Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AD9902

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-03-2002
Datum publicatie
07-03-2002
Zaaknummer
140670/KG ZA 02-47/WV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Handels- en Familierecht

VONNIS van de voorzieningenrechter

in kort geding in de zaak van:

de vereniging

NEDERLANDSE NIETROKERSVERENIGING CAN,

gevestigd te Oss,

e i s e r e s,

procureur: mr. H.C.E. de Vries,

advocaat : mr. P.F. Schepel te Deventer,

- t e g e n -

1. de stichting

STICHTING SOCIAAL CULTUREEL CENTRUM OUDEWATER,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

VERSCHENEN IN PERSOON,

2. de vennootschap onder firma

V.O.F. DE KLEPPER,

gevestigd en kantoorhoudende te Oudewater,

3. [gedaagde sub 3],

vennoot van gedaagde sub 2,

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde sub 4],

vennoot van gedaagde sub 2,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. J.C. Kant,

g e d a a g d e n.

1. Het verloop van het geding

1.1. Eiseres, hierna te noemen: de niet-rokersvereniging, heeft gedaagde sub 1, verder te noemen: de Stichting, en gedaagden sub 2 tot en met 4, hierna in enkelvoud te noemen: De Klepper, in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende dag, 22 februari 2002, heeft zij van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van de exploten van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2. De niet-rokersvereniging heeft vervolgens bij monde van haar advocaat haar vordering doen toelichten.

1.3. De Stichting heeft hierop bij monde van haar voorzitter, [de voorzitter van de Stichting], verweer doen voeren mede aan de hand van een overgelegde pleitnota.

1.4. Daarop heeft De Klepper bij monde van haar procureur verweer doen voeren mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en overgelegde producties.

1.5. Na voortgezet debat, waarbij ook enige inlichtingen zijn verschaft door [de voorzitter van de niet-rokersvereniging] (voorzitter van de niet-rokersvereniging), hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. De niet-rokersvereniging is een rechtspersoon die zich ten doel stelt te bevorderen dat het roken van tabak en tabaksvervangende producten wordt nagelaten voor zover dat hinder dan wel schade voor anderen veroorzaakt of kan veroorzaken.

2.2. De Stichting is eigenares van het gebouw aan de Kapellestraat 1-3 te Oudewater, verder te noemen: het gebouw. Zij is door de Gemeente Oudewater belast met de verzorging van sociaal-culturele activiteiten in de gemeente en ontvangt daartoe subsidie.

2.3. Op 23 november 1999 hebben de Stichting als verhuurster en De Klepper als huurster een huurovereenkomst met betrekking tot het gebouw gesloten. Artikel 4 van de huurovereenkomst luidt als volgt:

"Het gebruik van het gehuurde kan slechts geschieden in het kader van de doelstellingen van de Stichting, te weten: het tegen betaling bieden van een onderkomen voor verenigingen en instellingen, primair uit Oudewater.(…)"

2.4. Artikelen 10 en 11 van de Tabakswet luiden als volgt:

"Artikel 10

1. Voor de instellingen, diensten en bedrijven die door de Staat en de openbare lichamen worden beheerd, worden door het bevoegde orgaan zodanige maatregelen getroffen, dat van de daardoor geboden voorzieningen gebruik kan worden gemaakt en de werkzaamheden daarin kunnen worden verricht zonder dat daarbij hinder van het gebruik van tabaksproducten wordt ondervonden.

2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort in ieder geval het

instellen en handhaven van een verbod tabaksproducten te gebruiken in ruimten, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur, aangewezen categorieën. Op het verbod kunnen, overeenkomstig bij de algemene maatregel van bestuur gestelde regelen, beperkingen worden aangebracht.

Artikel 11

1. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan degenen die - anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in artikel 10 - het beheer hebben over inrichtingen voor gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs, voor zover die inrichtingen behoren tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, de verplichting worden opgelegd tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 10, eerste lid.

2. Artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing."

2.5. Artikel 3 van het Besluit Beperking Verkoop en Gebruik Tabaksprodukten (tot uitvoering van onder andere artikelen 10 en 11 van de Tabakswet; verder te noemen: het Besluit) luidt:

"1. Degenen die - anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in artikel 10 van de Tabakswet - het beheer hebben over inrichtingen voor gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs,

voor zover die inrichtingen behoren tot de in het tweede lid aangewezen categorieën, zijn verplicht maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Tabakswet.

2. De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:

(..)

c. inrichtingen die voor het publiek toegankelijk zijn en waarin voorzieningen worden aangeboden op de terreinen van het welzijnsbeleid die zijn vermeld in artikel 2 van de Welzijnswet 1994, en die door de overheid worden gesubsidieerd, met uitzondering van inrichtingen die gebruikt worden voor de beoefening van sport in de open lucht;

(..)"

3. Het geschil en de beoordeling ervan

3.1. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vordering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Kort weergegeven houdt de vordering in dat de Stichting en De Klepper veroordeeld worden om in alle bij en krachtens de Tabakswet aangewezen ruimten een rookverbod in te stellen en te handhaven.

3.2. Het verweer van de Stichting en De Klepper komt in het volgende voor zoveel nodig aan de orde.

3.3. Vooreerst hebben de Stichting en De Klepper zich tegen de vordering verweerd met de stelling dat de niet-rokersvereniging geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft.

3.4. De niet-rokersvereniging heeft haar vordering gegrond op een jegens haar (leden) gepleegde onrechtmatige daad. Volgens haar is het ontbreken van een rookverbod in het gebouw in strijd met de Tabakswet en het Besluit en aldus onrechtmatig jegens die leden van de niet-rokersvereniging dan wel anderen die het gebouw (wensen te) bezoeken. Door het ontbreken van een rookverbod in het gebouw kan een bezoeker hinder ondervinden van tabaksrook. Voorts kunnen personen die wensen deel te nemen aan activiteiten die in het gebouw plaatsvinden, van een bezoek worden afgehouden. Tenslotte kan blootstelling aan tabaksrook schadelijk zijn voor de gezondheid van degene die daaraan wordt blootgesteld. Het beëindigen van deze - naar de mening van de niet-rokersvereniging - onrechtmatige toestand is uit haar aard een spoedeisende zaak.

Het enkele feit dat reeds in november 1999 door een lid van de niet-rokersvereniging een klacht is ingediend bij de instantie die toezicht houdt op naleving van de Tabakswet, en pas 2,5 jaar later het onderhavige kort geding wordt ingesteld, brengt hierin geen verandering. Niet gebleken is dat de lange duur van het voortraject dat uiteindelijk heeft geleid tot het instellen van het onderhavige kort geding, volledig dan wel voor een belangrijk deel te wijten is geweest aan stilzitten aan de zijde van de niet-rokersvereniging. Ook de gemeente en andere bestuurlijke organen, alsook de Stichting en De Klepper, zijn aan het ontstaan van deze vertraging debet geweest.

Ook het feit dat - zoals de Stichting heeft aangevoerd - zij al het mogelijke heeft gedaan om aan de geest van de Tabakswet te voldoen, leidt niet tot de conclusie dat de niet-rokersvereniging geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Immers deze vordering strekt tot het instellen en handhaven van een algeheel rookverbod, terwijl de Stichting tot op heden heeft volstaan met het installeren van een nieuw luchtverversingssysteem.

Uit het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat de niet-rokersvereniging voldoende spoedeisend belang bij haar vordering heeft.

3.5. Ook overigens leent de onderhavige zaak zich - anders dan De Klepper heeft gesteld - voor behandeling in kort geding. Niet alleen zijn kwesties als de onderhavige in den lande meermaals in kort geding beslist, maar tevens zijn - voor zover de feitelijke omstandigheden in het onderhavige geval van belang zijn van de beoordeling van het geschil - door partijen voldoende inlichtingen aan de rechter verstrekt om, zonder een nader onderzoek naar de feiten, tot een verantwoorde beslissing te komen.

