Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AD9216

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-11-2001
Datum publicatie
16-05-2002
Zaaknummer
SBR 2000/1313
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet 44
Woningwet 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2001/276 met annotatie van L.E.M. Bijl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: SBR 2000/1313

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

A

wonende te B,

e i s e r,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Montfoort,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 9 juni 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 6 augustus 1999, verzonden 10 augustus 1999, waarbij verweerder heeft geweigerd eiser vergunning te verlenen voor het oprichten van een garage op zijn perceel […] […] te B, ongegrond verklaard.

Door eiser is tegen dat besluit op 11 juli 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Bij brief van 2 augustus 2000, verzonden 11 augustus 2000, heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 oktober 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich aldaar laten vertegenwoordigen door M. de Heer, werkzaam bij de gemeente Montfoort.

2. OVERWEGINGEN.

Door eiser is op 16 december 1998 een aanvraag om een bouwvergunning ingediend, welke strekt tot het oprichten van een schuur/garage met een oppervlakte van 77 m² bij zijn woning aan de […] […] te B.

Bij besluit van 6 augustus 1999 heeft verweerder afwijzend op eisers aanvraag beslist onder overweging dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan „Buitengebied“ Linschoten. Voorts heeft verweerder overwogen dat het bouwplan eveneens strijdig is met het ontwerp bestemmingsplan „Buitengebied Montfoort“, zodat medewerking met behulp van de procedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) niet aan de orde werd geacht. Het door eiser tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan is geprojecteerd op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Linschoten" de bestemming 'agrarisch doeleinden, klasse C' rust. Op grond van de betreffende voorschriften is op deze gronden uitsluitend bebouwing toegestaan ten dienste van de agrarische bedrijfsvoering. Het bouwplan, dat voorziet in de bouw van een garage/berging, is derhalve niet met dit bestemmingsplan in overeenstemming.

Ingevolge artikel 44, aanhef en onder c van de Woningwet mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen. Ingevolge artikel 46, derde lid, van deze wet is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 15, 17, 18 of 19 van de WRO. Een dergelijke aanvraag wordt aangemerkt mede een verzoek om vrijstelling in te houden.

Nu het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan en derhalve de bouwvergunning, gelet op het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, moet worden geweigerd, doet zich hier, gelet op artikel 46, lid 3, van die wet, het geval voor dat slechts na verlening van vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17, 18 of 19 van de WRO een vergunning kan worden verleend. De aanvraag om een bouwvergunning is dan ook terecht mede aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 15, 17, 18 of 19 van de WRO.

Van de zijde van verweerder is ter zitting van de rechtbank verklaard dat door de raad van de gemeente Montfoort een voorbereidingsbesluit is genomen als bedoeld in artikel 21 van de WRO, waarbij de herziening van het gebied waarop het bestemmingsplan Buitengebied Linschoten betrekking heeft wordt voorbereid. Naar aanleiding hiervan is het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Montfoort opgesteld, welk ontwerp vanaf 15 mei 2000 ter inzage heeft gelegen.

De weigering van verweerder om eiser een vergunning te verlenen voor het oprichten van de garage/berging is met name gebaseerd op de overweging dat de bij eisers woning behorende ondergrondse garage moet worden aangemerkt als een bijgebouw in de zin van het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Montfoort en derhalve moet worden meegerekend bij de bepaling van het aantal toegestane vierkante meters bijgebouwen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het gebruik van de ondergrondse garage bepalend is voor de beantwoording van de vraag of deze garage al dan niet als bijgebouw moet worden aangemerkt.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat de reeds aanwezige ondergrondse garage moet worden aangemerkt als onderdeel van het hoofdgebouw en derhalve niet kan worden aangemerkt als aan- of uitbouw. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan het door hem ingediende bouwplan, met name indien dit bouwplan wordt teruggebracht tot een oppervlakte van 75 m², zijnde de in het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Montfoort maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen.

Ingevolge artikel 17, lid 3, onder g van de bij het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Montfoort behorende voorschriften mag het gezamenlijke grondoppervlak van de bij een woning behorende bijgebouwen ten hoogste 50 m² bedragen.

Artikel 17, lid 8, onder a van die voorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3 onder g tot ten hoogste 75 m², voor zover en indien de bestaande landschappelijke waarden niet onevenredig worden geschaad.

Vastgesteld moet dan ook worden, en partijen verschillen daarover ook niet van mening, dat ingevolge het betreffende ontwerp-bestemmingsplan het bouwen van maximaal 75 m² aan, bij de woning behorende, bijgebouwen tot de mogelijkheden behoort.

Verweerder is van mening dat het totaal aan bijgebouwen met het oprichten van de door eiser voorgestane garage/berging inclusief de reeds aanwezige ondergrondse garage op 117 m² uitkomt, zodat er geen redenen aanwezig zijn om met toepassing van het bepaalde in artikel 19 van de WRO, zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang, medewerking aan het bouwplan te verlenen.

In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat de reeds aanwezige ondergrondse garage niet kan worden aangemerkt als bijgebouw in de zin van artikel 1, onder 12, van het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Montfoort. In deze bepaling wordt een bijgebouw omschreven als „een vrijstaand of aangebouwd gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwvlak gelegen hoofdgebouw, zoals garages, hobbyruimten, schuren en bergingen.“.Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de ondergrondse ruimte bij eisers woning in het geheel niet is afgescheiden van de woning en ook rechtstreeks vanuit die woning bereikt kan worden.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt deze ruimte een onlosmakelijk onderdeel van het hoofdgebouw. Er is geen sprake van een (in architectonisch of functioneel opzicht zelfstandig) gebouw dat vrijstaat van of is aangebouwd aan het hoofdgebouw. De enkele omstandigheid dat eiser deze ruimte gebruikt als berging/garage maakt dat niet anders.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op de bouwkundige duiding van de ondergrondse ruimte heeft gebaseerd voor zijn beslissing geen medewerking te verlenen aan het bouwplan met toepassing van het bepaalde in artikel 19 van de WRO.

Gelet op het vorenoverwogene wordt geoordeeld dat het beroep van eiser voor gegrondverklaring in aanmerking komt.

Gezien deze beslissing is er dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 9,25 als reiskosten.

Uitspraak wordt dan ook gedaan als volgt.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van f 9,25,--, te betalen door de gemeente Montfoort,

bepaalt dat de gemeente Montfoort het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,-- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2001. .

de griffier: het lid van de enkelvoudige kamer:

W.B. Lakeman mr. D.A.C. Slump

(bij afwezigheid van de

behandelend griffier)

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.