Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AD7447

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
20-12-2001
Zaaknummer
137629/KG ZA 01-1128/MR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kortgedingnr. 137629/KG ZA 01-1128/MR 20 december 2001

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht in het kort geding van:

[de vader],

wonende te [adres],

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

procureur: mr. M. Vink, ter terechtzitting vervangen door mr. J.M. Rommes,

- tegen-

[de moeder],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur: mr. A. Sie.

1. Het verloop van de procedure

Eiser in conventie, hierna te noemen: [de vader], heeft de gedaagde in conventie, verder te noemen: [de moeder], in kort geding doen dagvaarden en op de dienende dag, 5 december 2001, van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

[de vader] heeft zijn vordering bij monde van mr. J.M. Rommes toegelicht mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en producties.

[de moeder] heeft daarop bij monde van haar procureur verweer gevoerd mede aan de hand van overgelegde pleitnotities en producties. Bij die gelegenheid heeft zij voorts een eis in reconventie tegen [de vader] ingesteld, welke vordering in de door haar overgelegde conclusie van eis in reconventie staat omschreven. De vordering van [de moeder] in reconventie zal hierna in onderdeel 3.5 worden weergegeven.

[de vader] heeft daarop bij monde van mr. Rommes verweer gevoerd tegen de vordering van [de moeder].

Na voortgezet debat, waarbij ook door [de vader] en [de moeder] zelf enige inlichtingen zijn verschaft, hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

In conventie en in reconventie

2.1. [de vader] en [de moeder] zijn op [datum] 1977 te Utrecht met elkaar gehuwd.

Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten:

- [w.],

- [S.] , geboren op 21 april 1983 te Utrecht.

2.2. Tussen partijen is bij beschikking van deze rechtbank van 14 januari 1998 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 24 maart 1998 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Bij de onder 2.2 genoemde beschikking is onder meer bepaald dat het ouderlijk gezag over de onder 2.1 genoemde kinderen alleen aan [de moeder] toekomt en dat [de vader] recht heeft op omgang met de kinderen. Ten aanzien van [S.], een zeer ernstig en meervoudig gehandicapt kind, is bepaald dat [de vader], totdat nader is beslist, haar tweemaal per week bij [de moeder] thuis mag bezoeken en dat hij [de moeder], door wie [S.] in hoofdzaak wordt verzorgd, vooraf telefonisch moet informeren wanneer hij komt.

2.4. [S.] is op 5 augustus 2001 overleden en op 10 augustus 2001 te Nieuwegein in besloten kring gecremeerd. [de vader] is daarbij niet aanwezig geweest.

2.5. [de moeder] heeft eerst na de crematie van [S.] een overlijdenskaart naar het adres van de broer van [de vader] gestuurd, met het verzoek de kaart aan [de vader] door te sturen.

2.6. [de vader] heeft ter bewaring van zijn rechten als nabestaande van [S.] op 10 oktober 2001 onder de besloten vennootschap Service Corporation International-Nederland B.V., gevestigd te Zoetermeer en medekantoorhoudende te Nieuwegein, handelende onder de naam Rouwcentrum en Crematorium Noorderveld, conservatoir beslag doen leggen op de asbus, waarin zich de as van [S.] bevindt.

2.7. In 1987 heeft [de vader] bij de toenmalige N.V. Levensverzekeringsmaatschappij Victoria Vesta, thans RVS Levensverzekering N.V. een uitvaartpolis afgesloten, waarbij [de vader] als verzekeringnemer en [S.] als verzekerde werd aangemerkt. Eerste begunstigde bij het overlijden is [de vader]. Begin september 2001 is door genoemde verzekeringsmaatschappij een bedrag van circa ƒ 9.500,-- aan [de vader] uitgekeerd.

2.8. [de vader] heeft na de echtscheiding van partijen de premie voor de onder 2.7 genoemde uitvaartpolis betaald.

