Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AD6490

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
30-11-2001
Zaaknummer
137576/KG ZA 01-1122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Vonnis van de president van de

arrondissementsrechtbank te

Utrecht in het kort geding van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

e i s e r e s,

procureur: mr. E. Olof,

tegen:

GEMEENTE ZEIST,

zetelend te [woonplaats],

g e d a a g d e,

verschenen in de persoon van

[juridisch medewerker van de gemeente], juridisch medewerker

bij de gemeente.

1. Het verloop van het geding

1.1. Eiseres, verder te noemen: [eiseres], heeft de gedaagde, hierna te noemen: de gemeente, in kort geding doen dagvaarden en op de dienende dag, 15 november 2001, van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploit van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2. Eiseres heeft haar vordering bij monde van haar procureur toegelicht, mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en op voorhand toegezonden producties. Bij die gelegenheid heeft zij haar eis vermeerderd in die zin dat zij aan het petitum van de dagvaarding heeft toegevoegd een vordering de gemeente te veroordelen in de proceskosten, alsmede een vordering strekkende tot betaling van een bedrag van f. 10.000,-- als voorschot in de kosten van rechtsbijstand en vervoer. De gemeente heeft tegen deze vermeerdering van eis op zichzelf geen bezwaar gemaakt.

1.3. [eiseres] heeft voorts tegen het overleggen door de gemeente van een aantal produkties bezwaar gemaakt, op de grond dat zij niet eerder van de inhoud daarvan kennis heeft kunnen nemen. Zij heeft dan ook verzocht de betreffende producties buiten het geding te laten. De fungerend president heeft dit verzoek afgewezen voor zover dit betrekking had op de beschikking van 16 mei 2001 en voor het overige ingewilligd.

1.4. De gemeente heeft vervolgens bij monde van [juridisch medewerker van de gemeente] voornoemd, verweer gevoerd, mede aan de hand van een pleitnota en de tot het geding toegelaten producties.

1.5. Vervolgens is de behandeling korte tijd geschorst, teneinde [eiseres] in staat te stellen de beschikking van 16 mei 2001 nader te bestuderen, alsmede partijen de gelegenheid te bieden voor overleg.

1.6. Nadat het debat was voortgezet, waarbij nog door [eiseres] in persoon enige inlichtingen zijn verstrekt, heeft [eiseres] verzocht aanstonds mondeling vonnis te wijzen.

1.7. De fungerend president heeft partijen meegedeeld op 20 november 2001 uitspraak te zullen doen, met dien verstande dat de motivering van die uitspraak pas later volledig op schrift zal worden gesteld.

1.8. Nadat de behandeling van deze zaak was gesloten heeft de fungerend president overeenkomstig het voorgaande uitspraak gedaan. Aan partijen is een afschrift ter hand gesteld van het uittreksel uit het audiëntieblad waarin de hierna nogmaals te vermelde beslissing is vastgelegd.

2. De vaststaande feiten

2.1. De gemeente heeft aan [eiseres] bij besluit van 14 mei 1997 ingevolge de Verordening Voorziening Gehandicapten Gemeente Zeist een bruikleen-auto verstrekt.

2.2. Bij besluit van 9 augustus 2000 heeft de gemeente [eiseres] meegedeeld dat zij, gezien de hoogte van haar inkomen en dat van haar echtgenoot, niet langer recht had op de bruikleenauto, zodat zij deze zal dienen in te leveren. Het door [eiseres] op 28 augustus 2000 tegen deze beschikking gemaakte bezwaar is door de gemeente op 9 oktober 2000 ongegrond verklaard. Het vervolgens door [eiseres] ingestelde beroep is door de president van deze rechtbank, sector bestuursrecht, bij uitspraak van 16 november 2000 gegrond verklaard, om reden dat het besluit tot intrekking van de bruikleenauto op een onjuiste grondslag was genomen.

2.3. De gemeente heeft vervolgens op 16 mei 2001 wederom besloten de aan [eiseres] verstekte vervoersvoorziening te beëindigen, dit maal met ingang van 1 september 2001. Op het door de gemeente ter zitting overgelegde archiefexemplaar van dit besluit staat een stempel "verzonden op 16 mei 2001".

