Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AD4713

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
22-10-2001
Zaaknummer
16/022021-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 oktober 2001

Tegenspraak Verkort vonnis

Raadsman: mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht

G/T: J

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

verdachte,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting "Utrecht" te Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 september 2001 en 5 oktober 2001.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Van de dagvaarding is een kopie als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

2.1 De bewijsbeslissing

2.2 Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd, het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en zal verdachte daarvan vrijspreken. Daarbij wordt overwogen dat vaststaat dat beide verdachten weliswaar enige tijd vóór de nacht van 3 februari 2001 hebben bedacht en besproken dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden moeten boeten voor hetgeen zij, medeverdachte, hadden aangedaan, dat hen dat ook voor ogen stond toen zij die nacht gewapend met een knuppel naar het huis van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn gegaan en daar vervolgens zijn binnengedrongen en beide slachtoffers in hun slaap hebben overvallen en opzettelijk van het leven hebben beroofd, doch dat daarmee - en op grond van de overige feiten en omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen - niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachten de doodslag van beide slachtoffers hebben begaan met voorbedachte raad. Dat op enig moment voordat verdachte in het bijzijn van de medeverdachte de beide slachtoffers sloeg daadwerkelijk is besloten hen van het leven te beroven, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende genoegzaam komen vast te staan; niet kan worden uitgesloten dat de bedoeling van verdachten die avond was om de beide slachtoffers geweld aan te doen en dat eenmaal aangekomen in de woning en bij het aanschouwen van de slachtoffers en de emoties die dat teweegbracht bij de medeverdachte, verdachte meer en/of harder heeft geslagen. Bewezenverklaard wordt dan ook de gezamenlijke opzettelijke levensberoving, meermalen gepleegd.

2.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

3. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder subsidiair bewezenverklaarde:

medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd.

4. De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de zaak dient worden terugverwezen teneinde te onderzoeken of verdachte ten tijde van het plegen van het delict verkeerde in een dissociatieve toestand, omdat dit naar het oordeel van de verdediging tijdens het onderzoek in het Pieter Baan Centrum onvoldoende is onderzocht.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat mede op grond van het verhoor van de getuige-deskundige Offermans op de terechtzitting van 5 oktober 2001 voldoende is komen vast te staan dat er geen sprake is geweest van dissociatie bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat hiernaar geen nader onderzoek behoeft te worden verricht en wijst daarom het verzoek van de verdediging af.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

5. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- verdachte en zijn vriendin, de medeverdachte, hebben in de nacht van 3 februari 2001 nadat zij waren uitgeweest en een ruzie hadden bijgelegd, besloten de vader van de medeverdachte en diens partner een lesje te leren en te laten boeten voor hetgeen zij de medeverdachte hadden aangedaan; de medeverdachte leed volgens verdachte zeer onder de gevolgen van seksueel misbruik door haar vader en later ook door haar vader en zijn partner gezamenlijk. Verdachte en zijn vriendin zijn die nacht samen, gewapend met een knuppel, naar het huis van de vader van de medeverdachte gegaan en zijn dat huis binnengegaan via een keukenraam. Vervolgens zijn zij samen de trap opgegaan en de slaapkamer binnengegaan, waar een van beiden het licht heeft aangedaan. Nadat de medeverdachte had bevestigd dat `dit ze waren' heeft verdachte met de knuppel de vader van de medeverdachte en diens vriendin letterlijk het hoofd ingeslagen; de vriendin is ter plaatse overleden en de vader is kort daarna op weg naar het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Verdachte en zijn vriendin hebben meteen de woning verlaten en hebben vervolgens aanvankelijk getracht eventuele sporen van hun aanwezigheid in die woning uit te wissen;

- verdachte heeft verklaard te hebben gehandeld uit woede en verontwaardiging over wat de medeverdachte was aangedaan, hij heeft verklaard zich niet bewust te zijn geweest van de ernst van de gewelddadigheden en pas later te hebben begrepen dat beide slachtoffers waren overleden, dit terwijl blijkens de foto's en het technisch onderzoek in de slaapkamer van de beide slachtoffers, er sprake is geweest van veel bloedverlies en gruwelijke verwondingen;

- verdachten hebben door hun handelen twee mensen van het leven beroofd en hen een toekomst ontnomen. Het gewelddadig overlijden van de slachtoffers heeft gevoelens van verdriet bij de nabestaanden teweeggebracht. De nabestaanden zullen nog geruime tijd nodig hebben om het verlies van de slachtoffers te kunnen verwerken;

- het bewezenverklaarde feit heeft de samenleving in ernstige mate geschokt en voor veel gevoelens van onrust en onveiligheid met name in de Veenendaalse gemeenschap gezorgd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 24 maart 2001, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is;

- het rapport betreffende verdachte van de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum te Utrecht d.d. 17 augustus 2001, opgemaakt door A.T. Spangenberg, psycholoog en J.M.J.F. Offermans, psychiater, inhoudende onder meer -zakelijk weergegeven-:

