Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AB3349

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-05-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
SBR 00/612
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43c
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 71a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: SBR 00/612

UITSPRAAK

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht,

meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken,

in het geding tussen:

A B.V.,

gevestigd te B,

e i s e r e s,

tegen

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij besluit van 24 november 1999 heeft verweerder aan mevrouw X, werkneemster van eise-res (verder te noemen: werkneemster) met ingang van 14 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder werkneemster voorts meegedeeld dat de aan haar met ingang van 14 mei 1999 toegekende uitkering eerst met ingang van 12 oktober 1999 wordt uitbetaald.

Bij besluit van 17 februari 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen laatstge-noemd besluit van 24 november 1999 ongegrond verklaard

Namens eiseres is tegen het besluit van 17 februari 2000 op 30 maart 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 13 april 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 februari 2000 waar eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. I.M. Jebbink, advocaat te Utrecht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. A.J.G. Lindeman, juridisch medewerker van de afdeling Bezwaar en Beroep van het districtskantoor Utrecht van Gak Nederland B.V.

2. OVERWEGINGEN

Feiten

Namens eiseres is door Peters en Du Boeuff Arbo- en bedrijfsgezondheidsdienst B.V. te Houten (verder: de arbodienst), op 12 januari 1999 ten behoeve van werkneemster, wegens arbeidsongeschiktheid voor haar werkzaamheden uitgevallen op 15 mei 1998, een volledig reïntegratieplan ingediend.

Bij besluit van 12 april 1999 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 71a, derde lid van de WAO, vanwege de te late indiening van het reïntegratieplan van meer dan 28 kalenderdagen, een boete opgelegd van f 1000,-.

Bij besluit van 24 november 1999 heeft verweerder aan werkneemster met ingang van 14 mei 1999 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder werkneemster meegedeeld dat deze uitkering vanwege de verlengde loondoorbetalingsverplichting van haar werkgever op grond van artikel 7:629 van het BW, eerst met ingang van 12 oktober 1999 wordt uitbetaald. Ter toelichting is vermeld dat eiseres in strijd met het bepaalde in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) niet uiterlijk op de eerste dag dat de ongeschiktheid van werkneemster 13 weken duurde bij verweerder aangifte heeft gedaan van die ongeschiktheid, doch eerst op 12 januari 1999, hetgeen 146 dagen te laat is, en dat de termijn gedurende welke de werkgever het loon tijdens de ziekte van werkneemster moet doorbetalen op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt verlengd met de duur van de te late aangifte.

Bij brief van 24 november 1999 heeft verweerder eiseres onder toezending van laatstgenoemd besluit in kennis gesteld van het feit dat de periode van loondoorbetalingsverplichting wordt verlengd met 146 dagen.

Namens eiseres is bij brief van 31 december 1999 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 november 1999 tot opschorting van de uitbetaling van de WAO-uitkering aan werkneemster.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, na eiseres op 7 februari 2000 te hebben gehoord, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangezien de werkgever door verweerders besluit inzake de ingangsdatum van de uitbetaling van de aan haar werkneemster toegekende WAO-uitkering feitelijk, voldoende onderscheiden van anderen, in zijn eigen belang wordt getroffen, omdat deze ingangsdatum van invloed is op de door de werkgever te betalen gedifferentieerde WAO-premie. De verlengde loondoorbetalings-verplichting, vloeit volgens verweerder echter niet voort uit het bestreden besluit, maar uit de (privaatrechtelijke) contractuele relatie tussen eiseres en werkneemster, zodat het belang waarin eiseres beschermd wil worden een hiervan afgeleid belang is. Verweerder is dan ook van mening dat eiseres in zoverre geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft en dat een herbeoordeling van het bestreden besluit op basis van deze bezwaren niet behoeft plaats te vinden.

