Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:ZL1146

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-04-2001
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
101850 HAZA 99-1086
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid ziekenhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr/rolnr 101850 HAZA 99-1086

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [eisers sub 1], in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige 1] ,

2. [eiseres sub 2] ,

3. [eiser sub 3.1] en [eiseres sub 3.2],

allen wonende te [woonplaats] , eisers,

procureur: mr. D.A.N. Bartels,

-tegen-

het krachtens artikel 45 Wet Wetenschappelijk Onderwijs rechtspersoonlijkheid bezittend ziekenhuis, Academisch Ziekenhuis Utrecht,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht, gedaagde,

procureur: mr. M. Nuyten.

De rechtbank bouwt voort op hetgeen zij in het tussenvonnis van 3 mei 2000, hierna te noemen het tussenvonnis, reeds heeft overwogen.

6

Het verdere verloop van de procedure Dit blijkt uit het tussenvonnis.

Vervolgens heeft AZU een conclusie na tussenvonnis genomen, waarbij zij de stukken met betrekking tot het voorlopig deskundigenbericht in het geding heeft gebracht.

[eisers c.s.] hebben een conclusie na tussenvonnis genomen.

Er is vervolgens vonnis gevraagd en de rechtbank heeft dit op het griffiedossier gewezen.

7

De verdere beoordeling

7.1

De rechtbank heeft bij tussenvonnis AZU in de gelegenheid gesteld om de resultaten van het voorlopig deskundigenonderzoek in deze procedure in het geding te brengen.

Prof. Dr. C.W.R.J. Cremers heeft d.d. 23 februari 2000 de vragen beantwoord die in de beschikking

29 oktober 1999 van de rechtbank Utrecht zijn vermeld en tevens zijn weergegeven onder 4.1 van het tussenvonnis. AZU heeft daarna bij brief d.d. 18 april 2000 aanvullende vragen gesteld aan Cremers, welke door Cremers zijn beantwoord bij brief van 24 mei 2000.

7.2

Cremers heeft onder meer het volgende gerapporteerd:

"( ... )Uit objectieve audiometrie (BERA AZU) en toonaudiometrie (KNO-VU) (KNO-AZU) ( [school] 8 juni 1999) is er sprake van doofheid met een gehoorrest in de lage tonen rechts meer dan links. (... )

Er zijn geen syndromale kenmerken bij hem gevonden zoals die zouden kunnen passen bij een syndromaal doofheids c.q. slechthorendheidssyndroom (...)

De doofheid is etiologisch niet peri- of postnataal te plaatsen. Als enige mogelijkheid blijft over een exogene factor durante de graviditeit en/of een erfelijke aanleg voor slechthorendheid-doofheid te weten niet syndromaal autosomaal recessief of zelfs X-recessief rekening houdend met het gegeven dat een jondere broer [minderjarige 2] geboren [1995] evenzo weliswaar veel milder een perceptieve slechthorendheid heeft. (...)" (p. 3 vraag a)

Cremers concludeert ter beantwoording van vraag b, dat:

"1. De toegepaste dosering van 240 mg daags niet de dosering voor niet zwangere volwassenen overschrijdt.

2. hedendaagse inzichten tenderen naar een dosering 1 x dd in plaats van 3 x dd omwille van hogere effectiviteit en lagere toxiciteit(...)

3. ototoxociteit bij volwassenen en jongeren zeer kan verschillen. Dit kan veroorzaakt worden door mutaties in het rnitochondriele genoom. Onduidelijk is nog hoe vaak dit de reden voor arninoglycosiden ototoxiciteit is.

4. Over de mate van ototoxiciteit van gentamycine voor de foetus is geen ander bewijs, dan dat het ototoxisch kan zijn voor de neonaat, het kind en de volwassene.

5. Toediening van gentamycine rond de 6e maand van de zwangerschap wordt het gevaarlijkste geacht. Toediening had plaats in de 7e maand van de zwangerschap van [minderjarige 1] .