2.4. Bij brieven van 10 augustus 2001 en 22 augustus 2001 heeft de gemeente [eiseres] verzocht om de bruikleenauto op 4 september 2001 bij garage Ford Renes B.V. in Zeist in te leveren. In deze brieven, die afgezien van de datering, inhoudelijk identiek zijn, refereert de gemeente aan evenvermelde beschikking door de volgende passage: "Aan u is bij beschikking van 16 mei 2001 medegedeeld dat de verstrekking van de aan u toegekende bruikleenauto met ingang van 1 september 2001 wordt beëindigd."

2.5. Op deze beide brieven is namens [eiseres] door mr. Olof voornoemd schriftelijk gereageerd bij brief van 29 augustus 2001. Mr. Olof heeft de gemeente bij die gelegenheid bericht dat de beschikking van 16 mei 2001 hem noch [eiseres] bekend is.

2.6. De gemeente heeft [eiseres] bij brief van 25 september 2001, wederom een brief geschreven. De eerste regel hiervan luidt: Hierbij herinner ik u aan de beschikking van 16 mei 2001, welke u als bijlage aantreft. Tegen dit besluit heeft u geen bezwaar ingediend, waardoor dat besluit onherroepelijk is geworden." De gemeente heeft in deze brief voorts vastgesteld dat [eiseres] geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek de auto op 4 september 2001 in te leveren en haar bevolen dit alsnog te doen en wel voor 10 oktober 2001.

2.7. Mr. Olof heeft bij brief van 3 oktober 2001 de gemeente eraan herinnerd dat de beschikking van 16 mei 2001 nimmer is ontvangen, de gemeente voorts meegedeeld dat deze niet als bijlage is aangetroffen bij de brief van 25 september 2001 en dat [eiseres] er derhalve vanuit gaat dat er geen beschikking van 16 mei 2001 bestaat en al helemaal geen besluit dat onherroepelijk is geworden.

2.8. De gemeente heeft [eiseres] bij brief van 8 oktober 2001 aangezegd dat de gemeente zich het recht voorbehoud om nadere stappen voor de inname van de auto te ondernemen, indien deze niet op 10 oktober 2001 is ingeleverd.

2.9. Bij brief van 26 oktober 2001 heeft de gemeente [eiseres] ervan in kennisgesteld dat zij over zal gaan tot tenuitvoerlegging van het in de brief van 8 oktober 2001 vermelde.

2.10. [eiseres] heeft de gemeente bij brief van 29 oktober 2001 nogmaals in kennis gesteld van haar standpunt dat er geen beschikking is gegeven in mei 2001 en het vertrouwen uitgesproken dat wordt afgezien van de aangekondigde maatregelen, aangezien hiertoe iedere rechtsgrond ontbreekt.

2.11. De gemeente heeft op 31 oktober 2001 de auto, die geparkeerd stond op de invalide parkeerplaats voor de deur van [eiseres], weggetakeld en overgebracht naar de in 2.4. genoemde garage.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. Voor de volledige inhoud en grondslagen van de vordering van [eiseres] wordt verwezen naar het aan dit vonnis gehechte exploot van dagvaarding en de door [eiseres] ter zitting genomen akte houdende vermeerdering van eis. Kort samengevat vordert [eiseres] teruggave van de bruikleenauto dan wel afgifte van een soortgelijke auto, zulks op straffe van een dwangsom, alsmede vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor vervangend vervoer en juridische bijstand.

3.2. Als grondslag voor haar vordering heeft [eiseres] aangevoerd dat de gemeente de haar in bruikleen gegeven auto zonder rechtsgrond en eigenmachtig heeft weggehaald. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de gemeente de overeenkomst van bruikleen niet eenzijdig kan beëindigen en zich schuldig heeft gemaakt aan eigenrichting, door de auto weg te halen.

[eiseres] stelt voorts dat de beschikking van 16 mei 2001 niet als rechtsgrond voor het weghalen van de auto kan dienen, aangezien zij die nimmer, althans niet eerder dan ter zitting, heeft ontvangen. [eiseres] betwist dan ook dat de beschikking onherroepelijk zou zijn geworden en heeft ter zitting aangegeven thans direct een bezwaarschrift daartegen te zullen indienen.

3.3. De gemeente heeft zich tegen toewijzing van de vordering verzet, onder verwijzing naar de beschikking van 16 mei 2001. De gemeente stelt dat deze beschikking diezelfde dag is verzonden aan [eiseres] en inmiddels onherroepelijk is geworden, nu de bezwaartermijn ongebruikt is verstreken. De gemeente stelt zich op het standpunt dat [eiseres] aldus geen recht meer heeft op de auto.