"Psychiatrisch-diagnostisch is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis, waarin vooral afhankelijke en (compensatoir) narcistische kenmerken naar voren komen. Het tenlastegelegde lijkt vooral veroorzaakt door de (chronische) gevoelens van machteloosheid en hulpeloosheid, die betrokkene heeft ervaren vanwege de gevolgen van het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] door de slachtoffers en door de (acute) gebeurtenissen in de Dragonderbar de avond voorafgaande aan het tenlastegelegde. De problemen van betr. en [slachtoffer 1] kunnen bij die gelegenheid in eerste instantie niet meer geëxternaliseerd worden, met andere woorden, de verantwoordelijkheid hiervoor kan niet meer uitsluitend bij de slachtoffers van het tenlastegelegde gelegd worden. [slachtoffer 1] wordt jaloers door de contacten tussen betr. en zijn ex-vriendin [ex-vriendin verdachte] en betr. voelt zich respectloos behandeld door [slachtoffer 1], die een brandende peuk op zijn broekspijp afschiet. Lijken ze aanvankelijk die avond ver van elkaar verwijderd, op de terugweg naar huis 'sluit het systeem zich', versmelten betr. en [slachtoffer 1] weer in hun woede op [slachtoffer 1]'s vader en zijn vriendin. Thuisgekomen lijkt het alsof het gedrag van de een het gedrag van de ander 'triggert', waarbij mogelijk door het alcoholgebruik (veel meer dan door het gebruik van anabole steroïden) dit sneller en kritieklozer plaatsvindt dan in andere situaties. Waar ze voorheen met hun machteloosheid zitten, besluiten ze nu het er niet bij te laten zitten en de slachtoffers minimaal eens 'de les te lezen'. Niet uit te sluiten valt dat betr., eenmaal in de slaapkamer van de slachtoffers, zodanig angst en wanhoop op het gezicht van [slachtoffer 1] meende te lezen, dat dit de kracht van zijn handelen mede heeft bepaald en beïnvloed.

Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit -indien bewezen- hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Uit het bovenstaande komt naar voren dat er bij betr. sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en compensatoir narcistische trekken. Betr.'s problematiek wordt in de relatie met zijn partner en medeverdachte [slachtoffer 1] in de kern geraakt; in tegenstelling tot eerdere relaties van betr. is hij in het contact met [slachtoffer 1] volledig versmolten met haar en vooral met haar problematiek en heeft hij zich deze eigengemaakt, hetgeen uiteindelijk vanuit een collectief gevoel van machteloosheid en hevige woede heeft geleid tot het tenlastegelegde. Binnen de huidige relatie ziet het onderzoekend team geen andere personen die op grond van de problematiek c.q. stoornis van [slachtoffer 1] gevaar zouden kunnen lopen. Zou het in de toekomst van de kant van betr. tot een andere relatie komen dan met [slachtoffer 1], dan valt weliswaar niet uit te sluiten dat betr. opnieuw verliefd raakt op iemand bij wie hij de rol van de (ogenschijnlijk) 'sterkere' zal kunnen spelen, doch het mag uiterst onwaarschijnlijk worden geacht dat het opnieuw iemand zal betreffen met zoveel problemen en die zo ernstig getraumatiseerd is als [slachtoffer 1] het onderzoekend team is dan ook van mening dat in het huidige tenlastegelegde zodanig specifieke elementen verweven liggen, dat een gevaar voor herhaling van feiten soortgelijk aan het tenlastegelegde niet van dien aard is dat er aanleiding is Uw College te adviseren om betr. een TBS op te leggen of anderszins te doen behandelen in gedwongen strafrechtelijk kader."

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusie over en maakt die tot de hare.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Hoewel de rechtbank verdachten vrijspreekt van het primair tenlastegelegde, zal de rechtbank niettemin gelet op bovenomschreven ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan de door de officier van justitie ten aanzien van het primair tenlastegelegde gerekwireerde straf opleggen.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden materiële schade ten bedrage van f 5.702,-- terzake kosten van de crematie en de koffietafel na de crematie en tot vergoeding van geleden materiële schade ten bedrage van f 424,25 terzake kosten van lunches.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, derhalve door handelingen van verdachte en zijn mededaders tot een bedrag van f 5.702,--, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is niet tot betaling gehouden voor zover het toegewezen bedrag reeds door zijn mededader is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte en zijn mededader jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

6. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen zijn de op te leggen straf en maatregel gegrond op de artikelen 36f, 47, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

7. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot GEVANGENISSTRAF voor de tijd van 10 (TIEN) JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

Veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan deze benadeelde partij, te betalen f 5.702,00 (zegge vijfduizendenzevenhonderdentwee gulden), met dien verstande dat indien en voor zover de mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan verdachte de verplichting op - samen met zijn mededader of, wanneer die mededader niet betalen, alleen - aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer te betalen f 5.702,-- (zegge vijfduizendenzevenhonderdentwee gulden) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien de verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van f 5.702,-- ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij een bedrag van f 5.702,-- te betalen komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte of zijn mededader aan de benadeelde partij een bedrag van f 5.702,-- heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van f 5.702,-- ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.W. Koksma, P. Dondorp, W.B. de Jong, rechters, bijgestaan door mr. A.P.F.M. van der Loo als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 oktober 2001.