Het is zeer wel denkbaar zo niet waarschijnlijk dat het gehoorverlies bij [minderjarige 1] geheel of gedeeltelijk door een gentamycine ototoxiciteit veroorzaakt is."

Naar aanleiding van een aanvullende vraag van AZU of een precisering gegeven kan worden van de kans dat de doofheid van [minderjarige 1] inderdaad is veroorzaakt door gentamycine, antwoordt Cremers bij brief van 24 mei 2000:

"( ...)Desondanks blijft het zo dat de wetenschappelijke literatuur die gevraagde percentages niet kent. Het is ook niet te verwachten dat die percentages nog ooit ter beschikking zullen komen, omdat dergelijk wetenschappelijk onderzoek bij de mens met de huidige voorhanden kennis als onethisch zal worden aangemerkt. (...)"

Met betrekking tot vraag c rapporteert Cremers (zie p. 5):

" Perceptieve (binnenoor) slechthorendheid en doofheid bij het jonge kind kent exogene (verworven) en erfelijke oorzaken.(...)

De toediening van gentamycine gedurende de zwangerschap kan daarom zeer wel de exogene oorzaak zijn in dit geval.

Voor de erfelijke oorzaak geldt dat de autosomaal recessieve erfgang voor elk slechthorend/doof kind denkbaar is. Meestal is er geen syndromale diagnose mogelijk. Bij een op de 700 geboorten in West Europa heeft het kind een binnenoorgehoorverlies van 35 dB op het beste oor. Wanneer deze gehoorgrens verlegd wordt naar 70-80 is dit 1 op 1000. Bij ongeveer een op de drie van deze kinderen is er een niet-syndromale erfelijke autosomaal recessieve doofheid in het spel (DFNB). De meest bekende en de meest frequente vorm is DFNB1 veroorzaakt door een mutatie in het Connexine 26 gen. (...)

p. 6: (...) Op deze wijze bestaat de kans van ruim 1 op 3 dat er bij de familie [familie] ( [minderjarige 2] ) sprake is van Connexin 26 mutatie (DFNBl) wanneer er van wordt uitgegaan dat de doofheid c.q. de slechthorendheid het gevolg is van homozygotie van een gemuteerd autosomaal recessief overervend gen voor doofheid/slechthorendheid. Met behulp van mutatieanalyse voor het connexine 26 gen kan evenzo bepaald worden of [minderjarige 1] homozygoot of heterozygoot is. Via de klinische genetica van de VU is recent om diagnostische redenen mutatieanalyse voor connexine 26 bij alleen [minderjarige 1] aangevraagd.(...)"

Op vraag d antwoordt Cremers: (p.7)

"( ...) Op grond van bovenstaande moet geconcludeerd worden dat

  1. het zeer waarschijnlijk is dat de doofheid bij [minderjarige 1] volledig of grotendeels veroorzaakt is door de gentamycine toediening.

  2. wanneer er een autosomaal recessieve aanleg bewezen kan worden nu of later in geval van de doofheid bij [minderjarige 1] zelf (mutatieanalyse nu of later) dan is er tevens een andere oorzaak voor het aanwezige gehoorverlies. Omdat genetische oorzaken bij broers en zussen (sibs) doorgaans een gelijke ernst van het gehoorverlies geven, blijft het dan aannemelijk dat de veel

ernstiger graad van de doofheid bij [minderjarige 1] in vergelijking met [minderjarige 2] toch veroorzaakt is door de gentamycine toediening.

(...)"

Ten aanzien van vraag e: (p.8)

"In geval zowel de gentamycine intoxicatie als ook een homozygote autosomaal recessieve aanleg als oorzaken aanvaard worden is het redelijk te veronderstellen dat de mate van slechthorendheid zoals bij [minderjarige 2] gevonden (40-60 dB) als genetisch wordt geduid en dat de superpositie van aanvullend gehoorverlies tot (100-120 dB) aan de gentamycine wordt geweten."

