Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2002:AD9421

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
21-02-2002
Zaaknummer
SBR 2000/1863
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Formele rechtskracht van verkeersbesluit staat inwilliging van verzoek om nadeelcompensatie op zichzelf niet in de weg.

Afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie van eiseres (Esso Nederland B.V.) in verband met terugloop omzet als gevolg van verkeersbesluit.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat nu eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verkeersbesluit, dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden, zodat vaststaat dat het besluit niet in strijd kan worden geacht met het bepaalde in art. 3:4, tweede lid, Awb, waarmee impliciet een belangenafweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de vraag of aan eiseres nadeelcompensatie moet worden toegekend.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in dit standpunt. De omstandigheid dat het betreffende verkeersbesluit formele rechtskracht heeft verkregen staat inwilliging van het verzoek om nadeelcompensatie op zichzelf niet in de weg. Een verzoek om schadevergoeding, voor zover het schade betreft die is ontstaan door de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, berust op het rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten. Op grond van dit beginsel zijn bestuursorganen gehouden tot compensatie van onevenredige - buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - schade die is ontstaan in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding. Bij dit beginsel gaat het om de vraag of iemand onevenredig wordt getroffen in vergelijking met andere, niet getroffen burgers of instellingen, terwijl het ingevolge art. 3:4, tweede lid, Awb gaat om een onevenredigheid in verhouding tot de met dat besluit te dienen doeleinden. Hieraan doet niet af dat bij de afweging of sprake is van onevenredige schade het te dienen doel ook een rol kan spelen.

Niet is gebleken dat verweerder in het kader van de totstandkoming van het verkeersbesluit al belangen had afgewogen die verband hielden met de vraag of eiseres aanspraak kon maken op nadeelcompensatie. Het enkel nemen van een verkeersbesluit acht de rechtbank onvoldoende voor het veronderstellen van deze belangenafweging.

mrs. J. Ebbens, M. ter Brugge, V.M.M. van Amstel

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2002-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/5031
O&A 2002, p. 59 (nr.2)

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Reg. nr: SBR 2000/1863

UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

Esso Nederland B.V.,

wonende te Amersfoort,

e i s e r e s,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 15 augustus 2000, verzonden op 18 augustus 2000, heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 18 januari 2000, waarbij afwijzend is beslist op het verzoek om haar nadeelcompensatie toe te kennen, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is door eiseres bij brief van 28 september 2000 bij de rechtbank beroep ingesteld. De gronden waarop dit beroep berust zijn bij brief van 30 november 2000 aangevuld. Verweerder heeft op 9 november 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken en op 12 maart 2001 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2001, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. G.J.M Cartigny, advocaat te Rotterdam, en mr. E.C.A. van der Veeken, bedrijfsjuriste. Verweerder heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Beens, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

2. OVERWEGINGEN.

Op 8 april 1994 heeft verweerder een besluit genomen, waarbij een gedeelte van de Liendertseweg wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer.

Op 12 september 1994 heeft eiseres zich tot de raad van de gemeente Amersfoort gewend met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor vergoeding van planschade dan wel nadeelcompensatie toe te kennen in verband met het door verweerder genomen (verkeers)besluit van 8 april 1994. Eiseres heeft daarbij aangevoerd dat de omzet van haar aan de Liendertseweg gelegen benzinestation na de inwerkingtreding van het besluit van 8 april 1994, waardoor deze weg niet meer het karakter heeft van een doorgaande weg naar het bedrijventerrein De Hoef, drastisch is teruggelopen. Eiseres heeft daarbij voorts gesteld in 1992 investeringen te hebben gedaan voor de tien volgende jaren.

Bij besluit van 26 november 1996 heeft de raad van de gemeente Amersfoort afwijzend op het verzoek van eiseres beslist. Het door eiseres tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 24 juni 1997 door de raad van de gemeente Amersfoort ongegrond verklaard.

