Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AD5873

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
137437/KG ZA 01-1103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

V O N N I S van de president

van de arrondissementsrechtbank

te Utrecht in het kort geding van

[eiser], in zijn hoedanigheid

van wettelijk vertegenwoordiger van

[de Cadetzeilster],

beiden wonende te [woonplaats],

e i s e r,

procureur: mr. N.B.F. Telders,

advocaat: mr. G.P.F. Vollebregt te Rotterdam,

- t e g e n -

1. de vereniging

KONINKLIJK NEDERLANDS WATERSPORT VER-

BOND, gevestigd en kantoorhoudende te Bunnik,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff te Den Haag,

2. de vereniging

DUTCH CADET CLASS ASSOCIATION, gevestigd

te Leiden, kantoorhoudende te Dordrecht,

verschenen bij haar voorzitter A.F. Cohen en

haar secretaris H. Versteeg,

g e d a a g d e n.

Het verloop van het geding

1.1. Eiser, hierna ook '[eiser]' te noemen, heeft gedaagden, hierna ook respectievelijk 'KNWV' en 'DCCA' te noemen, in kort geding gedagvaard. Op de dienende dag, 6 november 2001, heeft [eiser] van eis geconcludeerd overeenkomstig het exploot van dagvaarding, waarvan een kopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2. [eiser] heeft haar vordering toegelicht, mede aan de hand van producties en een pleitnota. Daarbij heeft [eiser] zijn vordering vermeerderd als hierna vermeld.

1.3. KNWV en DCCA hebben daarop verweer gevoerd, KNWV mede aan de hand van producties en een pleitnota.

1.4. Ten slotte is vonnis gevraagd.

De vaststaande feiten

2.1. Tijdens de laatste week van december 2001 en de eerste week van 2002 zullen in Argentinië de wereldkampioenschappen zeilen in de jeugdklasse "cadet" plaatsvinden. Door KNWV, de Nederlandse wedstrijdzeilautoriteit, worden zeven teams, elk bestaande uit een stuurman en een bemanning (derhalve twee personen), aangewezen voor deelname aan de wereldkampioenschappen.

2.2. DCCA doet een voordracht aan KNWV voor deelname aan de wereldkampioenschappen, waartoe zij een selectiereglement hanteert. In dat reglement is onder meer het volgende bepaald.

Artikel 2 (voordracht): "De volgorde van voordracht wordt bepaald door het behaalde resultaat over het aantal starts tijdens een aantal selectiewedstrijden. Het bestuur van het N.C.K.O. [=DCCA] behoudt zich het recht voor bij de voordracht af te wijken van de in de selectie-wedstrijden behaalde punten, als bijzondere omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Aan de hand van het aantal toegestane deelnemers heeft het bestuur het recht om een (1) boot aan te wijzen. Zulks met het doel om de beste boot af te vaardigen naar het W.K. Uitdrukkelijk wordt gesteld, dat de uiteindelijke selectie wordt bepaald door het bestuur van het Koninklijk Nederlandse Watersport Verbond (K.N.W.V.).

Artikel 7 (deelname): "Aan de selectie-wedstrijden kan door iedere Cadetzeiler(-ster) worden deelgenomen, met dien verstande, dat om in aanmerking te komen voor selectie-wedstrijdpunten, aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:

a. De deelnemer (-ster) moet lid zijn van de N.C.K.O.

b. De contributie voor het lopende verenigingsjaar moet voor de eerste start (selectiewedstrijd) zijn voldaan.

c. (...)

d. De stuurman dient alle wedstrijden te zeilen met dezelfde bemanning. Het bestuur kan in uitzonderlijke gevallen voorafgaande aan de te zeilen wedstrijden hiervoor dispensatie verlenen, indien de deelnemer daartoe een schriftelijk verzoek indient.

(...)".

2.3. DCCO heeft na afloop van een aantal selectiewedstrijden de door de deelnemers behaalde scores opgemaakt, waarbij [de Cadetzeilster] met 146 punten als achtste is geëindigd. Als zevende met 141 punten is geëindigd [een collega-cadetzeilster].

2.4. Bij brief van 2 oktober 2001 schrijft DCCO aan KNWV:

"Afgelopen weekend hebben wij onze laatste selectiewedstrijd gevaren. En daarna de definitieve selectie gemaakt welke 7 boten wij gaan voordragen aan de KNWV om mee te doen aan de wereldkampioenschappen, die eind dit jaar in Argentinië worden gehouden.