Op vraag f. rapporteert hij: (p. 8-9)

Deze vraag wordt zonder onderscheid naar oorzaak gegeven:

"l. Een volledige doofheid bij een kind betekent een uiterst ernstige inbreuk op zijn mogelijkheden tot een volledig intellectuele en sociale ontwikkeling. In vergelijking met horende kinderen is er een blijvende achterstand in ontwikkeling die niet volledig kan worden weggewerkt.

2. Zo volledig doof zijn als bij [minderjarige 1] het geval is blijkt een totale inbreuk te zijn op het sociale leven, hoe zeer ook door nieuwe ontwikkelingen (cochleailre implantaten) gepoogd wordt de mate van sociale isolatie in een horende wereld te beperken.

3. Het uiteindelijke scholingsniveau blijft sterk achter tot het zonder gehoorverlies bereikbare.

(...)

Het loondervend effect van een volledige doofheid ook in vergelijking met een slechthorendheid zal zeer omvangrijk zijn. (...)"

Vraag g en h: (p. 9)

"Er is qua ernst van het gehoorverlies waarschijnlijk sprake van een eindtoestand. Een verdwijnen van de laatste gehoorresten blijft mogelijk. (...) Hij heeft nog geen cochleair implantaat.(...) Hoe jonger kinderen een cochleair implantaat krijgen, hoe beter het uiteindelijke resultaat.(...)"

Een lichte verslechtering blijft denkbaar omdat dit bij vele, sedert hun vroege jeugd, ernstig slechthorende c.q. dove mensen gezien wordt. Een individuele voorspelling is niet mogelijk."

Vraag i: (p.9)

"Volgens AMA normen is er een 100% binaurale hearing impairment. Dit komt op grond van alleen het gehoorverlies neer op een impairment van de gehele persoon van 35%

(...) Hier moet aangetekend worden dat deze AMA-normen gesteld zijn voor mensen die een volledige taalontwikkeling met een normaal gehoor genoten hebben. Taal is nodig voor een intellectuele ontwikkeling. Het sedert de geboorte missen van het gehoor en daarmee het belemmerd zijn in taalontwikkeling (oraal en gebarentaal) belemmert de intellectuele ontwikkeling en daarmee de communicatieve vaardigheid. Het zou daarom niet eerlijk zijn hier de AMA-normen te hanteren."

7.3

AZU kan zich ten dele met de inhoud van het rapport van Cremers verenigen. Zij stelt dat de deskundige mede in verband met de duidelijk aanwezige aanwijzing van een genetische factor en de

onbekendheid met de mate van ototoxiciteit geen stellige uitspraak kon doen over de vraag of het gehoorverlies een gevolg is van de toegepaste gentamycine. AZU wijst erop dat de deskundige het mogelijk acht dat de toegediende gentamycine slechts gedeeltelijk verantwoordelijk is voor de thans bestaande gehoorklachten. AZU stelt voor een aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de vraag in hoeverre de aanwezigheid van een genetische afwijking, Connexine 26, een rol gespeeld kan hebben. Tevens zou volgens AZU, voordat de schade bepaald wordt, afgewacht dienen te worden wat de effecten van een cochleair implantaat zijn bij [minderjarige 1] .

7.4

[eisers c.s.] kunnen zich geheel vinden in de rapportage van Cremers. Volgens hen dient volledige aansprakelijkheid van AZU aangenomen te worden voor de doofheid van [minderjarige 1] , nu duidelijk is dat zelfs indien [minderjarige 1] de mutatie Gen connexine 26 draagt, dit niet zou hebben geleid tot de (mate van) doofheid waaraan hij thans lijdt.