In beroep is namens eiseres aangevoerd dat het reïntegratieplan door een vermoedelijke omissie van de arbodienst weliswaar te laat is ingediend, doch dat de te late indiening op geen enkele wijze van invloed is geweest op de voortdurende arbeidsongeschiktheid van werkneemster. De gemachtigde van eiseres stelt dat van opzet bij de te late indiening van het reïntegratieplan en de te late melding van de arbeidsongeschiktheid geen sprake is geweest. Eiseres acht het onredelijk dat zij door de oplegging van de boete voor de te late indiening van het reïntegratieplan en de opschorting van de uitbetaling van de WAO-uitkering, twee maal gestraft wordt voor hetzelfde feit.

Verweerder is van mening dat het tijdig indienen van het reïntegratieplan en een tijdige ziekmelding twee van elkaar losstaande zaken zijn. De omstandigheid dat eiseres reeds een boete is opgelegd voor het niet tijdig indienen van het reïntegratieplan staat volgens verweerder niet in de weg aan het opschorten van de uitbetaling van de WAO uitkering vanwege de te late ziekmelding door eiseres.

Verweerder wijst er voorts op dat bij de wet- en regelgeving inzake (tijdige) indiening van het reïntegratieplan en ziekmelding niet van belang is of de werknemer al of niet de mogelijkheid heeft tot reïntegratie. De regelgeving is strikt wat betreft de termijnen en de gevolgen bij overschrijding daarvan. Verweerder merkt daarbij nog op dat, juist nu reeds vroeg bekend was dat de werkneemster niet meer belastbaar zou zijn, eiseres tijdig, dat wil zeggen binnen dertien weken na haar uitval, een volledig reïntegratieplan had kunnen indienen waarbij werkneemster tevens kon worden ziek gemeld.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet bevoegd is te treden in de beoordeling of artikel 7:629 van het BW in redelijkheid kan worden toegepast en dat artikel 43c (oud) van de WAO geen ruimte tot afwijking biedt.

Wettelijk kader

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 7:1 en 8:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan alleen door een belanghebbende bezwaar worden gemaakt tegen een besluit.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Op grond van artikel 38, eerste lid, van de ZW bestaat voor de werkgever de plicht om zieke werknemers, uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken van die werknemer dertien weken heeft geduurd, te melden bij verweerder.

In artikel 43c van de WAO, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2000 ( per die datum: artikel 43d), is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt uitbetaald in het verlengde tijdvak waarin recht bestaat op loon ingevolge artikel 7:629, eerste lid, tweede volzin, van het BW.

Ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het BW behoudt de werknemer, voor zover het loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voor een tijdvak van tweeënvijftig weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijk minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij daartoe door ziekte of door zwangerschap of bevalling verhinderd was. Indien de werkgever de aangifte bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW later doet dan in dat artikel is voorgeschreven, wordt dit tijdvak met de duur van de vertraging verlengd.

Ontvankelijkheid

In een geval als het onderhavige vervult de werknemer geen rol bij de ziekmelding aan ( het uitvoeringsorgaan van) verweerder. De werkgever dient de ziekmelding binnen de in artikel 38 van de ZW genoemde termijn te doen. Niet de werknemer, maar de werkgever ondervindt rechtstreeks nadeel van de opschorting van de uitbetaling van de WAO-uitkering, omdat hij op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW verplicht is het loon van de werknemer door te betalen over de periode gedurende welke hij in verzuim is geweest. De wetgever heeft er dus expliciet voor gekozen de consequenties van de te late melding van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer voor rekening van de werkgever te brengen.

Gelet hierop en gelet op het feit dat aan een besluit om op grond van artikel 43c van de WAO over te gaan tot latere uitbetaling van de WAO-uitkering aan de werknemer een vaststelling van verweerder ten grondslag ligt omtrent het niet hebben voldaan door de werkgever aan zijn verplichting ex artikel 38 van de ZW, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de werkgever rechtstreeks bij een dergelijk besluit is betrokken.

