandse werknemers. In het licht daarvan acht de economische politierechter deze overtredingen van ernstige aard;

- het is niet ondenkbaar dat door te handelen als bewezenverklaard, de verdachte schade heeft toegebracht aan de in haar branche bestaande concurrentieverhoudingen.

De economische politierechter heeft in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 23 januari 2002, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en / of justitie in aanraking is gekomen.

Op grond van het bovenstaande acht de economische politierechter oplegging van een groot aantal onvoorwaardelijke geldboetes van na te melden hoogte passend en geboden.

Gelet op de beperktere rol die de verdachte in relatie tot zijn mededader heeft gespeeld, zal de economische politierechter aan de verdachte een lagere straf opleggen dan welke door de officier van justitie is geëist.

De economische politierechter zal aan de verdachte ten aanzien van feit 2 primair één straf opleggen nu het niet voeren van een deugdelijke registratie één feit oplevert.

7. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 47, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

8. DE BESLISSING:

De economische politierechter beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot betaling van drieënvijftig geldboetes van in totaal € 13.250,00 (zegge dertienduizendtweehonderdvijftig euro), aldus:

tot betaling van drieënvijftig geldboetes van elk € 250,00.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 2500,00

(zegge: tweeduizendvijfhonderd euro).

Ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot betaling van zevenendertig geldboetes van in totaal € 9250,00 (zegge negenduizendtweehonderdvijftig euro), aldus:

tot betaling van zevenendertig geldboetes van elk € 250,00.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Herstel, bijgestaan door mr. J. van den Eijnden als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze economische politierechter van 19 maart 2002.