Het door eiseres tegen dat besluit bij deze rechtbank ingestelde beroep, geregistreerd onder nummer 1997/2591, is bij uitspraak van 14 augustus 1998 gegrond verklaard, waarbij het bestreden besluit is vernietigd.

In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 23 juli 1999 de uitspraak van deze rechtbank vernietigd, het besluit van de raad van de gemeente Amersfoort van 24 juni 1997 vernietigd en het besluit van die raad van 26 november 1996 herroepen, voor zover daarbij het verzoek om nadeelcompensatie is afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft daarbij overwogen dat in casu niet de raad van de gemeente Amersfoort doch verweerder bevoegd is te beslissen op het verzoek om compensatie van schade.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft eiseres op 12 augustus 1999 verweerder verzocht een besluit te nemen op het verzoek van eiseres om haar nadeelcompensatie toe te kennen.

Bij besluit van 18 januari 2000 heeft verweerder afwijzend op dat verzoek beslist. Het door eiseres tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Verweerder heeft zich met betrekking tot de weigering om eiseres nadeelcompensatie toe te kennen primair op het standpunt gesteld dat daartoe in beginsel geen verplichting kan worden aangenomen, nu door eiseres geen beroep is ingesteld tegen het besluit van 8 april 1994. Naar het oordeel van verweerder is daarmee dat besluit rechtens onaantastbaar geworden, zodat vaststaat dat het besluit niet in strijd kan worden geacht met het bepaalde in artikel 3:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welk artikellid bepaalt dat de voor een of meer belangheb-benden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Volgens verweerder heeft daarmee impliciet een belangenafweging ten aanzien van de vraag of aan eiseres nadeelcompensatie moet worden toegekend plaatsgevonden.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in dit standpunt. De omstandigheid dat het betreffende verkeersbesluit formele rechtskracht heeft verkregen staat inwilliging van het verzoek om nadeelcompensatie op zichzelf niet in de weg. Daartoe overweegt de rechtbank dat een verzoek om schadevergoeding, voor zover het schade betreft die is ontstaan door de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, berust op het rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten. Op grond van dit beginsel zijn bestuursorganen gehouden tot compensatie van onevenredige - buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - schade die is ontstaan in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding. Bij dit beginsel gaat het om de vraag of iemand onevenredig wordt getroffen in vergelijking met andere, niet getroffen burgers of instellingen, terwijl het ingevolge artikel 3:4, lid 2, van de Awb gaat om een onevenredigheid in verhouding tot de met dat besluit te dienen doeleinden. Hieraan doet niet af dat bij de afweging of sprake is van onevenredige schade het te dienen doel ook een rol kan spelen.

De rechtbank merkt in dit verband voorts nog op, dat haar niet is gebleken dat verweerder in het kader van de totstandkoming van het besluit van 8 april 1994 al belangen had afgewogen die verband hielden met de vraag of eiseres aanspraak kon maken op nadeelcompensatie. Het enkel nemen van een verkeersbesluit acht de rechtbank onvoldoende voor het veronderstellen van deze belangenafweging.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank met eiseres en in tegenstelling tot verweerder van oordeel dat eiseres, als aan de vereisten daarvoor is voldaan, aanspraak kan maken op vergoeding van onevenredige schade. Dit ondanks het feit dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het (verkeers)besluit van 8 april 1994. Het door eiseres aangevoerde argument dat verweerder door het betreffende verkeersbesluit van 8 april 1994 een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van eiseres als omschreven in artikel 1, eerste Protocol, behorende bij het EVRM, kan en zal de rechtbank dan ook onbesproken laten.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de getroffen verkeersmaatregel voorzienbaar was en de door eiseres geleden schade niet als onevenredig kan worden aangemerkt, zodat eiseres geen aanspraak op nadeelcompensatie kan maken.