3. De vorderingen, de grondslagen daarvan en het verweer

3.1. Voor de inhoud van de vordering van [de vader] in conventie wordt verwezen naar het aan dit vonnis gehechte exploot van dagvaarding. Het petitum daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd. Kort weergegeven vordert [de vader], bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,

primair: [de moeder] te bevelen om binnen vijf dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan de directeur/beheerder van het Rouwcentrum en Crematorium Noorderveld, schriftelijk te berichten dat de asbus met de as van [S.] aan hem wordt afgegeven, teneinde een deel van de as in een urn te doen plaatsen in het columbarium van het crematorium, met machtiging aan [de vader] om indien [de moeder] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, de afgifte van de asbus door de directeur/beheerder van het Rouwcentrum en Crematorium Noorderveld te doen geschieden op vertoon en uit kracht van het in deze zaak te wijzen vonnis;

subsidiair: [de moeder] te verbieden tot verstrooiing van de as van [S.] over te gaan totdat in hoogste instantie in een bodemprocedure over de rechten en aanspraken van hem, [de vader], zal zijn beslist, zulks op verbeurte van een dwangsom.

3.2. [de vader] legt aan zijn vordering ten grondslag dat ingevolge artikel 18 van de Wet op de lijkbezorging de lijkbezorging, in dit geval het geven van een bestemming aan de as van [S.], overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene dient te geschieden. Nu [S.] zich terzake niet heeft kunnen uitlaten en [S.] evenmin een uiterste wilsbeschikking heeft kunnen opstellen met betrekking tot de bestemming van haar as, zal, aldus [de vader], naar redelijkheid en met afweging van de gevoelens en belangen van de nabestaanden een bestemming aan de as moeten worden gegeven.

[de vader] stelt dat met de door [de moeder] bepaalde bestemming van de as van [S.] geen rekening is gehouden met zijn gevoelens en belangen. Verder heeft hij aangevoerd dat ook geen rekening is gehouden met zijn familie, aangezien ook zij bij de crematie niet aanwezig mochten zijn. Verder stelt [de vader] dat hij vreest, gezien de problemen die zich in het verleden tussen partijen hebben voorgedaan en de huidige slechte verstandhouding, dat [de moeder] wanneer zij kennis neemt van zijn wens om een deel van de as te ontvangen het crematorium direct opdracht zal geven om tot het verstrooien van de as over te gaan, waardoor een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Ten slotte stelt [de vader] dat hij er een spoedeisend belang bij heeft dat er duidelijkheid komt over de bestemming van de as, zodat hij afscheid kan nemen van [S.] en [S.] haar rust kan worden gegund.

3.3. [de moeder] bepleit afwijzing van de vordering van [de vader]. Zij acht het door [de vader] primair gevorderde onjuist, omdat het geheel ingaat tegen de wensen van [S.]. [de moeder] voert daartoe aan dat [S.] meerdere malen te kennen heeft gegeven [de vader] niet (meer) te willen zien en dat zij zelfs heeft aangegeven zijn aanwezigheid tijdens de uitvaart niet op prijs te stellen. [de moeder] acht het niet redelijk dat [de vader], die gedurende het huwelijk en geruime tijd daarna geen interesse meer heeft getoond in het welzijn van [S.], de beschikking dient te hebben over (een deel van) de as. Voorts heeft [de moeder] er op gewezen dat er wel enkele familieleden van [de vader] op de besloten crematieplechtigheid aanwezig zijn geweest. Deze familieleden hadden, aldus [de moeder], nog wel contact met [S.] en conform de wens van [S.] zijn deze personen wel van haar overlijden in kennis gesteld.

3.4. [de moeder] legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap de uitvaartverzekeringen aan [de vader] zijn toegescheiden en dat hij zorg zou dragen voor de betaling van de maandelijks verschuldigde premie. [de moeder] stelt dat, nu de RVS Levensverzekering N.V. een bedrag van ƒ 9.588,-- aan [de vader] heeft uitgekeerd, het niet meer dan redelijk is dat hij dit bedrag aanwendt teneinde aan zijn verplichting om zorg te dragen voor de uitvaart- en crematiekosten van [S.] te voldoen.