Hierbij zijn wij op een vervelend probleem gestuit. Afgaande op de resultaten is ons lid [een collega-cadetzeilster] op de 7e plaats geëindigd. Maar zij heeft dit resultaat bereikt met verschillende bemanningen. Van de 5 wedstrijden zeilde zij de eerst[[..]] met [[..]] en de laatste 2 met [[..]]. Beiden zijn geen lid van onze vereniging. (...)

Wij moeten eerlijk erkennen dat ook wij ons niet aan deze bepaling [artikel 7 aanhef en sub d van het selectiereglement] hebben gehouden toen [een collega-cadetzeilster] op 15 september met haar nieuwe bemanning kwam - [[..]] was onverwachts met zeilen gestopt -, dat wil zeggen dat wij haar noch hebben gevraagd om alsnog dispensatie aan te vragen noch om zulks dan in elk geval vóór de wedstrijd van eind september te doen.

Dit plaatst ons voor een buitengewoon moeilijk dilemma, omdat degene die thans als 8e op de ranglijst staat, [de Cadetzeilster], van ons als bestuur eist dat wij ons aan het selectiereglement houden en niet achteraf voor beide wedstrijden dispensatie verlenen. (...)

Het is daarom dat wij graag de hulp van uw Commissie van Wijze Mannen, die naar wij hebben begrepen vanavond in vergadering bijeenkomst. Het is trouwens de KNWV die eindverantwoordelijk is voor de definitieve selectie. (...)".

2.5. Op 15 oktober 2001 heeft de Reglementencommissie aan de Hoofdselectie Wedstrijdzeilen van KNWV een op schrift gestelde uitspraak doen toekomen.

2.6. Bij brief van 3 november 2001 heeft DCCO de (voordracht voor de) selectie aan het bestuur van KNWV gezonden. [een collega-cadetzeilster] is daarop vermeld als zevende.

2.7. Bij brief van 30 oktober 2001 heeft het hoofd afdeling wedstrijdsport van KNWV aan DCCO het volgende meegedeeld:

"De Hoofdsectie Wedstrijdzeilen (HWZ) heeft de gerezen problemen ten aanzien van de selectie voor de wereldkampioenschappen Cadet in Argentinië uitvoerig besproken. Bovendien is advies gevraagd aan enkele deskundigen en de reglementencommissie.

Het besluit van het KNWV is als volgt. De teams voor het WK Cadet worden samengesteld conform de resultaten van de selectiewedstrijden. (...)".

Het geschil en de beoordeling

3.1. [eiser] vordert DCCO te bevelen [de Cadetzeilster] tezamen met haar teamgenoot bij KNWV voor te dragen voor deelname aan de wereldkampioenschappen en alle daarmee verband houdende handelingen naar behoren te verrichten, alsmede KNWV te bevelen deze voordracht te volgen en alle daarbij horende faciliteiten aan [de Cadetzeilster] te verlenen, dan wel, indien DCCO niet voldoet aan het haar te geven bevel, KNWV te bevelen [de Cadetzeilster] uit te zenden naar de wereldkampioenschappen.

3.2. [eiser] voert ter ondersteuning van zijn vordering aan dat DCCO in strijd met haar eigen reglement besloten heeft het team van [een collega-cadetzeilster] en niet dat van [de Cadetzeilster] te selecteren voor uitzending naar de wereldkampioenschappen, omdat de bemanning van [een collega-cadetzeilster] ([[..]]) ten tijde van de (laatste twee) selectiewedstrijden geen lid was van DCCO en (dus) geen contributie had betaald, zoals artikel 7 sub a en b van het selectiereglement voorschrijft, en omdat [een collega-cadetzeilster] niet voorafgaande aan de (laatste twee) te zeilen selectiewedstrijden aan het bestuur van DCCO schriftelijk dispensatie heeft verzocht (en verkregen) voor het zeilen met een andere bemanning, zoals op grond van artikel 7 sub d is vereist. [een collega-cadetzeilster] heeft derhalve, aldus [eiser], niet in aanmerking kunnen komen voor (de met de laatste twee wedstrijden te behalen) selectiewedstrijdpunten, zodat [de Cadetzeilster] moet worden geacht op de zevende plaats te zijn geëindigd (in plaats van op de achtste) en zich daarmee te hebben gekwalificeerd voor deelname aan de wereldkampioenschappen.