3.6. Voorts heeft De Klepper ten verwere aangevoerd dat de niet-rokersvereniging niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering, aangezien zij onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met haar te bereiken.

3.7. Uit het ter zitting verhandelde is gebleken dat het overleg dat zij individueel met diverse bestuurlijke organen (waaronder de gemeente Oudewater) hebben gevoerd, ertoe heeft geleid dat het voor alle partijen voldoende duidelijk was wat de standpunten van de verschillende partijen waren (namelijk dat de niet-rokersvereniging van mening was dat de Tabakswet wel op het gebouw van toepassing was en dat De Klepper van mening was dat de Tabakswet niet op het gebouw van toepassing was). Toen bleek dat dit overleg niet tot overeenstemming leidde, heeft de raadsman van de niet-rokersvereniging tegenover De Klepper aangegeven dat hij openstond voor rechtstreeks overleg met laatstgenoemde. Niet gebleken is dat De Klepper op enige wijze op dit aanbod heeft gereageerd.

Daarbij komt dat De Klepper in dit kort geding niet heeft aangegeven welke mogelijkheden er op dat moment waren (en thans nog zijn) om - gezien het daaraan voorafgaande vruchteloze overleg met de bestuurlijke organen en de uiteenlopende standpunten van partijen - in onderling overleg tot een oplossing van het geschil te komen.

Onder voormelde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechter door de niet-rokersvereniging voldoende pogingen ondernomen om het gevorderde door het voeren van overleg te bereiken.

3.8. Ingevolge artikel 11 lid 1 van de Tabakswet juncto artikel 3 van het Besluit is de beheerder van een inrichting die voor het publiek toegankelijk is en waarin voorzieningen worden aangeboden op de terreinen van het welzijnsbeleid die zijn vermeld in artikel 2 van de Welzijnswet 1994, en die door de overheid worden gesubsidieerd, verplicht een rookverbod in te stellen en te handhaven in de ruimtes die in artikel 2 van het Besluit zijn opgenomen.

3.9. De Klepper heeft betoogd dat deze bepalingen van de Tabakswet en het Besluit niet op het gebouw noch op haar van toepassing zijn. Zij heeft vooreerst betwist dat in het onderhavige geval sprake is van een inrichting als bedoeld onder 3.8.

3.10. Uit het ter zitting verhandelde alsook uit artikel 4 van de huurovereenkomst blijkt dat in het gebouw voorzieningen worden aangeboden met een sociaal-cultureel karakter. Het enkele feit dat naast deze sociaal-culturele activiteiten ook andere activiteiten in het gebouw plaatsvinden, maakt dit niet anders. Het Besluit is - blijkens artikel 3 lid 2 sub c - van toepassing op 'inrichtingen … waarin voorzieningen worden aangeboden …' en stelt niet de voorwaarde dat in de 'inrichting' uitsluitend activiteiten van sociaal-culturele aard moeten plaatsvinden. Integendeel, bij de totstandkoming van het Besluit is expliciet rekening gehouden met de mogelijkheid dat in de inrichting ook andere activiteiten plaatsvinden. In de Nota van Toelichting bij het Besluit is immers overwogen als volgt:

'Uit de opzet van het Besluit volgt dat de bepalingen ook gelden indien de inrichtingen tijdelijk voor een ander doel worden gebruikt dan het doel waarvoor zij bestemd zijn. Gedacht kan worden aan een recreatieruimte van een school die 's avonds wordt gebruikt voor een toneelvereniging.'

Bij de totstandkoming van het Besluit in 1989 heeft de wetgever de beheerder nog de mogelijkheid gelaten om in een dergelijk geval een uitzondering op het rookverbod in ruimte en tijd te maken. In 1998 heeft zij echter (bij Besluit van 15 september 1998 tot wijziging van het Besluit Beperking Verkoop en Gebruik Tabaksproducten (Staatsblad 1998, 572)) deze uitzonderingsmogelijkheden uit het Besluit verwijderd, onder meer teneinde jongeren en niet-rokers beter te beschermen tegen de mogelijke gevolgen van het roken door anderen.