3.5. Op grond van het vorenstaande vordert [de moeder] in reconventie: bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair: [de vader] te veroordelen, bij wege van voorschot op het in een bodemprocedure vast te stellen bedrag voortvloeiende uit de overeenkomst tussen partijen, aan haar te voldoen een bedrag van ƒ 7.500,--, althans een door de president in goede justitie te bepalen voorschot op de verplichting uit de overeenkomst;

subsidiair: [de vader] te veroordelen om binnen 7 dagen na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis tot betaling van de factuur van Andriessen Uitvaartverzorging van 29 augustus 2001 van ƒ 6.492,35 over te gaan door voormeld bedrag rechtstreeks aan Andriessen Uitvaartverzrging te Bilthoven te voldoen en daarvan vervolgens binnen 7 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis een afschrift van het betalingsbewijs over te leggen, zulks op verbeurte van een dwangsom.

3.6. [de vader] bepleit afwijzing van de vordering van [de moeder]. Hij betwist dat hij op grond van enige overeenkomst verplicht is de uitvaarkosten van [S.] te voldoen.

Hij voert daartoe aan dat bij de echtscheiding de waarde van de uitvaartverzekering tussen partijen is verrekend en dat hij de uitvaartverzekering heeft voortgezet zodat hij bij de uitvaart van [S.] betrokken zou worden. [de vader] stelt dat het partijen duidelijk was dat aan een eventuele bijdrage van hem in de kosten van de uitvaart van [S.] deze voorwaarde verbonden was. Nu daarvan geen sprake is geweest, is aan de voorwaarde niet voldaan, zodat hij op grond daarvan niet verplicht kan worden nu in de kosten van de uitvaart bij te dragen. Verder stelt [de vader] dat hij, mocht zijn vordering in conventie slagen, nog de nodige kosten moet maken om een gedeelte van de as van [S.] te laten bijzetten in het columbarium en dat hij zelf ook alles behalve draagkrachtig is.

4. De beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie

4.1. Het geschil in conventie komt hier op neer dat partijen van mening verschillen over de vraag of een deel van de as van [S.] aan [de vader] afgegeven moet worden, zodat hij het aan hem afgegeven deel in een urn in het columbarium van het crematorium Noorderveld te Nieuwegein kan laten bijzetten.

4.2. Uitgangspunt moet zijn dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 eerste lid van de Wet op de lijkbezorging, de lijkbezorging zoveel mogelijk overeenkomstig de wens van de overledene dient te geschieden. Over datgene wat de wens van [S.] was verschillen partijen van mening. Nu [S.] zich terzake niet heeft kunnen uitlaten en zij evenmin een uiterste wilsbeschikking heeft opgesteld met betrekking tot de bestemming van haar as en ook niet met voldoende zekerheid valt vast te stellen wat zij gewild zou hebben, zal naar redelijkheid en met afweging van de gevoelens en belangen van de nabestaanden, in casu [de moeder] en [de vader], een bestemming aan de as moeten worden gegeven.

4.3. [de moeder] wenst, omdat [S.] zo van de zee hield, een gedeelte van haar as op de Noordzee te (laten) verstrooien en een deel wil zij in een klein urntje, dat om de hals kan worden gedragen, doen plaatsen. Tevens wil [de moeder] thuis een gedenksteen hebben. Afgifte van een deel van de as van [S.] aan [de vader] is voor [de moeder] onaanvaardbaar. Zij voert daartoe aan dat [de vader] gedurende het huwelijk van partijen en geruime tijd daarna geen interesse heeft getoond in het welzijn van [S.] en [S.] zelf meerdere malen heeft aangegeven [de vader] niet meer te willen zien.

4.4. [de vader] stelt dat, indien een gedeelte van de as van [S.] aan hem wordt afgegeven, hij in staat zal worden gesteld afscheid van haar te nemen en regelmatig naar de plaats waar de as zal worden bijgezet terug te kunnen keren. [de vader] stelt dat dit, nu hij pas na de crematie op de hoogte is gebracht van het overlijden van [S.],voor de verwerking van zijn verdriet heel belangrijk is. Verder heeft [de vader] aangevoerd dat hij recht had op regelmatige omgang met [S.], maar dat hij, vanwege de volledig afhankelijke positie waarin [S.] zich bevond, aangewezen was op medewerking van [de moeder], maar dat [de moeder] er alles aan gedaan heeft om die omgang te voorkomen.