3.3. KNWV en DCCO voeren verweer. Op dat verweer en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten overigens nog hebben aangevoerd zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.4. Vooropgesteld wordt dat beslissingen van verenigingen genomen binnen het kader van hun statuten in het algemeen niet in aanmerking komen voor toetsing door de burgerlijke rechter (in kort geding). Slechts indien na marginale toetsing aannemelijk is dat een vereniging in redelijkheid niet tot haar beslissing heeft kunnen komen, kan een voorlopige voorziening op haar plaats zijn.

3.5. Voorts wordt overwogen dat de uitzending naar (onder andere) wereldkampioenschappen aldus is georganiseerd dat DCCO voordraagt aan KNWV en bij die voordracht is gebonden aan haar selectiereglement en dat KNWV vervolgens de selectie bepaalt en uitzendt. KNWV is daarbij niet gebonden aan het hiervoor aan de orde gekomen en deels geciteerde selectiereglement, zoals ook blijkt uit artikel 2 van dat reglement, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de uiteindelijke selectie door (het bestuur van) KNWV wordt bepaald. Dat KNWV bij de selectie aan enig ander reglement is gebonden is gesteld noch gebleken. De omstandigheid dat KNWV feitelijk altijd de voordracht volgt doet er niet aan af dat KNWV een eigen verantwoordelijkheid houdt en haar eigen oordeel mag volgen. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt kan dit oordeel door de burgerlijke rechter slechts marginaal getoetst worden.

3.6. Voor zover [eiser]s vordering behelst DCCO te bevelen de voordracht aan KNWV ten voordele van [de Cadetzeilster] - en dus ten nadele van [een collega-cadetzeilster] - te wijzigen, heeft [eiser] - nu DCCO KNWV van de gerezen problematiek bij de voordracht op de hoogte had gesteld - daarbij op zichzelf geen belang. Dat zou slechts anders zijn indien KNWV verplicht was de voordracht te volgen of daarvan slechts bij uitzondering kon afwijken, maar dat is blijkens het vorenoverwogene niet het geval. Op die grond kan het jegens DCCO gevorderde niet worden toegewezen.

3.7. Aan het jegens KNWV gevorderde legt [eiser] - zoals ook nog ter zitting is verklaard - ten grondslag dat KNWV de op onjuiste wijze tot stand gekomen voordracht van DCCO heeft gevolgd.

3.8. Bij brief van 15 oktober 2001 heeft de Reglementencommissie van KNWV het advies uitgebracht om uitzending naar de wereldkampioenschappen plaats te doen vinden conform de voordracht van DCCO. Zij heeft daartoe overwogen dat - toegegeven dat [een collega-cadetzeilster] niet vooraf en schriftelijk en conform het reglement dispensatie had gevraagd voor de bemanningswissel - DCCO stilzwijgend dispensatie heeft gegeven, nu het bestuur van de wissel afwist en ook een schriftelijk verzoek te allen tijde zou hebben toegewezen. De Reglementencommissie van KNWV heeft voorts overwogen dat [eiser] op zichzelf niet is benadeeld door de omstandigheid dat het verzoek niet schriftelijk is gedaan en dat een (andere) deelnemer geen bezwaar kan maken tegen de acceptatie van een bemanningswissel door het bestuur.

3.9. Nu KNWV - zo moet op grond van haar brief van 30 oktober 2001 worden aangenomen - de in het advies van de Reglementencommissie vermelde argumenten aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd en verder nog andere deskundigen heeft geraadpleegd en de beslissing na ampel beraad heeft genomen, heeft zij in redelijkheid tot het besluit kunnen komen - toch - de voordracht van DCCO te volgen.

3.10. Voor zover [eiser] heeft betoogd dat de uitslag van de (laatste) selectiewedstrijd(en) is beïnvloed doordat zij - naar eerst achteraf bleek ten onrechte - er van uit mocht gaan dat het (nieuwe) team van [een collega-cadetzeilster] niet meer in aanmerking zou komen voor uitzending naar de wereldkampioenschappen, doet die stelling aan het voorgaande niet, althans onvoldoende af. Bovendien heeft het bestuur van DCCO nimmer bevestigd dat geen schriftelijk verzoek om dispensatie was ingediend en dat het team van [een collega-cadetzeilster] niet meer meedeed, zodat [eiser] daarvan niet zonder meer kon uitgaan.

3.11. Gelet op het voorgaande slaagt het verweer en moet de vordering worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de kosten van het geding worden veroordeeld.

De beslissing

De president:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagden gevallen, waarin begrepen ƒ 1.550,00 voor salaris van de procureur van gedaagde sub 1 en ƒ 427,00 griffierecht.

Aldus gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2001.