Het verbinden van de voorwaarde aan toepasselijkheid van het Besluit, dat in de inrichting alleen activiteiten van sociaal-culturele aard plaatsvinden, zou ook niet wenselijk zijn, aangezien een beheerder door het mede doen plaatsvinden van andere dan sociaal- culturele activiteiten in de inrichting zich aan de verplichting tot het instellen van een rookverbod zou kunnen onttrekken. De Tabakswet en het Besluit zouden alsdan een dode letter worden.

3.11. In het onderhavige geval is ook voldaan aan het in artikel 3 lid 2 van het Besluit gestelde vereiste dat de sociaal-culturele activiteiten door de overheid worden gesubsidieerd. De Stichting heeft immers ter zitting bevestigd dat zij een dergelijke subsidie ontvangt. Door het ontvangen van deze subsidie behoeft de Stichting - zoals zij onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld - bij De Klepper niet de huurprijs in rekening te brengen die zou gelden, indien aan de Stichting geen subsidie werd verstrekt.

Nu de Stichting en De Klepper niet hebben betwist dat het gebouw - behoudens de ruimtes op de eerste verdieping voor zover daarin geen jongerendisco wordt gehouden - voor het publiek toegankelijk is, is de Tabakswet en het Besluit op (deze ruimtes van) het gebouw van toepassing.

3.12. Tenslotte heeft De Klepper ten verwere aangevoerd dat zij geen beheerder is in de zin van artikel 3 lid 1 van het Besluit en dat de verplichting tot het instellen van een rookverbod aldus niet voor haar geldt.

3.13. Vooropgesteld dient te worden dat noch het Besluit zelf, noch de Nota van Toelichting bij het Besluit een definitie geeft van het begrip 'beheerder' als bedoeld in artikel 3 lid 1 van het Besluit. Uit de Nota van Toelichting bij het Besluit kan echter wel worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd (alleen) instellingen of organen die een publiek doel dienen, te verplichten rookverboden in te stellen. Dit kan onder meer worden afgeleid uit hetgeen in de Nota van Toelichting is opgenomen ten aanzien van de werkingssfeer van het Besluit:

"De volgende inrichtingen vallen onder de werking van het Besluit:

- instellingen, diensten en bedrijven die door de Staat en de openbare lichamen worden beheerd. (…) Geprivatiseerde instellingen zoals de PTT en instellingen die wel eigendom zijn maar niet onder beheer staan van de Staat en de openbare lichamen, zoals de NS, vallen niet onder dit Besluit.

- instellingen op het terrein van de gezondheidszorg (…)

- instellingen op het terrein van de maatschappelijke dienstverlening en het sociaal cultureel werk. (…)

- inrichtingen op het terrein van de sport, zoals zwembaden, sporthallen, gymnastieklokalen, sportscholen. Particuliere sportinrichtingen die niet door de overheid worden gesubsidieerd of in stand gehouden vallen hier buiten.

- onderwijsinrichtingen zoals basisscholen, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, (…)."

Voorts is de wetgever - blijkens hetgeen onder het kopje 'Deregulering' in de Nota van Toelichting bij het Besluit is opgenomen - er bij de totstandkoming van het Besluit vanuit gegaan dat uit het opnemen in het Besluit van de verplichting tot het instellen en handhaven van een rookverbod, slechts lasten zouden voortvloeien voor de overheid en de 'in het besluit aangegeven categorieën van non-profit instellingen'. Voor het bedrijfsleven zouden de Tabakswet en het Besluit volgens de wetgever slechts financiële gevolgen hebben voor zover het de verplichting betrof om in de non-profit sector verkooppunten van tabak te laten verdwijnen.

3.14. Naar het voorlopig oordeel van de rechter ziet de term 'beheerder' als bedoeld in artikel 3 lid 1 van het Besluit dan ook slechts op (het uitvoerend orgaan van) de non-profit instelling die ten doel heeft de gesubsidieerde activiteiten te doen verrichten. Dit betekent dat in het onderhavige geval slechts de Stichting als beheerder in voormelde zin kan worden aangemerkt. De Klepper is niet de rechtspersoon die op grond van de Tabakswet en het Besluit gehouden is een rookverbod in te stellen. De vordering dient dan ook - voor zover deze is ingesteld tegen De Klepper - te worden afgewezen.