Aansprakelijkheid voor de schade van [minderjarige 1]

7.5

De rechtbank oordeelt dat AZU onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van [minderjarige 1] , door zijn moeder tijdens de zevende maand van de zwangerschap van [minderjarige 1] gentamycine toe te dienen.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van AZU heeft erkend in haar schrijven van 21 november 1997, zie

2.9

tussenvonnis, dat het voorschrijven en toedienen ten onrechte is geschied.

De uitspraak van Cremers, dat niet te verwachten is dat de door AZU gevraagde percentages over de invloed van gentamycine na het tweede trimester van de zwangerschap ooit beschikbaar zullen zijn, omdat het met de huidige kennis als onethisch zal worden aangemerkt om dergelijk wetenschappelijk onderzoek te doen bij de mens, geeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aan, dat de toediening van gentamycine vanwege het stadium van de zwangerschap achterwege gelaten had moeten worden.

7.6

Uit de rapportage van Cremers blijkt dat perceptieve slechthorendheid en doofheid bij het jonge kind ook exogene oorzaken kan hebben en dat toediening van gentamycine gedurende de zwangerschap zeer wel de exogene oorzaak kan zijn (p. 5).

De rechtbank overweegt dat nu door de als onrechtmatig aan te merken gedraging van AZU een risico ter zake van het ontstaan van schade voor [minderjarige 1] in het leven is geroepen en dit risico zich heeft verwezenlijkt, volgens vaste jurisprudentie in beginsel daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade gegeven is. Het is vervolgens aan AZU om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Het verweer van AZU dat de deskundige geen stellige uitspraak kon doen over de vraag of het gehoorverlies een gevolg is van de toegepaste gentamycine kan haar derhalve niet baten. Om het causaal verband aan te kunnen nemen is voldoende de conclusie van Cremers dat het zeer wel denkbaar zo niet waarschijnlijk is dat het gehoorverlies van [minderjarige 1] geheel of gedeeltelijk door gentamycine ototoxiciteit veroorzaakt is (p. 5).

7.7

AZU heeft gesteld dat de deskundige het mogelijk acht dat de toegediende gentamycine slechts gedeeltelijk verantwoordelijk is voor de thans bestaande gehoorklachten bij [minderjarige 1] . Zij stelt voor om een aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de vraag in hoeverre de aanwezigheid van een genetische afwijking, connexine 26, een rol gespeeld kan hebben.

7.8

De rechtbank overweegt dat zelfs als vast zou komen te staan dat bij [minderjarige 1] sprake is van een genetische afwijking, waardoor gehoorklachten zouden zijn ontstaan, aangenomen kan worden dat deze oorzaak slechts gedeeltelijk verantwoordelijk is voor de ernst van de gehoorklachten. Uit de rapportage van Cremers onder e. en f. is af te leiden dat bij de aanname van een genetische oorzaak, de toediening van de gentamycine de oorzaak is voor de erge mate van doofheid bij [minderjarige 1] . Juist de ernst van het gehoorverlies veroorzaakt een uiterst ernstige inbreuk op zijn mogelijkheden tot een volledige

intellectuele en sociale ontwikkeling, welke zijn neerslag heeft op het sociale leven van [minderjarige 1] en zijn mogelijkheden om zich inkomen te verwerven.

De eventueel bij [minderjarige 1] aanwezige genetische oorzaak die met de toediening van gentamycine doofheid tot gevolg zou hebben gehad, is een te onzekere factor, waarop het AZU zich dan ook in redelijkheid niet kan beroepen.

7.9

Voor de begroting van de immateriële schade acht de rechtbank het niet nodig dat afgewacht wordt wat de effecten van een cochleair implantaat zijn bij [minderjarige 1] . Uit de rapportage van Cremers is af te leiden dat zelfs met een dergerlijk implantaat de ernst van het gehoorverlies groot is.

7.10

AZU heeft de hoogte van de vordering betwist met een verwijzing naar een arrest van het Hof van 18 december 1997, waarin een bedrag van f 75.000,-- is toegewezen voor een kind dat ten gevolge van de toepassing van een onjuist geneesmiddel doof geworden is.