3.4. Vast staat dat Burgemeester en Wethouders van de gemeente op 16 mei 2001 het besluit hebben genomen de aan [eiseres] verstrekte vervoersvoorziening op grond van artikel 3.2 lid 9 van de gemeentelijke WVG-verordening te beëindigen. Het op het archiefexemplaar van dit besluit aangebrachte stempel "verzonden op 16 mei 2001"is een sterke indicatie dat dit besluit ook diezelfde dag aan [eiseres] is verzonden, wat overigens niet noodzakelijkerwijs behoeft te betekenen dat [eiseres] dit besluit ook heeft ontvangen. Vooralsnog gaat de president er dan ook vanuit dat dit besluit op 16 mei 2001 op de voorgeschreven wijze aan [eiseres] is bekend gemaakt en derhalve in werking is getreden. Namens [eiseres] is weliswaar terecht gesteld dat de bewijslast van (de datum van) verzending bij de gemeente ligt, maar vooralsnog sluit de president geenszins uit dat de gemeente, er bij de bestuursrechter in zal slagen dat bewijs te leveren.

3.5. In ieder geval staat vast dat [eiseres] sinds medio augustus 2001 van de strekking van het besluit op de hoogte was, terwijl ook de grondslag daarvan voor haar geen verrassing kan zijn geweest. Nu aan haar ter zitting een kopie van het archiefexemplaar is overhandigd, kan in redelijkheid niet langer betwist worden dat het besluit er ligt en dat dus de aan [eiseres] verstrekte vervoersvoorziening is geëindigd. Dit staat los van de vraag of het besluit al dan niet onherroepelijk is geworden. Het bezwaar -ontvankelijk of niet- schorst immers niet de werking van het besluit waartegen het is gericht. Zolang de president van de rechtbank, sector bestuursrecht, geen voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van dat besluit heeft genomen, blijft het besluit onverminderd van kracht.

3.6. Een andere vraag is of de gemeente gerechtigd was de auto eigenmachtig weg te halen, nadat [eiseres] had geweigerd deze in te leveren. De fungerend president beantwoordt deze vraag vooralsnog ontkennend. Daarbij is van belang dat noch het besluit van 8 oktober 2001 noch dat van 26 oktober 2001 kan worden aangemerkt als een rechtsgeldig besluit tot toepassing van bestuursdwang, nu niet is voldaan aan de in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen. Zo vermelden deze brieven niet welk voorschrift door [eiseres] is of wordt overtreden door de auto niet in te leveren. Ook in de WVG-verordening van Zeist kan geen grondslag voor de eigenmachtige inname worden gevonden. Anders dan de Wet voorzieningen gehandicapten in artikel 5 eerste lid aanhef en onder c, voorschrijft bevat deze verordening geen procedureregels met betrekking tot de terugvordering van voorzieningen. Nu de gemeente niet duidelijk heeft gemaakt op welke publiekrechtelijke grondslag de feitelijke inname berustte en zij evenmin over een privaatrechtelijke executoriale titel beschikte wordt vooralsnog aangenomen dat sprake is geweest van een ongeoorloofde vorm van eigenrichting.

3.7. Dit betekent echter niet dat de gemeente zal worden veroordeeld de auto terug te geven aan [eiseres]. Voorshands dient er immers vanuit te worden gegaan dat [eiseres] geen recht op de auto heeft, nu de haar verstrekte WVG-voorziening is geëindigd. Naar het voorlopig oordeel van de fungerend president is de beëindiging van die voorziening niet onterecht geweest. Het gezamelijke inkomen van [eiseres] en haar echtgenoot (netto f 72.969,-- per jaar) overschrijdt immers onbetwistbaar in hoge mate het toepasselijke norminkomen (netto f. 52.761,60) om voor WVG-voorzieningen in aanmerking te komen.

3.8. Indien derhalve al zou moeten worden aangenomen dat het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente, in bezwaar, of de bestuursrechter, in beroep, tot het oordeel zou komen dat het nog in te dienen bezwaarschrift ontvankelijk is, hetzij omdat het wel tijdig is ingediend, hetzij omdat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, dan nog acht de fungerend president niet waarschijnlijk dat inhoudelijk een andere beslissing zal worden genomen.

3.9. Het vorenstaande betekent dat de vorderingen niet kunnen worden toegewezen.

3.10. [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

4. De beslissing

De president:

4.1. weigert de gevraagde voorzieningen;

4.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op

f. 427,-- voor verschotten;

4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, fungerend president, bijgestaan door mr. M.A.A.T. Engbers als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2001.