3.15. De Stichting is - zoals gezegd - wel als een beheerder in de zin van artikel 3 lid 1 van het Besluit aan te merken en is dan ook op grond van de Tabakswet en het Besluit verplicht een rookverbod in het gebouw - voor zover dit voor het publiek toegankelijk is - in te stellen en te handhaven. Het enkele feit dat de Stichting het gebouw niet zelf exploiteert en niet zelf zorgdraagt voor de organisatie van sociaal-culturele activiteiten in het gebouw (doch dit overlaat aan haar huurster, De Klepper) doet hieraan niet af. De Stichting is op grond van voormelde regelgeving verplicht een rookverbod in te stellen en te handhaven. Het huurrecht alsmede het onrechtmatige daadsrecht bieden de Stichting als verhuurster voldoende mogelijkheden om de medewerking van de huurster te verkrijgen bij het instellen en het handhaven van het rookverbod.

3.16. Anders dan de Stichting heeft gesteld, kan niet geconcludeerd worden dat de vordering alsnog dient te worden afgewezen, omdat zij aan de geest van de Tabakswet en het Besluit heeft voldaan. De wetgever heeft blijkens de inhoud van de Tabakswet en het Besluit voor de constructie gekozen waarbij het roken in inrichtingen als hiervoor bedoeld moet worden verboden, voor zover deze inrichtingen voor het publiek toegankelijk zijn en niet gedeeltelijk door de beheerder daarvan zijn uitgezonderd op basis van artikel 2 lid 2 van het Besluit. Dit betekent dat de Stichting door het enkele installeren van een nieuw luchtverversingssysteem niet aan (de geest van) de Tabakswet en het Besluit heeft voldaan.

3.17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot het instellen en handhaven van een rookverbod - voor zover gericht tegen de Stichting - moet worden toegewezen.

3.18. Gezien de lange voorgeschiedenis van het onderhavige geschil en het feit dat de Stichting voor het effectueren van het rookverbod de medewerking behoeft van De Klepper, is er voldoende aanleiding om de Stichting een aanzienlijk ruimere termijn te gunnen om aan het gevorderde te voldoen dan gevorderd.

3.19. Nu de niet-rokersvereniging ten opzichte van De Klepper in het ongelijk wordt gesteld, zal de niet-rokersvereniging in de kosten van De Klepper worden veroordeeld. De vordering zal - voor zover gericht tegen de Stichting - worden toegewezen, zodat de Stichting in de kosten van de niet-rokersvereniging - voor zover deze ten aanzien van haar zijn gemaakt - zal worden veroordeeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1. veroordeelt de Stichting om binnen 3 maanden na betekening van dit vonnis in alle ruimtes van het gebouw, die voor het publiek toegankelijk zijn, een rookverbod in te stellen en te handhaven;

4.2. bepaalt dat de Stichting aan de niet-rokersvereniging een dwangsom verbeurt van

€ 500,-- (vijfhonderd euro) voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het onder 4.1 bepaalde te voldoen;

4.3. bepaalt voorts dat de onder 4.2 genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving van die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van die overtreding;

4.4. veroordeelt de Stichting in de door de niet-rokersvereniging ten aanzien van haar gemaakte kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 350,-- (driehonderdenvijftig euro) voor salaris van haar procureur en op € 135,-- (honderdvijfendertig euro) inclusief BTW voor verschotten;

4.5. veroordeelt de niet-rokersvereniging in de door De Klepper ten aanzien van haar gemaakte kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 703,-- (zevenhonderddrie euro) voor salaris van haar procureur en op € 193,-- (honderddrieënnegentig euro) inclusief BTW voor verschotten;

4.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E van der Burg - van Geest en is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2002.

w.g. griffier w.g. rechter