7.11

Met [eisers c.s.] is de rechtbank van oordeel dat bovengenoemde situatie onvoldoende te vergelijken is met die van [minderjarige 1] , aangezien hij vanaf zijn geboorte in zijn ontwikkeling en communicatie beperkt wordt door de erge mate van doofheid. De rechtbank oordeelt dat het bedrag van f 125.000,-- recht doet aan de ernst van de gevolgen die de doofheid bij [minderjarige 1] tot gevolg heeft gehad en zal hebben. Dit bedrag zal worden toegewezen aan eisers sub I, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [1992] , de geboortedag van [minderjarige 1] .

7.12

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank dat zij een comparitie zal gelasten om met partijen te overleggen of een minnelijke regeling op dit punt te treffen is.

7.13

Voor de overige materiële schade welke nog niet bekend is en de toekomstige schade, zal AZU worden veroordeeld om deze te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [eisers c.s.] hebben ook nog gevorderd 'de nog niet in beeld gebrachte schade'. De rechtbank is van oordeel dat deze schade ter comparitie aan de orde gesteld dient te worden. [eisers c.s.] wordt verzocht om veertien dagen voor de hierna te noemen datum, deze schadeposten voorzien van een onderbouwing, aan de rechtbank en de wederpartij toe te zenden.

Aansprakelijkheid voor schade van [eiseres sub 2]

7.14

Mevrouw [eiseres sub 2] heeft aangevoerd dat zij recht heeft op vergoeding van schade omdat zij door het ten onrechte toedienen van gentamycine en door het niet op een juiste wijze voldoen aan de informatieplicht, is aangetast in haar gezondheid en persoon. Zij wijst hierbij naar de rapportages van psychiater/psycho-analyticus J.A.A.M. van de Sande. Hij concludeert d.d. 9 februari 1995 als volgt:

"Bij betrokkene is sprake van een hyperesthetisch emotioneel syndroom, neurotische rouwverwerking op basis van een neurotisch karakter naar aanleiding van de constatering dat haar zoon doof is. Ik acht haar op grond van bovengenoemd syndroom op dit moment tijdelijk arbeidsongeschikt."

In de rapportage van 7 mei 1996 concludeert van de Sande:

"In tegenstelling tot mijn verwachting van de vorige keer is het toestandsbeeld verergerd, waardoor ik betrokkene op dit moment tijdelijk arbeidsongeschikt acht. Door toename van depressieve klachten is de lijdensdruk en de innerlijke motivatie toegenomen. Tevens dreigt het echtpaar steeds meer in een sociaal isolement terecht te komen, waardoor ze meer open staan voor het zoeken naar adequate hulp."

7.15

AZU betwist allereerst dat de toediening van de gentamycine ten aanzien van mevrouw [eiseres sub 2] een onjuiste keuze zou zijn geweest. Zij heeft als patiënt baat ondervonden van de medische behandeling .

7.16

De rechtbank verwerpt dit verweer van AZU. Bij de toediening van gentamycine aan een patiënt, kan haar zwangerschap niet buiten beschouwing blijven. De aanstaande moeder kan niet losgezien worden van haar nog ongeboren kind. Mogelijke schadelijke gevolgen voor het ongeboren kind, vormen een grondslag om de keuze voor gentamycine ten aanzien van de patiënt als onjuist te waarderen. AZU is derhalve ten aanzien van mevrouw [eiseres sub 2] toerekenbaar tekortgeschoten bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst.

7.17

AZU heeft aangevoerd dat het letsel dat de moeder stelt ondervonden te hebben een onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van het feit dat zij twee kinderen heeft met een gehoorstoornis. Volgens AZU is deze schade een vorm van affectieschade als gevolg van een letsel van een ander en is een zodanige vordering niet voor toewijzing vatbaar. Bovendien blijkt volgens AZU uit de rapportage van Van de Sande niet dat sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6: 106 BW. Subsidiair is de toestand van de moeder veroorzaakt door het feit dat ook het tweede kind een gehoorstoornis blijkt te hebben en is die toestand niet een gevolg van de toediening van gentamycine, aldus AZU.