4.5. Vaststaat dat [S.] op 21 april 1983 is geboren en dat zij tot aan de echtscheiding begin 1998 met [de moeder] en [de vader] (en haar broer) in gezinsverband heeft samengewoond. [de moeder], die sinds de echtscheiding met het ouderlijk gezag over [S.] was belast en op wie in hoofdzaak de zorg voor [S.] neerkwam, heeft erkend dat [de vader] [S.] tot mei 1999 heeft bezocht. Ook heeft zij erkend dat [S.] niet in staat was [de vader] zelf te bezoeken. Verder volgt uit de beschikking van deze rechtbank van 7 juni 2000 met betrekking tot de wijziging van de alimentatiebijdrage dat [de moeder] om haar moverende redenen de omgangsregeling tussen [de vader] en [S.] heeft stopgezet.

4.6. Voorts staat vast dat [de vader] de wettige vader van [S.] is en dat hij, na de echtscheiding, de premie voor de uitvaartpolis van [S.] is blijven betalen. In verband hiermede kan dan ook niet worden gezegd dat hij zich, nu het partijen bekend was dat [S.] waarschijnlijk op jonge leeftijd zou komen te overlijden, volledig aan zijn betalingsverplichtingen met betrekking tot de kosten die te maken hebben met het overlijden van [S.] heeft onttrokken.

4.7. Vast staat dat [de vader] niet tijdig door [de moeder] op de hoogte is gesteld van het overlijden en de crematie van [S.]. In verband hiermede heeft hij dan ook niet de gelegenheid gehad om op een waardige manier afscheid van [S.] te nemen. Op grond van al het vorenstaande is derhalve voldoende aannemelijk dat de belangen van [de vader], zijnde de wettige vader van [S.], zijn geschaad en dat hij als gevolg van het achterhouden van informatie over het overlijden en de crematie van [S.] emotionele schade heeft geleden. Als de wettige vader die gedurende vele jaren met haar in gezinsverband heeft geleefd, heeft hij, indien hij dat wenst, recht op een waardig afscheid en de mogelijkheid van herdenking van zijn kind.

4.8. [de vader] stelt dat die mogelijkheid hem alsnog kan worden geboden door een deel van de as van [S.] bij te zetten in het columbarium te Nieuwegein. De wijze waarop [de moeder] met de as van [S.] wil handelen sluit niet uit dat [de vader] ook een deel daarvan krijgt. [de moeder] wil immers niet alle as op de Noordzee doen uitstrooien.

4.9. Verstrooiing van de as van [S.] is onomkeerbaar. Voldoende aannemelijk is dat de belangen van [de vader] als wettige vader van [S.] daarmee worden geschaad. Niet gebleken is dat gerechtvaardigde belangen van [de moeder] zich ertegen verzetten dat aan [de vader] ook een deel van de as van [S.] ter beschikking zal worden gesteld. [de moeder] gaat immers ook zelf tot verdeling van de as over en een deel wil zij op de Noordzee doen uitstrooien. Ten slotte is voldoende aannemelijk dat [de vader] er spoedeisend belang bij heeft dat er duidelijkheid komt over de bestemming van de as Van [S.], zodat ook hij en zijn familie afscheid van haar kunnen nemen.

4.10. De primaire vordering van [de vader] zal derhalve worden toegewezen in deze zin dat [de moeder] binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis aan de directeur/beheerder van het Rouwcentrum en Crematorium Noorderveld, schriftelijk dient te berichten dat een deel van de as van [S.] aan [de vader] moet worden afgegeven, teneinde [de vader] in de gelegenheid te stellen het aan hem afgegeven deel van de as in een (door hem aangeschafte) urn in het columbarium van het crematorium te doen plaatsen. Verder zal [de vader] worden gemachtigd om, indien [de moeder] hiermede in gebreke blijft, de afgifte van een deel van de as van [S.] door de directeur/beheerder van het Rouwcentrum en Crematorium Noorderveld te doen geschieden op vertoon en uit kracht van dit vonnis.