De rechtbank stelt in dat verband voorop dat als uitgangspunt geldt dat het treffen van een verkeersmaatregel als hier aan de orde als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de betrokkenen behoren te blijven. Dat neemt niet weg dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van de betrokkenen dient te blijven.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Hoewel de rechtbank niet uitsluit dat eiseres door de betreffende verkeersmaatregel in economisch opzicht in haar belangen is getroffen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onevenredige, buiten haar normale maatschappelijke risico vallende en redelijkerwijs niet ten laste van haar komende schade heeft geleden als gevolg van dat besluit.

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiseres reeds sedert medio 1960 met een benzineverkoop-punt is gevestigd in de toen nog in aanbouw zijnde woonwijk Liendert. Sedert die periode heeft de betreffende woonwijk zich volledig ontwikkeld, van welke ontwikkelingen eiseres in de loop der jaren heeft geprofiteerd. Daarnaast kan worden vastgesteld dat in de jaren '80 door de gemeente Amersfoort is begonnen met de ontwikkeling van het, aan de woonwijk Liendert grenzende, industrieterrein De Hoef, van welke ontwikkeling eiseres eveneens in economisch opzicht heeft geprofiteerd.

Eiseres had dan ook rekening dienen te houden met de mogelijkheid dat er van de zijde van verweerder met het oog op evengenoemde ontwikkelingen voor de woonwijk Liendert en het industrieterrein De Hoef verkeersbesluiten konden worden genomen, welke er toe zouden strekken om sluipverkeer in de woonwijk Liendert te weren en de woonwijk op die wijze autoluw te maken.

Dat eiseres met deze mogelijkheid rekening had dienen te houden geldt temeer nu enerzijds reeds in de toelichting op het uitwerkingsplan van maart/april 1988 melding wordt gemaakt van de ontsluiting van het industrieterrein De Hoef, waarbij onder meer wordt gesproken over het zogenoemde Rustenburgtracé als ontsluitingsroute, en ander- zijds ook in oktober 1991 al een verkeersbesluit was genomen waarbij de Liendertseweg voor vrachtverkeer werd afgesloten. De omstandigheid dat afsluiting van de Liendertseweg voor gemotoriseerd verkeer wellicht niet direct uit het betreffende globale bestemmingsplan "De Hoef" dan wel het uitwerkingsplan is af te leiden, acht de rechtbank niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of in casu gesproken kan worden van een verkeersmaat-regel welke moet worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling, waarmee een ieder, mede gelet op de voorschrijdende maatschappelijke inzichten dienaangaande, kan worden geconfronteerd. Zoals ter zitting is bevestigd heeft eiseres voorafgaand aan het doen van investeringen in 1992 niet afzonderlijk geïnformeerd bij verweerder naar de mogelijke verkeersontwikkelingen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de nadelige gevolgen van de betreffende verkeersmaatregel in het onderhavige geval voor rekening van eiseres behoren te blijven. Dit geldt temeer nu eiseres als een van de grotere oliemaatschappijen in Nederland vele afzetmogelijkheden heeft en als zodanig dagelijks wordt geconfronteerd met voortschrijdende inzichten ten aanzien van de infrastructuur.

Als gevolg van deze ontwikkelingen zal eiseres enerzijds regelmatig te maken krijgen met voor haar nadelige verkeersbesluiten, doch anderzijds zeker ook met voor haar gunstige besluiten. Gelet hierop kan eiseres zich dan ook bezwaarlijk beroepen op enig recht op handhaving van een bestaande situatie, zeker niet nu aan de toename van het autoverkeer en de ontwikkeling van de gehele infrastructuur veelal positieve gevolgen voor oliemaatschap-pijen zijn verbonden.

De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen dan ook niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking komt. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING.

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Ebbens als voorzitter en mrs. M. ter Brugge en V.M.M. van Amstel als leden, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2002.

de griffier: de voorzitter van de meervoudige kamer:

W.B. Lakeman mr. J. Ebbens

(bij afwezigheid van de

behandelend griffier)

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.