7.18

De rechtbank overweegt dat AZU aansprakelijk is voor alle schade die in zodanig verband met de fout staat dat deze haar naar de maatstaf van artikel 6:98 BW als een gevolg van die fout kan worden toegerekend. Om in aanmerking te kunnen komen voor vergoeding van immateriële schade stelt de wet niet dat sprake is van een psychische stoornis in engere zin. Volgens Van de Sande is daar geen sprake van bij mevrouw [eiseres sub 2] . Aan de andere kant is een meer of minder sterk psychisch onbehagen onvoldoende om te spreken van aantasting in haar persoon. Uit de rapportages blijkt dat mevrouw [eiseres sub 2] vanwege haar psychische gesteldheid, in ieder geval tijdelijk arbeidsongeschikt is geworden. Op zich is dit naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van een aantasting in haar persoon.

7.19

Ten aanzien van de door AZU opgeworpen causaliteitsvraag overweegt de rechtbank dat voldoende is aangetoond dat de psychosomatische verschijnselen bij mevrouw [eiseres sub 2] een direct gevolg zijn van de wetenschap dat de doofheid van haar zoon het gevolg zou kunnen zijn van het onjuiste medicijngebruik tijdens haar zwangerschap. Zij heeft dit mogelijke verband op 13 augustus 1993 vernomen en uit het eerste rapport van Van de Sande blijkt dat zij in augustus 1993 is ingestort en arbeidsongeschikt is geworden. Uiteraard wordt het leed van mevrouw [eiseres sub 2] grotendeels bepaald door het dagelijks moeten ervaren van de ernstige gevolgen van de toediening van gentamycine bij een derde, namelijk bij haar zoon, maar aangezien de oorzaak hiervan gezocht moet worden in een handelen van AZU tijdens de zwangerschap van mevrouw [eiseres sub 2] , kan de door de psychosomatische verschijnselen ontstane schade bij haar, worden toegerekend aan de tekortkoming van AZU.

7.20

De verergering van de klachten, zoals beschreven in de tweede rapportage van Van de Sande acht de rechtbank niet toerekenbaar aan het handelen van AZU. Mevrouw [eiseres sub 2] heeft gesteld dat zij door de gehoorklachten van haar tweede zoon [minderjarige 2] angst had dat alles wat ze met [minderjarige 1] had meegemaakt, weer zou moeten doormaken. Hoewel de door mevrouw [eiseres sub 2] opgedane ervaring van de moeiten van de zorg voor en opvoeding van een kind met gehoorproblemen wel het gevolg zijn van de toerekenbare tekortkoming van AZU, zijn de gehoorklachten van [minderjarige 2] niet door handelen van AZU veroorzaakt. De eerder opgedane kennis en wetenschap heeft de depressieve klachten echter pas doen verergeren nadat een tweede zoon met gehoorproblemen geboren is. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan AZU worden toegerekend.

In de stellingen van mevrouw [eiseres sub 2] ligt voor het overige onvoldoende besloten om te kunnen oordelen dat na de geboorte van haar tweede zoon mevrouw [eiseres sub 2] nog steeds in haar persoon is aangetast vanwege het handelen van AZU.

7.21

Een oordeel over de precieze omvang van de immateriële schade houdt de rechtbank nog aan, omdat zij meer inlichtingen behoeft over de mate van arbeidsongeschiktheid van mevrouw [eiseres sub 2] gedurende de periode vanaf augustus 1993 tot de geboorte van haar tweede zoon.

Mevrouw [eiseres sub 2] heeft een schadestaatprocedure verzocht voor de overige schade . Gelet op bovenstaande oordeel over de periode waarover de schade toerekenbaar is, acht de rechtbank de schade voldoende bepaalbaar. Zij verzoekt mevrouw [eiseres sub 2] uiterlijk binnen veertien dagen voor de hierna te noemen zitting gegevens te verstrekken over de hoogte van de overige schade en haar arbeidsongeschiktheid.