In reconventie voorts

4.11. De door [de moeder] gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan aanleiding, als het bestaan ( en de omvang) van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

4.12. [de moeder] stelt dat partijen bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap de uitvaartverzekeringen aan [de vader] zijn toegescheiden en dat hij zorg zou dragen voor betaling van de verschuldigde premie. Verder voert zij aan dat partijen daarbij tevens de afspraak hebben gemaakt dat [de vader], indien een van de kinderen zou komen te overlijden, de opbrengst van de uitvaartpolis besteed zou worden aan de betaling van de begrafenis- c.q. crematiekosten. [de moeder] stelt dat de kosten voor de uitvaart en crematie in totaal een bedrag van ƒ 8.646,68 behelzen, welk bedrag in drie delen gesplitst kan worden, te weten:

- de kosten die zij heeft moeten maken voor het eten en drinken voor naaste familieleden

en vrienden gedurende de laatste weken van [S.]'s leven, de koffietafel na de

crematie, de bediening, het repareren van de uitvaart-cd tot een bedrag van ƒ 1.244,33;

- de kosten voor het verstrooien van de as op de Noordzee, de kosten voor een gedenkurn

en een gedenksteen van ƒ 910,--;

- de kosten van de crematie, zoals blijkt uit de factuur van Andriessen Uitvaartverzorging te

Bilthoven van 29 augustus 2001 ten bedrage van ƒ 6.492,35.

4.13. Primair is [de vader] van oordeel dat hij redelijkerwijze niet gehouden kan worden om enige bijdrage te leveren in de uitvaart van [S.], nu [de moeder] hem bewust buiten de uitvaart van [S.] heeft gehouden. [de vader] stelt dat hij als gevolg van het achterhouden van informatie over overlijden en crematie grote emotionele schade heeft geleden en dat hij ook nu nog lijdt onder de wetenschap dat hem geen waardig afscheid van [S.] is gegund. Verder heeft hij aangevoerd dat hij in feite al een bijdrage in de kosten van de uitvaart van [S.] geleverd heeft, nu bij de verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap ook de waarde van de uitvaartverzekeringspolis is verrekend. Voorts ontkent hij dat hij op grond van enige overeenkomst verplicht zou zijn de uitvaartkosten van [S.] te voldoen. Hij stelt dat hij heeft aangegeven de uitvaartverzekering te willen voortzetten, zodat hij bij de uitvaart van [S.] betrokken zou worden. Nu daarvan geen sprake is, is aan de voorwaarde niet voldaan, zodat hij op die grond niet verplicht kan worden nu bij te dragen in de kosten van de uitvaart. Verder heeft [de vader] aangevoerd dat hij, mocht zijn vordering om een gedeelte van de as van [S.] te laten bijzetten in het columbarium slagen, hij het op grond van de uitvaartpolis uitgekeerde bedrag voor die kosten moet aanwenden. Verder heeft [de vader] er op gewezen dat ook het restitutierisico aan de zijde van [de moeder] een rol speelt, nu zij klaarblijkelijk niet in staat is de rekening van Andriessen itvaartverzorging te voldoen. Meer subsidiair stelt [de vader] dat hij, doordat verdeling van de uitvaartpolis als boedelbestanddeel van de huwelijksgoederen-gemeenschap reeds heeft plaatsgevonden, hij slechts gehouden kan worden om de helft van de waarde van de uitvaartpolis minus de door hem na de echtscheiding betaalde premies van ƒ 9.54 per maand, te voldoen. Ten slotte stelt [de vader], voor het geval de president van oordeel mocht zijn dat hij toch gehouden is de kosten van uitvaart van [S.] aan [de moeder] te vergoeden, dit alleen de factuur van Andriessen Uitvaartverzorging kan betreffen.