De omstandigheid dat de met de opschorting van de betaling van de WAO-uitkering verbonden verlenging van de verplichting tot loondoorbetaling plaatsvindt op grond van artikel 7:629 van het BW, dat ziet op de contractuele relatie tussen de werkgever en de werknemer, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. De rechtbank acht in dit verband van belang dat, als wordt uitgegaan van het primaat van de arbeidsovereenkomst, dit zou betekenen dat een eventueel geschil over de toepassing van artikel 43c van de WAO alleen door de werknemer, die als gezegd geen financiële consequenties ondervindt van de te late ziekmelding door de werkgever en die er bovendien in de regel niet van op de hoogte zal zijn op welke datum de ziekmelding heeft plaatsgevonden, aan de administratieve rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Dit acht de rechtbank een onaanvaardbare beperking van het recht van de werkgever op toegang tot de rechter.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank, zij het op andere gronden dan verweerder, van oordeel dat eiseres bij het besluit tot opschorting van de uitbetaling van de WAO-uitkering aan de werkneemster als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb dient te worden aangemerkt. De rechtbank is overigens van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt innerlijk tegenstrijdig is, nu verweerder enerzijds stelt dat eiseres uit hoofde van haar afgeleide premiebelang belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, terwijl verweerder anderzijds van mening is dat de belangen waarin eiseres beschermd wenst te worden, omdat zij niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken zijn, niet tot een herroeping van het bestreden besluit kunnen leiden.

Beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de arbeidsongeschiktheid van werkneemster 146 dagen te laat bij verweerder heeft gemeld. De rechtbank merkt daarbij op dat de gevolgen van de nalatigheid van de arbodienst tot de risicosfeer van eiseres behoren en derhalve voor haar rekening dienen te blijven.

De rechtbank is van oordeel dat de verplichting van verweerder om op grond van artikel 71a, derde lid, van de WAO een boete op te leggen, indien de werkgever heeft verzuimd tijdig een reïntegratieplan in te dienen, geheel los staat van het bepaalde in artikel 43c van de WAO juncto artikel 7:629 van het BW, waarin de opschorting van de uitbetaling van de WAO-uitkering is voorgeschreven over - onder meer - het aantal dagen dat de termijn tot melding van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 38 van de ZW is overschreden. De rechtbank wijst er daarbij op dat de indiening van het reïntegratieplan op grond van de WAO en de melding van arbeidsongeschiktheid onder een verschillend wettelijk regime vallen. De omstandigheid dat in het onderhavige geval de indiening van het reïntegratieplan tevens is aangemerkt als ziekmelding doet er niet aan af dat deze meldingen onafhankelijk van elkaar en op verschillende tijdstippen kunnen plaatsvinden. Het standpunt van de gemachtigde van eiseres dat zij voor haar verzuim reeds is gestraft door de oplegging van een boete van f 1000,- zodat de opschorting van de uitbetaling van de WAO-uitkering een onredelijke cumulatie van straffen betekent, kan de rechtbank dan ook niet volgen.

Gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 43c van de WAO, is bij de toepassing van dit artikel geen ruimte voor belangenafweging. Aan het standpunt van eiseres dat de te late indiening van het reïntegratieplan op geen enkele wijze van invloed is geweest op de voortdurende arbeidsongeschiktheid van werkneemster, en dat van opzet bij de te late indiening van het reïntegratieplan geen sprake is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet de betekenis worden gehecht als door eiseres gewenst. Vanwege het dwingendrechtelijk karakter van artikel 43c WAO kan het ter zitting door de gemachtigde van eiseres ingenomen standpunt, dat sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking van verweerder, evenmin worden gevolgd.

De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Gelet op het vorenoverwogene zou een juiste toepassing van artikel 1:2 van de Awb door verweerder niet tot een ander resultaat hebben geleid. De eerder door de rechtbank geconstateerde innerlijke tegenstrijdigheid van het besluit vormt dan ook evenmin een grond tot vernietiging daarvan. Aangezien de rechtbank ook overigens geen aanleiding ziet te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten, komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden verweerder in de proceskosten te veroordelen.

3. BESLISSING

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verkaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R in `t Veld als voorzitter en mrs. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse en M.C.M. van Laar als leden en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2001

de griffier: de voorzitter van de meervoudige kamer:

S. Meurs R. in `t Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking

hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van

Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.