De schade van de heer en mevrouw [eisers sub 3]

7.22

De vordering van eisers onder III wordt afgewezen voor zover het de verplaatste schade betreft. Met de toewijzing van de vordering aan eisers onder 1. is er geen verplaatste schade meer.

Voor zover de ouders shockschade vorderen, wordt deze door de rechtbank afgewezen om de volgende reden. Niet ter discussie staat dat de ouders van [minderjarige 1] zeer ernstig geschokt zullen zijn geweest door het bericht dat de toediening van gentamycine tijdens de zwangerschap niet juist was, gelet op de risico's voor het ongeboren kind. De ouders worden elke dag geconfronteerd met de gevolgen hiervan, welke zich bij [minderjarige 1] hebben voorgedaan in de vorm van doofheid.

Hierboven heeft de rechtbank, zij het op een andere grondslag, het recht van mevrouw [eiseres sub 2] op vergoeding van immateriële schade erkend. De vraag rest, of de heer [eiser sub 3.1] recht kan laten gelden op immateriële schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vordering reeds te worden afgewezen, omdat hij onvoldoende heeft gesteld ten aanzien van een mogelijke aantasting van zijn persoon. De rapportages van Van de Sande betreffen primair mevrouw [eiseres sub 2] . Uit de enkele passages over de heer [eiser sub 3.1] blijkt niet dat bij hem sprake is van een aantasting van zijn persoon.

Bovendien blijkt niet van een verband van schade door de schok van het bericht dat door een mogelijke fout van AZU zijn zoon doof is geworden. De rechtbank acht het in het algemeen ook niet waarschijnlijk dat de confrontatie met de wetenschap dat een academisch ziekenhuis ook fouten maakt, de oorzaak is van schade vanwege de aantasting van iemands persoon. Veeleer zal het gevolg van dergelijke fouten, schade bij derden, de oorzaak van diepe smart zijn.

De buitengerechtelijke kosten

7.23

Partijen hebben hun discussie toegespitst op de vraag of de rechtsbijstandsverzekering van [eisers c.s.] , ARAG, in de rechten van [eisers c.s.] is gesubrogeerd. De rechtbank verzoekt [eisers c.s.] informatie te verstrekken op de hierna te noemen zitting over de vragen of zij de kosten van de gevorderde kosten hebben betaald, of hun rechtsbijstandsverzekering deze heeft voorgeschoten of dat ARAG de kosten zelf gaat terugvorderen of heeft teruggevorderd.

7.24

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan en zal bepalen dat het hoger beroep van dit vonnis niet eerder ingesteld kan worden, dan nadat eindvonnis is gewezen.

8.

De beslissing:

De rechtbank:

8.1

Veroordeelt AZU om aan eisers onder I tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van f 125.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [1992] tot aan de dag der algehele voldoening, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

8.2

Bepaalt dat partijen, AZU rechtsgeldig vertegenwoordigd en de heer en mevrouw [eisers sub 1] in persoon, vergezeld van hun raadslieden dienen te verschijnen op een zitting van het lid van deze rechtbank mr. G.B. van Esch voor het geven van inlichtingen over de in r.o. 7.13, 7.21 en 7.23 genoemde punten en het beproeven van een minnelijke regeling;

8.3

Bepaalt dat deze zitting zal worden gehouden op maandag 11 juni 2001 te 9.00 uur in het gebouw van de rechtbank, Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht;

8.4

Bepaalt dat de partij die op dit tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de secretaresse (mevrouw H. Alberts) van mr. Van Esch om een nadere dagbepaling dient te vragen, zulks onder opgave van verhinderdata van beide partijen;

8.5

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W. Brands-Bottema en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 18 april 2001.