Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AB2625

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-07-2001
Datum publicatie
13-07-2001
Zaaknummer
131477/ JE RK 01-602
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnr. 131477 / JE RK 01-602 IO 6 juli 2001

verlenging ondertoezichtstelling

Arrondissementsrechtbank Utrecht

BESCHIKKING

van de kinderrechter op het verzoek van de Stichting Jeugd en Gezin Overijssel met betrekking tot de minderjarige:

[het kind], geboren te[geboorteplaats], op 20 februari 1997,

kind van

[de vader], wonende te [woonplaats],

en

[de moeder], wonende te [woonplaats];

de moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag.

1. Verloop van de procedure

Voormelde gezinsvoogdij-instelling heeft op 8 juni 2001 een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend.

Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

2. Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van 27 juli 2000 van de kinderrechter te Utrecht is ten aanzien van voormelde minderjarige de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar, met ingang van 4 augustus 2000.

Uit de overgelegde stukken blijkt het volgende:

De minderjarige, geboren in februari 1997, woont sinds juli 1998 in het pleeggezin [naam pleeggezin].

De vader heeft [het kind] voor het laatst in november 1998 gezien. De moeder die alleen het gezag heeft geeft er blijk van geen stabiele opvoedingssituatie te kunnen bieden. Op de bezoeken die het afgelopen jaar gepland waren,is moeder niet verschenen. Sinds februari 2001 heeft de gezinsvoogd geen contact meer met moeder kunnen krijgen. Het laatste contact tussen moeder en kind dateert van anderhalf jaar geleden.

De minderjarige heeft een forse ontwikkelingsachterstand en een reactieve hechtingsstoornis die vermoedelijk onder andere het gevolg zijn van ernstige verwaarlozing in de eerste levensfase.

De conclusie is dat de minderjarige op dit moment niets meer van haar moeder te verwachten heeft. Mocht dat in de toekomst anders worden dan zal dat geen reden mogen zijn om het kind terug te plaatsen aangezien het gezinsleven dat zij reeds thans met de pleegouders heeft prevaleert boven het gezinsleven met haar moeder voor zover daarvan nog sprake is. Dit te meer nu bij het kind hechtingsproblematiek is geconstateerd waardoor een scheiding van het pleeggezin desastreuze gevolgen voor haar ontwikkeling zou kunnen hebben.

Aan het doel van de ondertoezichtstelling namelijk de ouders zoveel mogelijk de

verantwoordelijkheid van de opvoeding en verzorging te doen behouden wordt thans niet gewerkt en zal, gelet op het bovenstaande, ook in de toekomst niet gewerkt mogen worden in het belang van de minderjarige. De ondertoezichtstelling is daarom niet de geëigende maatregel om de dreiging bedoeld in art. 1:254 BW af te wenden.

Desalniettemin wordt de maatregel thans verlengd met zes maanden om de gezinsvoogdij-instelling in de gelegenheid te stellen bij de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek aan te vragen met betrekking tot de noodzaak de moeder van het gezag te ontheffen.

3. Beslissing

De kinderrechter verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarige met zes maanden, ingaande 4 augustus 2001, met behoud van de Stichting Jeugd en Gezin Overijssel als gezinsvoogdij-instelling.

Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

De kinderrechter wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 6 juli 2001 door mr. A.C. Quik-Schuijt, kinderrechter, in bijzijn van I. Oignet-Coenen als griffier.