4.14. Vast staat dat op grond van de door [de vader] bij de toenmalige N.V. Levensverzekeringsmaatschappij Victoria Vesta, thans RVS Levensverzekering N.V., afgesloten uitvaartkostenpolis ten behoeve van [S.] een bedrag van circa ƒ 9.500,--

aan [de vader] is uitgekeerd. Vast staat dat bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap de onderhavige uitvaartverzekering aan [de vader] is toegescheiden en dat hij sindsdien de premie heeft betaald. Partijen verschillen er niet over van mening dat, indien (één van) de kinderen zouden komen te overlijden, de waarde van de uitvaartpolis besteed zou worden aan de betaling van de begrafenis- c.q. crematiekosten. [de vader] heeft de verzekering ook met dat doel voortgezet en daarvoor de premie betaald. Over de vraag of aan de hiervoor genoemde afspraak tussen partijen voorwaarden zijn verbonden, verschillen partijen van mening. Wat hiervan verder ook zij, vast staat dat de uitvaartpolis door [de vader] is afgesloten en dat [S.] als verzekerde had te gelden. Onder deze omstandigheden is het dan ook redelijk en billijk te achten dat van het door de verzekeringsmaatschappij aan [de vader] uitgekeerde bedrag, een bedrag groot

ƒ 6.492,35 wordt aangewend voor de betaling van de met het overlijden van [S.] noodzakelijk gemaakte kosten, te weten de kosten zoals vermeld op de factuur van Andriessen Uitvaartverzorging van 29 augustus 2001. Nu [de moeder] de desbetreffende opdracht aan Andriessen Uitvaartverzorging heeft verstrekt, is zij verantwoordelijk voor betaling aan Andriessen Uitvaartverzorging.

4.15. [de vader] zal, nu zijn vordering in conventie wordt toegewezen, ook zelf nog de nodige kosten moeten maken die verband houden met het overlijden en de crematie van [S.]. In verband hiermede en mede gelet op de omstandigheid dat hij de premie voor de uitvaartverzekering van [S.] na de echtscheiding is blijven betalen, staat niet met een bovenredelijke twijfel verheven mate van waarschijnlijkheid vast dat hij gehouden is een groter bedrag dan ƒ 6.492,35 als voorschot op de begrafenis- en crematiekosten aan [de moeder] te betalen. De primaire vordering van [de moeder] zal dan ook tot het hiervoor genoemde bedrag van ƒ 6.492,35 worden toegewezen, zodat zij in staat zal zijn Andriessen Uitvaartverzorging te voldoen. Voldoende aannemelijk is dat [de moeder] bij betaling door [de vader] van voormeld bedrag aan haar een spoedeisend belang heeft, nu Andriessen Uitvaartverzorging haar reeds bij brief van 12 november 2001 de wettelijke rente heeft aangezegd.

4.16. Aangezien partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de kosten van deze procedure zowel in conventie als in reconventie tussen hen worden gecompenseerd op de wijze als hieronder is bepaald.

5. De beslissing

De president:

In conventie

5.1. Beveelt [de moeder] om binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis aan de directeur/beheerder van het Rouwcentrum en Crematorium Noorderveld, gevestigd aan de Structuurbaan 1 te Nieuwegein, schriftelijk te berichten dat een deel van de as van [S.] aan [de vader] moet worden afgegeven, teneinde [de vader] in de gelegenheid te stellen het aan hem afgegeven deel van de as van [S.] in een (door hem aangeschafte) urn in het columbarium van het crematorium te doen plaatsen.

5.2. Machtigt [de vader] om, indien [de moeder] in gebreke blijft aan het onder 5.1 aan haar gegeven bevel te voldoen, de afgifte van een deel van de as van [S.] door de directeur/beheerder van het Rouwcentrum en Crematorium Noorderveld te doen geschieden op vertoon en uit kracht van dit vonnis.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

5.5. Compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In reconventie

5.6. Veroordeelt [de vader] om bij wege van voorschot op het in een bodemprocedure vast te stellen bedrag, aan [de moeder] te voldoen het bedrag dat zij aan Andriessen Uitvaartverzorging te Bilthoven moet betalen, te weten de somma van ƒ 6.492,35 (zesduizend vierhonderdtweeennegentig gulden en vijfendertig cent).

5.7. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.8. Wijst af het meer of anders gevorderde.

5.9. Compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg - van Geest, fungerend president, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2001.