Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AD6909

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
SBR 2000/1366
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: SBR 2000/1366

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 15 juni 2000 (verzonden 16 juni 2000) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 17 maart 2000, verzonden 20 maart 2000, waarbij eiser is aangeschreven om voor 3 april 2000 het gebruik van de [adres] als kamerverhuurpand (11 en meer personen) te beëindigen op straffe van verbeurte van een dwangsom van f 25.000,-- ineens, ongegrond verklaard.

Door eiser is tegen dat besluit op 20 juli 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Bij brief van 10 augustus 2000, verzonden 17 augustus 2000, heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 oktober 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich aldaar laten vertegenwoordigen door mr. S. Ramdoelare Tewari, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

2. OVERWEGINGEN.

De rechtbank staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht eisers bezwaren tegen de in geding zijnde aanschrijving ongegrond heeft verklaard. De rechtbank merkt daarbij allereerst uitdrukkelijk op dat in het kader van het onderhavige beroep met name niet aan de orde is de vraag of de door verweerder opgelegde dwangsom vatbaar is voor matiging.

Eiser heeft naar aanleiding van verweerders primaire besluit van 17 maart 2000 bij brief van 22 maart 2000 bij de president van de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. In het kader van dat verzoek heeft verweerder zich bereid verklaard de datum voor het verbeuren van de dwangsom op te schorten totdat op het verzoek door de president van de rechtbank was beslist. Bedoeld verzoek is op 11 april 2000 ter zitting behandeld. Bij uitspraak van 18 april 2000 heeft de president van de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uit die uitspraak en de voorhanden gedingstukken ontleent de rechtbank dat eiser eigenaar is van het (kamerverhuur)pand aan de [adres] te [plaats], alwaar hij aan 13 personen bedrijfsmatig woonverblijf verschaft. Eiser had daarvoor geen gebruiksvergunning.

Op 15 maart 2000 is in het pand een brandveiligheidscontrole uitgevoerd, waaruit naar voren is gekomen dat diverse brandvoorzieningen moesten worden aangebracht. Daarbij werd geconcludeerd dat het pand in de staat waarin het zich toen bevond als zeer onveilig moest worden aangemerkt en bovendien gebruiksvergunningplichtig was.

Naar aanleiding van de op grond van evengenoemde controle uitgebrachte rapportage is verweerder overgegaan tot afgifte van het besluit van 17 maart 2000, welk besluit bij het thans bestreden besluit is gehandhaafd.

In het kader van het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is door eiser niet betwist dat hij maatregelen diende te treffen teneinde aan de brandveiligheidsnormen te voldoen. Eisers bezwaar richtte zich enkel tegen de naar zijn mening te korte termijn waarbinnen hij die aanpassingen diende te realiseren.

Eiser heeft in het thans aanhangige beroep dit standpunt herhaald en daarbij nog gewezen op het feit dat de werkzaamheden daags na de hoorzitting op 10 mei 2000 zijn voltooid en dat op 6 juni 2000 door de brandweerinspecteur is geconstateerd dat het betreffende pand aan de [adres] thans voldoet aan de huidige regelgeving.

Gelet op het feit dat de door verweerder gestelde termijn, ondanks eisers uiterste inspanningen, slechts met enkele weken is overschreden acht eiser het opleggen van een dwangsom van f 25.000,-- in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

De rechtbank is, gelijk de president in de uitspraak van 18 april 2000, evenwel van oordeel dat de in de aanschrijving genoemde termijn waarbinnen de maatregelen dienden te worden getroffen om aan de brandveiligheidsnormen te voldoen cq waarbinnen de illegale situatie diende te worden beëindigd niet als onredelijk kort is aan te merken, dit met name gelet op het feit dat het pand wat betreft de brandveiligheid als zeer onveilig diende te worden gekwalificeerd.

Door eiser wordt dit niet zozeer betwist doch wordt gesteld dat het invorderen van de opgelegde dwangsom in de gegeven omstandigheden als zeer onredelijk moet worden aangemerkt, nu hij de door verweerder gestelde termijn slechts met enkele weken heeft overschreden. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft eiser gewezen op het feit dat bij hem steeds de bereidheid heeft bestaan om onverwijld de benodigde maatregelen te treffen en dat hij die ook feitelijk op zo kort mogelijke termijn heeft getroffen. De omstandigheid dat het hem desondanks niet is gelukt de benodigde maatregelen binnen de door verweerder gestelde termijn te treffen, kan hem, aldus eiser, in de gegeven situatie niet althans verminderd worden aangerekend.

In verband hiermee merkt de rechtbank, zoals ook in de aanhef van deze rubriek reeds is aangegeven, op dat in het kader van het onderhavige beroep niet aan de orde is de vraag of de door verweerder opgelegde dwangsom vatbaar is voor matiging.

Ten overvloede wenst de rechtbank echter op te merken dat eiser zich, indien hij van mening is dat de in geding zijnde dwangsom vatbaar is voor matiging, in aanmerking genomen de mate waarin aan de aanschrijving is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van die overtreding, en hij ter zake niet tot een vergelijk met verweerder kan komen, met een dergelijk verzoek tot de civiele kamer van de rechtbank kan wenden.

De door eiser aangevoerde gronden kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van het onderhavige besluit. Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit onrechtmatig is genomen komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Er dient dan ook als volgt te worden beslist.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Barkel-van Berchum, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2001.

de griffier: het lid van de enkelvoudige kamer:

W.B. Lakeman J. Barkel-van Berchum

(bij afwezigheid van de

behandelend griffier)

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.